Basisboek literatuur.
OVERZICHT BEGRIPPEN EN DEFINITIE NAAR BASISBOEK
LITERATUUR..............................................................................1
Algemeen:....................................................................................................... 2
Perspectief / verteller / vertelsituatie:...............................................................3
Personages:..................................................................................................... 5
Ruimte:........................................................................................................... 6
Tijd:................................................................................................................ 7
Vertelstructuren:.............................................................................................9
Motieven en symbolen:...................................................................................10
Stijl:.............................................................................................................. 11
Motieven:...................................................................................................... 12
Christelijke motieven en symbolen ->.............................................................................12
Klassieke- Mythologische motieven ->............................................................................15
Andere cultuurhistorische motieven ->...........................................................................18
,Algemeen:
Sujet
Een samenvatting in de (tijds)volgorde zoals die in de tekst staat.
Fabel
Een samenvatting waarbij de lezer de chronologische volgorde reconstrueert.
Als de schrijver zelf in zijn tekst de chronologische volgorde aanhoudt, vallen
fabel en sujet uiteraard samen. Zo niet, dan kun je door fabel en sujet met
elkaar te vergelijken de ingrepen in het tijdsverloop duidelijk zichtbaar maken.
Bij de analyse is het beter om van het sujet uit te gaan, omdat je dan het
dichts bij de oorspronkelijke structuur blijft.
Plot/intrige
De zeer verkorte weergave van het handelingsverloop in het verhaal. Zo is de
plot van een detective altijd: er is een moord gepleegd en de dader wordt
uiteindelijk gepakt. In een liefdesromannetje is de plot altijd: na een aantal
strubbelingen krijgen de vrouw en de man elkaar. In de literaire romans is de
plot minder voorspelbaar.
Spanning - technieken:
-Op een spannend moment ophouden en met een ander verhaallijn verder
gaan. (Cliffhanger)
-De ontknoping uitstellen door vertragingstechnieken te gebruiken.
(Tijdvertraging)
-De lezer meer info geven dan een personage. De lezer op het verkeerde been
zetten door iets te suggereren wat later niet waar blijkt. (Dramatische of
situationele ironie)
- Vragen oproepen die pas veel later beantwoord worden (Open plekken)
-Alle verhaallijnen komen samen op het toppunt van alle spanning en dat leidt
tot een climax in het verhaal, het tegenovergestelde heet een anticlimax.
Humor
Er zijn in proza (maar ook bij drama en in poëzie) veel procedés die humor
opwekken. We noemen er enkele. We maken onderscheid tussen humor die
hoort hij het verhaalverloop en van de tekst en humor die taalgebonden is, al
kan een combinatie van die twee ook een lach bij de lezer teweegbrengen. Bij
humor die wordt opgewekt door het verhaal moet je denken aan:
-Misverstanden (meestal weet de lezer meer dan een van de personages);
-Verrassingen (personages doen dan andere zaken dan je verwacht);
-Stereotypen (personages doen precies wat je verwacht);
-Herkenning (als lezer herken je de beschreven situatie uit je eigen leven0.
Bij talige humor moet je denken aan stijlfiguren en
-Ironie
Een stijlvorm waarin de schrijver op een milde manier spot met iets of
iemand. De spot is niet kwetsend bedoeld. Als een auteur iets ironisch schrijft,
formuleert hij het vaak het tegenovergestelde van wat hij bedoelt en hangt
het van de lezer af of hij de ironie wel doorziet. Soms speet een schrijver een
dubbel spel met ironie: hij formuleert iets ironisch, de lezer doorziet de ironie,
maar later blijkt dat de schrijver het toch serieus bedoelde. Stijlfiguren als een
hyperbool, litotes en understatement kunnen een ironische werking hebben.
-Sarcasme
, De schrijver drijft spot met iemand of iets. De toon is wat harder dan bij de
ironie, maar minder hard dan bij cynisme. Probleem is ook hier dat de lezer
niet altijd het sarcasme doorziet en een en ander serieus neemt.
-Cynisme
De hardste vorm van spot. Sommigen noemen het schaamteloos of illusieloos,
omdat er weinig gezegd wordt waar je nog om kunt (glim)lachen.
De laatste drie staan ook benoemd bij het kopje stijl.
Retorica/retorisch
Retorica betekende oorspronkelijk de leer van de welsprekendheid. Al in de
Klassiek Oudheid bestudeerde men de taal als middel om te overtuigen,
indruk maken of te beïnvloeden. Het betrof toen de mondelinge
taalbeheersing. Redenaars moesten leren zich zo welsprekend mogelijk uit te
drukken. In de middeleeuwen was retorica als vak opgenomen in het hoger
onderwijs. Het ging (vanaf) toen niet alleen om de schriftelijke taalbeheersing.
De studenten leerden een systeem van speciale taalbehandelingen,
stijlfiguren, die het taalgebruik moesten verlevendigen. Nadat de rederijkers
dit systeem in hun kunst (const van rhetoryce) verhieven tot de enige norm
waaraan een kunstwerk moest voldoen, kreeg retorica gaandeweg een
negatieve betekenis. Iemand die retorisch sprak of schreef, gebruikte
onwaarachtige, holle taal vol clichés. Als deze retoriek heel extreem was,
sprak men van bombastisch taalgebruik. Pas vanaf de tweede helft van de
twintigste eeuw kwam er eerherstel voor de term retorica. Amen stelde het
min of meer gelijk aan de term stilistiek (stijlleer) en bedoelde met retorica:
het gebruik van een maximum aan stijlmiddelen om een bepaald effect te bij
het publiek te bewerkstelligen. Als een dichter, prozaschrijver, spreker
retorisch heel goed is, gebruikt hij de mogelijkheden die de taal biedt in
optima forma en maakt daarmee invloed op of beïnvloed, overtuigt het
publiek. Terug bij de oude definitie van retorica dus, maar de ongunstige
betekenis is niet verdwenen. Afhankelijk van de context moet je als lezer van
bijvoorbeeld kritiek bepalen of de recensent het begrip retorisch positief of
negatief bedoelt.
Motto
Een stukje test dat voorafgaat aan de literaire tekst. Meestal staat het op de
bladzijde na het titelblad, soms ook boven een hoofdstuk. Vaak is het een
citaat uit een andere tekst dat van toepassing is op datgene wat daarna
verteld wordt. Betrek een motto dus altijd bij je interpretatie. Het kan je op
het spoor zetten van abstracte motieven of van het grondmotief/de hamvraag
van een tekst.
Opdracht
Een schrijver draagt zijn boek soms op aan een of meer mensen: ‘Voor Jan
Willem, mijn oudste broer’. Verwar de opdracht niet met het motto.
Perspectief / verteller / vertelsituatie:
Auctoriale verteller/vertelsituatie (hij/zij vorm, ook alwetend genoemd)
Staat buiten de verhaalde gebeurtenissen en is geen deelnemer aan het
verhaal. Hij is alwetend: iemand die alles weet, ziet en hoor. Hij kan zich
manifesteren in het verhaal dor een oordeel te geven of commentaar. Soms
relativeert of ironiseert hij bepaalde gebeurtenissen, soms vat hij iets kort
samen. We onderscheiden twee verschillende auctoriale vertellers: