1. H1: over wetenschap van de samenleving .............................................................................. 2
1.1. Standpoint Theory (Dorrothy E. Smith) .............................................................................. 2
1.2. Sociologische verbeelding ............................................................................................... 3
1.3. Sociale versus individu .................................................................................................... 3
1.4. Contingent en arbitrair ..................................................................................................... 4
1.5. Sociologische toepassingen............................................................................................. 4
1.6. Pensioenen en levensverwachting .................................................................................... 6
2. H2: de samenleving als een veld van tegengestelde krachten ................................................. 7
2.1. Individu en samenleving (actor-factor) .............................................................................. 7
3. Mogelijkheden en beperkingen ........................................................................................... 10
4. Solidariteit vs strijd ............................................................................................................ 12
5. Gelijkheid en ongelijkheid .................................................................................................. 15
H3: sociologische kijk op de maatschappij, de case ‘kapitalisme ................................................... 17
1. Klassiekers van de sociologie over kapitalime ..................................................................... 17
2. Kapitalisme en protestantse ethiek (Max Weber) ................................................................. 17
H4: sociaal handelen ................................................................................................................... 18
1. Sociaal handelen ............................................................................................................... 18
2. Netwerken en groepen ....................................................................................................... 31
H5: cultuur, instituties en institutionalisering ............................................................................... 38
1. Cultuur ............................................................................................................................. 39
2. Intstitutionalisering en desinstitutionalisering ..................................................................... 49
1
,H1: over wetenschap van de samenleving
Bouwstenen
- Sociologie
o Wetenschap die samenleven v mensen in grotere/kleinere sociale verbanden
bestudeert
- Studie v manier waarop mensen de problemen v samenleven kunnen oplossen
- 3 niveaus
o Micro: gezinnen, speelgroepen, vrienden
o Meso: vakbonden, bedrijven, kerken, verenigingen, scholen
o Macro: samenleving, verzorgingsstraat
Waarnemen is meer dan door het venster kijken
- Selectieve waarneming
- Afhankelijk van positie, kennis, voorkeur/afkeur, referentiekader
- Waardenvrijheid bestaat niet
1. Standpoint Theory (Dorrothy E. Smith)
Standpuntentheorie = alle kennis is sociaal gesitueerd, d.w.z. dat individuele posities in sociale
structuren (bv. je gender, ras, sociale klasse) je ervaringen bepalen en beïnvloeden hoe je kijkt
naar de wereld
- Kennis is geworteld in (alledaagse) ervaringen
“The outsider within”:
- Mensen met gemarginaliseerde hebben uniek standpunt
- Buitenstaandersperspectief: staan deels binnen systeem, maar ook buiten
o Stelt hen in staat om sociale structuren te zien, begrijpen op manieren die niet
toegankelijk zijn voor mensen in meer bevoorrechte posities.
o Ditbiedt kritische inzichten in werking v macht, ongelijkheid.
- Epistemologisch:
o De ‘objectieve kennis’ die door de wetenschap gepredikt wordt
o Is enkel reflectie v perspectief v/d dominante groep
- Activisme: sociologie als middel voor sociale verandering
2
,2. Sociologische verbeelding
Betekenis zoeken
- Seeing the strange in the familiar and the general in the particular, linking our behaviours
to broader social forces.
- The ability to see things socially and how things interact and influence each other.
- “Neither the life of an individual nor the history of a society can be understood without
understanding both”
Voorbeelden
- Het vreemde in het gewone: bv. zitplaats kiezen in auditorium
- Het algemene in het specifieke: bv. samen zitten in het midden van de aula
- Wie heeft ouder met diploma hoger onderwijs?
3. Sociale versus individu
Sociale structuren = dominante maatschappelijke instituties
ð Processen en mechanismen zorgen voor de
maatschappelijke orde
In 2 richtingen
- Individueel gedrag draagt bij tot maatschappelijke fenomeen
o Bv. weinig bewegen, voedingsgewoonten leiden tot obesitas epidemie,
toegenomen zorgnoden, betaalbaarheid zorg
- Maatschappelijk fenomenen beïnvloeden individueel gedrag
o Bv. kantoorleven, prijs van (ongezonde) voeding, opvoeding, cultuurverschillen
De bril van de socioloog, voorbeelden
- Eten en drinken is soicaal/cultureel bepaald
o Gebeurt niet overal op dezelfde wijze
o Hulpmiddelen
o Tijdstip
o Soort maaltijd
o Migratie: pasta raakte pas bekend door Italiaanse migratie
- Sport
o Golf is niet helemaal een democratische sport wordt heel erg gevolgd door
bepaald segment (hoger)
o Boxen: sociaal bepaald, migratieachtergrond?
o Hockey: inclusief?
- Lifestyle en lijfstijl
o Heel erg bezig van hoe we overkomen bij andere, we willen bij groep horen
- Liefde en romantiek
o Zelfs verliefheid wordt sociaal gestuurd
3
, 4. Contingent en arbitrair
“Alles is contingent, maar daarom nog niet arbitrair”
Alles is contingent
- Contingent = het had ook anders kunnen zijn
- Ze hangt af van
o Tijd
o Plaats
o Cultuur
o Omstandigheden
- Bv.
o Studiekeuze had anders kunnen zijn
o Werkregels verschillen per land
o Sociale normen veranderen doorheen samenleving
- Conclusie: niets in samenleving is “voor altijd vastgelegd”
Maar: niet alles is arbitrair
- Arbitrair = willekeurig of zonder reden
- Ook al had iets anders kunnen zijn, dat betekent niet dat het zonder reden is
- Sociale gebruiken (bv. werken, eten) zijn niet toevallig ontstaan
- Er bestaan goedere redenen voor hoe dingen vorm krijgen
5. Sociologische toepassingen
Zefldoding
- Emile Durkheim (1897)
o Belang van theorie, v een model
o Variaties? Hoger in België dan het EU-gemiddelde, veeleer laagopgeleiden en
(langdurig) werklozen, alleenstaanden, alleenwonenden en gescheiden
mensen…
- Durkheim onderzocht volgens welke maatschappelijke factoren de suïcide-ratio’s
systematisch varieerden:
o Variabelen: religie, burgerlijke staat, woonplaats (stad of platteland), aan- of
afwezigheid van militaire opleiding.
o Verklaring correlaties:
® Gemeenschappelijke factor sociale integratie, waarbij teveel of gebrek aan
sociale integratie tot meer zelfdodingsgedrag leidde
4