Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Boeksamenvatting dt2 MG

Beoordeling
-
Verkocht
1
Pagina's
45
Geüpload op
21-05-2026
Geschreven in
2025/2026

Volledige samenvatting voor dt2 van het van MG op basis van het boek

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 6: Religieuze Vernieuwing en Kerkhervorming
De westerse kerk had in de vroege middeleeuwen twee verschillende gezichten. Aan de ene kant heerste de ideologie dat
men moest afzien van de wereldlijke waarden die dominant waren in de samenleving. Aan de andere kant waren kerkelijke
zaken op allerlei manieren verbonden met wereldlijke zaken. In de loop van de 11e en 12e eeuw zouden de wereldlijke en
geestelijke zaken steeds meer gescheiden raken, terwijl de pauselijke macht groeide en de bemoeienis van de aristocratie
met de Kerk teruggedrongen werd. Het motto van deze bevrijding was Libertas Ecclesiae, waarmee werd bedoeld dat de
kerk verlost zou worden van de invloed van leken.

Het hervormingsstreven

De kerk is van oudsher voortdurend bezig geweest met hervorming (niet per se vernieuwing) en het herstellen van oude
waarden en verhoudingen. In de 10 en 11e eeuw was deze hervormingsdrang echter anders dan eerder. Het ging voor die tijd
namelijk vooral om het moreel verbeteren van het individu, maar nu draaide het ook om het hervormen van de kerk als
instituut. Om dit te kunnen bewerkstelligen, moest de lekeninvloed binnen de kerk teruggedrongen worden. Ook moesten
alle hogere geestelijken 'zuiver' zijn en de vier hoogste wijdingsgraden van geestelijken moesten voortaan celibatair leven.
Het huwelijk werd nu definitief een sacrament, waardoor de geestelijkheid er meer controle over kreeg. Omdat huwelijk
voor de aristocratie gepaard ging met "grote materiële en machtsbelangen" kregen de hervormers te maken met verzet tegen
deze hervorming.

Paus tegen keizer: de investituurstrijd

Allereerst richtten de hervormers zich tegen de lekeninvestituur. Hierbij werden bisschoppen en abten vóór hun wijding
door een aartsbisschop benoemd door de koning en zonder de investituur van de koning konden de bisschoppen en abten
hun ambt niet uitoefenen. De koning of vorst had hierdoor feitelijk de benoeming van bisschoppen en abten in de hand. Zo
konden kerkelijke ambten verkocht worden (simonie), iets waar de hervormers het absoluut niet mee eens waren. In het
Roomse Rijk werd dit conflict nog verscherpt door twee ontwikkelingen:

1. Vanaf Otto I begonnen de koningen zich te bemoeien met de pauskeuze;
2. Roomse koningen gebruikten bisschoppen in hun wereldlijke bestuur. Dit gebeurde al langer en was niet erg, maar
onder het Salische Huis gingen de koningen te ver. Bisschoppen werden ook graaf of hertog en kregen hierdoor een
wereldlijk ambtsgebied in leen. Op deze manier werden ze dus vazallen van de koning. Dit systeem werkte alleen
als de koning zelf de bisschoppen en de abten kon benoemen.

Buiten het Roomse Rijk was het probleem minder erg. In Engeland waren bisschoppen en abten wel kroonvazallen, maar
werden ze nooit benoemd in wereldlijke bestuursambten. In Frankrijk was de koning te zwak. Hij had bijvoorbeeld niet in
alle bisdommen het benoemingsrecht van bisschoppen en abten in handen.

Het hervormingsprogramma

Koning Hendrik III van het Roomse Rijk liet zijn neef tot paus Leo IX verkiezen, onder wie het pauselijke gezag werd
versterkt. Hij voerde met behulp van andere hervormingsgezinden aan het pauselijke hof, de curie, hervormingen door.

Ten eerste werd de procedure voor pausverkiezing hervormd in 1059. Voor deze hervorming werden pausen door de 'clerus
en volk' en dus in feite door de aristocratie gekozen, maar na 1059 werd dit gedaan door 'het college van kardinalen' (de
belangrijkste geestelijken in Rome). Er bleef nog wel sprake van enige lekeninvloed in de pauskeuze, omdat dit in het
openbaar gedaan werd. Pas vanaf 1274 werd het conclaaf (achter gesloten deuren) de regel voor de verkiezing. Paus
Gregorius VII (1073-1085) stelde de Dictatus Papae ('Uitspraken van de paus', 1075) op en kende daarmee de hoogste
macht in de wereld toe aan de paus. Oude claims werden expliciet gemaakt en omgetoverd tot “officieel pauselijke
standpunt”. Dit was de basis voor een nieuw hiërocratische wereldorde, waarbij de paus de hoogste macht had, die de oude
caesaropapistische orde moest vervangen. Paus Innocentius III veranderde jaren later de tekst van de keizerskroning zodat
de keizer nu het zwaard 'van de paus' in plaats van 'van God' had ontvangen om de kerk te beschermen.

Conflict tussen paus en de Duitse koning zou er dus hoe dan ook komen. Dit gebeurde toen Hendrik IV in 1075 een nieuwe
aartsbisschop van Milaan aanstelde terwijl er al een pauselijke kandidaat was gekozen. Paus Gregorius excommuniceerde
de keizer en zette hem uit zijn ambt: de pauselijke macht bleek groot te zijn. Een deel van de adel koos de kant van de paus
en Hendrik besloot in 1077 de Mont Cenis over te steken om de paus persoonlijk om vergeving te vragen in Canossa.
Gregorius kon niet anders dan Hendrik vergeven, maar de Duitse koning had nu wel erkend dat de paus "over zijn
koningschap kon beschikken".

,De gang naar Canossa illustreerde het begin van het strakker vormgeven van de relatie tussen koning en paus. Een koning
moest gehoorzaam zijn aan de paus, nuttig zijn voor de paus en zich schikken naar het oordeel van de paus. Ook kregen de
Duitse koningen niet meer het exclusieve recht op het keizerschap in het Westen. Gregorius en Hendrik maakten elkaar
voortdurend zwart en schrokken nergens voor terug. Hendriks opvolger, Hendrik V, was het eens met de moraal van de
hervormingen, maar wilde niet toegeven op het punt van de investituur van bisschoppen. In 1122 kwam een compromis in
de vorm van het Concordaat van Worms tot stand. De koning verloor de geestelijke investituur en behield de investituur
omtrent de wereldlijke macht.

Een daadwerkelijke oplossing voor het probleem van lekeninvloed vormde het Concordaat van Worms niet: "zolang
bisschops- en abtsambten lucratief waren en hun dragers eventueel met wereldlijk gezag werden bekleed, bleven vorsten en
aristocraten zich met verkiezingen bemoeien, alleen niet langer openlijk en direct". Een andere manier om de lekeninvloed
terug te dringen bestond uit het terugdringen van het eigenkerksysteem. Dit werkte het beste door nieuwe (parochie)kerken
op te zetten. Pas later werd de status van bestaande kerken herzien.

De aanzet tot de kruistochten

De pausen moesten om hun hiërocratische aanspraken te verwezenlijken gebruik maken van ideologische propaganda en
kerkelijke sancties. De oproep tot een heilige oorlog was het grootste en extreemste machtsmiddel dat de paus bezat. De
eerste werd uitgeroepen door Urbanus II in 1095, en was bedoeld om het Heilige Graf in Palestina te bevrijden van
islamitische veroveraars. De paus gebruikte de kruistocht ook om het adellijke geweld onderling te stoppen en dat geweld te
gebruiken tegen de ongelovigen in het Oosten. Kruisvaarders werden gezuiverd van hun zonden, zolang de strijders maar
niet uit waren op roem of buit. Daarnaast waren er nog politieke motivaties voor de kruistocht. Zo wilde de paus een
pauselijke vazalstaat in Palestina en besloot zo hulp te verlenen aan de Byzantijnse keizer, die had gevraagd om militaire
bijstand. De oproep tot een kruistocht van de paus ging gepaard met "een intensievere propagandacampagne ter meerdere
glorie van de katholieke kerk en van de edellieden die het kruis opnamen". Voor de kruisvaarders zelf waren religieuze
motieven waarschijnlijk erg belangrijk. Ze streden om hun ziel te redden en zodat hun zonden zouden worden vergeven. Ze
waren bereid hier verschillende (soorten) offers voor te maken. Er zouden nog vele kruistochten volgen, maar deze waren
niet allemaal gericht op de bevrijding van Jeruzalem. Zo waren er ook kruistochten tegen de ketters in Europa.

De pauselijke aanspraken op het hoogste gezag

Twee andere belangrijke niet-militaire wapens van de paus waren de excommunicatie en het interdict. Door
excommunicatie werden specifieke zondige gelovigen verbannen uit de christelijke gemeenschap. Bij het interdict werden
kerkelijke diensten binnen een bepaald gebied afgeschaft. Een derde en nog zwaarder wapen was het beschuldigen van
ketterij. Als dit was gebeurd, konden vorsten om militaire bijstand worden gevraagd om de ketters te verdrijven. Met ketterij
wordt hier "het ernstig verstoren van de door de kerk gegarandeerde wereldvrede" bedoeld en niet per se het afwijken van
de leer van de Kerk. De paus maakte aanspraak op de heerschappij over veel gebieden in Europa. Daarnaast zochten de
pausen ook naar bondgenoten die ze als leenmannen aan zich konden binden. Dit gebeurde niet erg vaak, maar Jan zonder
Land kon niet anders: het werd in 1213 de vazal van Innocentius III. Op de pogingen van de pausen om hun macht boven
die van koningen en keizers te plaatsen, kwam ook verzet. Zo verzette Frederik Barbarossa zich tegen de paus. Ook in
geestelijke kring was er kritiek en was niet iedereen fan van de "gangbare extreme interpretatie van de tweezwaardenleer"
van Gregorius VII. Uiteindelijk werd in de Decretum Gratiani een gematigde, dualistische visie vastgelegd.

De 'pauselijke monarchie'

De macht van de paus zelf binnen de kerk groeide in deze periode flink. De centrale bestuursapparaten in Rome werden
verder uitgebouwd en het Heilige College (van kardinalen) werd "het belangrijkste advies- en bestuursorgaan van de
pausen". Deze kardinalen, die ook steeds vaker van buiten Rome of Italië kwamen, werden overal ingezet als pauselijke
gezanten. Dit versterkte het gezag van de pausen flink. Al deze verschillende bestuursorganen vormden een pauselijke curie
die pas vanaf de 12e eeuw verschillende takken kende (bijvoorbeeld rechtspraak en financiën).

In de 12e eeuw werd "het hoogste oordelend gezag in de Rooms kerk" van de paus pas geïnstitutionaliseerd. Om zijn plicht
(het verdedigen van het katholieke geloof) te vervullen, zou de paus namelijk meer macht nodig hebben, zo waren
hervormers van mening. De paus trok veel rechtelijke macht naar zich toe en zijn curie ontwikkelde een juridisch expertise.
De curie deed een poging tot het kanaliseren van de pauselijke rechtspraak op twee manieren:

1. Er werden twee gespecialiseerde rechtscolleges gevormd binnen de curie. Dit waren de Poenitentiaria (berechting
van gewetenskwesties) en de Audiëntia (voor alle overige zaken);
2. Zaken werden voortaan behandeld op de plek waar ze waren gebeurt, in plaats van in Rome zelf.

,De 12e eeuw kende ook een grote groei in de inkomsten van de kerk van Rome. Het beheer van de kerk werd gefinancierd
vanuit twee verschillende fondsen: de Camera Apostolica voor het pauselijke deel en de Camera Sacri Collegii voor het deel
van de kardinalen. De pauselijke domeinen en de subsidies van wereldlijke vorsten vormden het grootste deel van de
pauselijke inkomsten. Vooral de tweede was niet erg stabiel, omdat de paus vorsten niet kon dwingen te betalen. De kerk
probeerde aan meer stabiele inkomsten te komen door een inkomstenbelasting op de geestelijkheid te heffen. Door de
grotere inkomsten en de verbetering van het beheer van de financiën werd de pauselijke greep op de pauselijke gebieden
versterkt. In Midden-Italië consolideerden de pausen het wereldlijke gezag. Paus Leo IX was de eerste die oecumenische
concilies bijeenriep en voorzat zonder de keizer. Op deze concilies werden "kwesties van geloofsleer" beslist. Deze
concilies kwamen vanaf de 12e eeuw met enige regelmaat voor en werden door de paus gebruikt om besluiten te
verkondigen. Daarbij kon de paus in deze concilies ook zijn gezag verstevigen.

Vanaf 1123 vonden deze concilies plaats in Rome/het Lateraan. Het Derde en Vierde Lateraanse Concilie waren van groot
belang binnen deze ontwikkeling en resulteerden in regelgeving op verschillende gebieden. Het Derde ging om huwelijk en
verwantschap, de Vierde om morele kwesties en geloofszaken. In het Vierde Lateraanse Concilie werden voor het eerst
naast bisschoppen ook andere geestelijke en wereldlijke bestuurders uitgenodigd. Hiermee wilde de paus zijn macht
benadrukken. Het feit dat deze bestuurders aanwezig waren, betekende niet dat zij ook daadwerkelijk inspraak hadden. Het
hoogtepunt van de pauselijke macht was onder paus Innocentius III. Hij wordt gezien als de "belichaming van de verheven
aspiraties en idealen van een nieuw pausschap, dat gericht was op het spirituele en uiteindelijk ook politieke leiderschap
over de hele christenheid". Door middel van het concept plenitudo potestatis ('volheid van macht') onderbouwde hij dat het
pauselijke gezag superieur was aan het wereldlijke gezag.

Hervorming en vernieuwing in het kloosterwezen Cluny en de Ecclesia Cluniacensis

De oorsprong van veel hervormingen binnen de kerk kan gevonden worden in het klooster Cluny in het hertogdom van
Bourgondië. De hervormingen draaiden om het herstellen “van de zuivere regel van Benedictus" waarbij het in Cluny
vooral draaide om het bidden. Het bidden voor het zielenheil van de doden werd belangrijker en leidde tot een nieuwe
feestdag, Allerzielen. Er werd een gigantische begraafplaats aangelegd en zodoende groeide Cluny rond 1150 uit tot het
grootste klooster van Europa.

Er zijn vier factoren te noemen die verklaren waarom Cluny zo'n bijzondere positie innam:

1. Cluny wist succesvol haar hervormingsstreven over te brengen op andere kloostergemeenschappen. Er was door de
grote diversiteit van kloosters nog geen grond om te spreken van daadwerkelijke kloosterorders, maar de "greep
van de moederabdij op de aangesloten conventen" was groot doordat er vaak inspecties plaatsvonden vanuit Cluny
zelf;
2. Cluny was onttrokken aan bisschoppelijke en wereldlijke supervisie en gezag. Hierdoor stond de abdij dus direct
onder het gezag van de paus zelf en genoot de abdij directe protectie van de paus. Dit zorgde ervoor dat Cluny bijna
een koninkrijk op zichzelf werd en "een machtig bolwerk in de emancipatiestrijd om de vrijheid van kerkelijke
instellingen tegen wereldlijke bemoeienis";
3. Cluny had verder ook een bijzondere relatie met de apostelen Petrus en Paulus. Het klooster had namelijk relieken
van beiden in bezit. Veel pelgrims maakten dus een bedevaart naar Cluny in plaats van naar Rome;
4. Cluny was een centrum van geleerdheid en intellectuele vorming en de abten waren beroemd onder de christenen.
Hun advies werd dan ook door koningen en pausen gerespecteerd en ze waren prominent aanwezig bij bijvoorbeeld
godsvredeconcilies. Cluny mag dan wel bijzonder zijn, maar was niet een op zichzelf staand fenomeen.

De nieuwe religieuze orden

Al gauw kwam er kritiek op Cluny: de monniken zouden te luxueus leven, diensten zouden te mooi aangekleed worden en
ook zouden de abten te veel zijn betrokken bij wereldlijke politiek. Dit viel buiten de monastieke idealen van
wereldverzaking, contemplatie en soberheid. Uit deze kritiek kwamen La Grande Chartreuse (de kartuizers) en Cîteaux
(cisterciënzers) uit voort. Dit waren twee kloostergemeenschappen die de regel van Benedictus tot op de letter naleefden.
Vooral de kloosterorde van de cisterciënzers boekte groot succes en kende veel abdijen.

"De cisterciënzers keerden terug naar de oorsprong van het kloosterwezen." Hiervoor zonderden ze zich af van de
bewoonde wereld en leefden erg sober. Ze organiseerden hun landbezit in compacte stukken land genaamd
grangie/uithoven. De landarbeid werd gedaan door loonarbeiders of conversi (lekenbroeders). Die laatste waren monniken
die "wél de kloostergeloften hadden afgelegd, maar nauwelijks liturgische verplichtingen hadden, omdat ze ongeletterd
waren". Binnen deze grangie werd er ook geëxperimenteerd met allerlei nieuwe landbouwmethoden of -technieken.

, De enorme groei van de cisterciënzerkloosters was grotendeels te danken aan leider Bernard Clairvaux. Hij hield zich niet
alleen met Cluny bezig, maar keek ook naar wereldlijke zaken. Hij was een voorstander van een militante opstelling van de
kerk naar ketters, ongelovigen en andersdenkenden toe. De cisterciënzers werden door de paus ingezet om mee op
kruistocht te gaan en vestigden zich hierdoor aan de grenzen met de heidense buitenwereld. De kartuizers leefden dan wel in
een klooster, maar isoleerden zich van elkaar. Ze leefden binnen hun eigen cel. De orde van de premonstratenzers werd
gesticht door Norbert van Gennep. Ze moesten in strenge afzondering leven, maar na een tijdje gingen de premonstratenzers
zich richten op de zielzorg. Premonstratenzers waren reguliere kannuniken, dus "priesters die in de lekenwereld actief zijn
die met elkaar in een klooster wonen en die volgens een kloosterregel leven." Hiertegenover stonden seculiere kanunniken:
priesters die bij een belangrijke kerk horen, maar die niet in een klooster wonen, geen kloostergeloften afleggen en wel
persoonlijk bezit mogen hebben. Er is een herhalend proces te zien: eerst zijn de kloosterorden heel puur en krijgen ze veel
schenkingen, waardoor ze rijker werden en hun geloofwaardigheid verloren. Hierdoor kwamen nieuwe kloosterorden tot
stand.

Vita Apostolica, Imitatio Christi, en de nieuwe spiritualiteit

In de 11e eeuw kwam er ook een nieuwe religieuze gevoeligheid tot stand op twee verschillende manieren werd geuit.
Allereerst was er de imitatio Christi/nudus nudum Christum sequi, die inhield dat christenen moesten leven zoals Christus
en de apostelen dat hadden gedaan. Men moest moreel zuiver leven en niet te veel bezittingen hebben. Hieruit kwam de
tweede hoofdtrek uit voort: spiritualiteit. Het idee was dat men een intiemere relatie moest hebben met God die tot stand
zou komen door gebed en meditatie. Geestelijken gingen zich steeds meer identificeren met Jezus en Maria. Op deze manier
kregen zij een menselijker karakter. "Beiden werden niet alleen maar objecten van ontzag en devotie, maar meer nog van
compassie en passionele liefde."

Er kwamen lekenbewegingen op die in armoede gingen leven en Gods woord actief gingen verkondigen. Zij vormden de
radicalere groepering van "het nieuwe religieuze elan". Zij waren kritisch tegenover de kerk, maar konden vervolgd worden
onder het mom van ketterij. Een bijzondere lekenbeweging was de beweging van de Begijnen. Dit waren ongetrouwde
vrome vrouwen die leefden van handarbeid. Ze werden door de paus erkend zolang ze zich aan een kloosterregel hielden en
er ontstonden veel Begijnengemeenschappen.

De bedelorden

De dominicanen/predikheren hadden de bestrijding van de Zuid-Franse katharen als doel en wilden dit doen vanuit een
evangelisch armoede-ideaal. Ze preekten in de volkstaal en richtten zich dus op de gewone mensen. Dit betekende dat de
dominicanen wel moesten weten waar ze het over hadden en dus goed opgeleid moesten zijn. Ze zetten dus hun eigen
onderwijssysteem op en stichtten hun eigen hogere scholen voor theologiestudie. Andere orden pikten dit gauw op. De
dominicanen waren goed georganiseerd. Hun hoofdzetel was in Bologna, waar hun algemene vergadering vaak
bijeenkwam. Rond 1350 hadden de dominicanen zo'n 650 huizen of priorijen.

Franciscus van Assisi, een leek die nauwelijks Latijn kon, nam de tekst van het Nieuwe Testament letterlijk en wilde
Christus navolgen. Hij zou zelfs kort voor zijn dood de stigmata (kruiswonden) van Christus op zijn handen en voeten
gekregen hebben. Franciscus en zijn volgelingen omarmden de natuur en leefden volledige zonder bezittingen. Ook trokken
ze rond en moesten ze dus bedelen om eten en onderdak.

Franciscus' goede relatie met paus Gregorius IX zorgde ervoor dat zijn beweging als religieuze orde erkend werd. Deze
steun was er ook voor de 'tweede orde', een vrouwelijke variant, de clarissen. Pas in 1263 werd de orde van de heilige Clara
erkend "onder de traditionele regel van Benedictus, waardoor de zusters hun convent niet mochten verlaten". Er kwamen
statuten voor een 'derde orde' (tertiarissen) voor leken die "zich wél wilden committeren aan een leven in de geest van het
evangelie, maar die verder gewoon getrouwd waren en hun beroep bleven uitoefenen." Er kwam kritiek op de huizen van de
orde van Franciscus, want dat was in strijd met hun bezitloze bestaan. Hieruit volgde twee richtingen:

 De realisten/conventualen: waren van mening dat de orde niet zonder goederen of inkomsten kon als zij haar taken
goed uit wilde kunnen voeren;
 De principiëlen/spirituelen wilden niet wijken van Franciscus' idealen.

Uiteindelijk moest de paus de beslissing maken. In de bul Cum inter nonnullos werd de opvatting dat Christus en zijn
apostelen bezitloos waren geweest als ketterij bestempeld. Waarschijnlijk besefte paus Johannes XXII zich dat het
aanvaarden van apostolische armoede een groot probleem zou worden van de Roomse kerk. Naast deze bedeloorden waren
er ook de karmelieten en de augustijner heremieten. Door al deze bedelorden, en vooral de preken die werden gehouden in
de volkstaal, vond er een grote uitbreiding van de religieuze indoctrinatie van de gewone mensen plaats. Maar dit zorgde

Documentinformatie

Geüpload op
21 mei 2026
Aantal pagina's
45
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€7,49
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
loeka3108

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
loeka3108 Hogeschool Rotterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
1 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
6
Laatst verkocht
3 dagen geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen