Inleiding Organisatiewetenschappen — Tilburg University
Gebaseerd op: Morgan, G. (2007). Images of Organization. Sage Publications.
Overzicht van de zes metaforen
# Metafoor Kernvraag College
1 Machine Hoe ontwerp je een efficiënte organisatie? College 2
2 Organisme Hoe overleef je in je omgeving? College 4
3 Brein Hoe leer je en pas je je aan? College 7
4 Cultuur Wat zijn de gedeelde waarden en betekenissen? College 6
5 Politiek systeem Wie heeft macht en hoe wordt die uitgeoefend? College 8
Instrument van
6 Wie wordt er uitgebuit en onderdrukt? College 8
overheersing
Elke metafoor belicht een ander aspect van organisaties. Ze zijn complementair — geen enkele metafoor
geeft een volledig beeld. Morgan pleit ervoor om meerdere metaforen tegelijk te gebruiken om
organisaties beter te begrijpen. Elke metafoor creëert ook blinde vlekken: wat je ziet, zie je ten koste van
wat je niet ziet.
, Metafoor 1 — De Machinemetafoor
Kernidee
De machinemetafoor ziet een organisatie als een machine: rationeel ontworpen, efficiënt, met vaste
onderdelen die elk een voorspelbare functie hebben en samenwerken om één doel te bereiken. Mensen
worden gezien als radertjes in het geheel — vervangbaar en stuurbaar. De organisatie is een instrument
dat je kunt ontwerpen, optimaliseren en beheersen.
De machinemetafoor ontstond tijdens de industriële revolutie, toen fabrieken steeds groter werden en er
behoefte was aan systematische manieren om grote groepen mensen te coördineren. De centrale vraag
was: hoe organiseer je werk zo efficiënt mogelijk? Dit leidde tot drie grote stromingen: Classical
Management Theory (CMT), Scientific Management (SM) en de Weberiaanse bureaucratie.
Bijbehorende theorieën en concepten
Theorie / Concept Kernidee Verband met metafoor
Classical Management Universele principes voor efficiënt CMT ontwerpt de structuur van de
Theory (CMT) organiseren (Fayol, Mooney, Urwick) machine — span of control, eenheid van
bevel, scalaire keten
Scientific Wetenschappelijke optimalisatie van SM optimaliseert de afzonderlijke
Management (SM) werkprocessen via tijd- en onderdelen — de arbeiders — via
bewegingsstudies (Taylor) standaardisatie
Bureaucratie (Weber) Hiërarchische organisatie met vaste Bureaucratie zorgt voor betrouwbaarheid
regels, deskundigheid en formele en voorspelbaarheid — de machine draait
procedures constant
Span of control Het aantal mensen dat één Bepaalt hoe hoog of plat de hiërarchie van
leidinggevende direct kan aansturen de machine is
Standaardisatie Coördinatiemechanisme waarbij Kern van de machinemetafoor — alles
werkprocessen inhoud van werk precies is vastgelegd wordt geprogrammeerd en
voorgeschreven
Theorie X (McGregor) Mensbeeld waarbij werknemers als lui Past bij de machinemetafoor — mensen
en passief worden gezien moeten worden aangestuurd en
gecontroleerd
Uitwerking van de kernprincipes
Classical Management Theory — Belangrijkste principes:
• Arbeidsdeling — specialisatie voor efficiëntie
• Eenheid van bevel — één medewerker, één baas
• Scalaire keten — gezagslijn van top naar basis
• Span of control — beperkt aantal medewerkers per leidinggevende
• Centralisatie — gezag op de juiste plek concentreren
• Discipline, gelijkheid en esprit de corps
, • Gezag en verantwoordelijkheid moeten in balans zijn
Scientific Management — Vijf principes (Taylor):
• Taakverdeling manager/werker — manager denkt, arbeider voert uit
• Wetenschappelijke methoden — tijd- en bewegingsstudies bepalen de optimale werkwijze
• Selecteer de juiste arbeider voor de juiste functie
• Train de arbeider om het werk efficiënt te verrichten
• Controleer de prestaties en zorg dat procedures worden gevolgd
Bureaucratie — Acht kenmerken (Weber):
• Functionarissen die in werkverband zijn opgenomen
• Werken in hiërarchie — duidelijke boven- en onderschikking
• Ambt heeft formeel bepaalde competentiesfeer
• Rekrutering door vrije selectie op basis van deskundigheid
• Gespecialiseerde, diepgaande vakopleiding vereist
• Werkplaats is een kantoor en werk gebeurt met schriftelijke stukken
• Volledige dagtaak — vaste aanstellingen voor continuïteit
• Taakuitvoering aan de hand van algemene, vaststaande regels — formeel, onpersoonlijk,
betrouwbaar
Kritiek op bureaucratie
• Doelverplaatsing — het middel (de regel) verwordt tot doel
• Rigide en inflexibel — moeilijk aanpasbaar aan veranderende omstandigheden
• Negeert de informele organisatie en sociale behoeften van medewerkers
• Bounded rationality — rationaliteit is altijd beperkt (Herbert Simon)
• Concentratie van macht — democratisch proces wordt verstoord
• Onderdrukking van werknemer en cliënt — mensen worden een nummer (BSN, ANR)
• Doelverplaatsing — politie die bonnen schrijft om een quotum te halen
De verdediging van bureaucratie:
• Ideaaltype — niet alle bureaucraten werken bureaucratistisch
• Bureaucratie belichaamt de rechtsstaat en zuivere procedures
• Street level bureaucracy (Lipsky) — uitvoerders passen regels altijd aan op de situatie
• Formele regels worden niet altijd formeel toegepast — work the system
Sterke kanten en beperkingen