SAMENVATTING SOCIALE PSYCHOLOGIE DEEL 2
INLEIDING IN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
Wat is sociale psychologie
Sociale psychologie: wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop gedachten, gevoelens, en
gedragingen worden beïnvloed door anderen
Invloed van anderen die
Fysiek aanwezig zijn
In gedachten aanwezig zij
Geïmpliceerd zijn: normen, verwachtingen en waarden van anderen zijn geïnternaliseerd
o Bijvoorbeeld ouders die belang hechten aan studeren en daarom oplettend zijn in de les
(sociale imprint)
Twee aspecten
Interesse in resultaat: psyche
Interesse in verklaring: invloed van anderen
Bijna aan al het menselijk gedrag heeft de sociale omgeving een bijdrage
Gedrag zonder invloed van sociale omgeving beperkt tot fysiologische reacties en reflexen
MAAR zelfs hoe die fysiologische reacties en reflexen tot uiting komen, is sociaal gekleurd
Verschillende verklaringsniveaus
1. Intrapersoonlijk (persoon in context): verklaring ligt in het individu: gedachten, emoties, attitudes,
stereotypen, wat we geïnternaliseerd hebben
2. Interpersoonlijk (relaties): verklaring ligt tussen mensen: interactie tussen mensen, communicatie,
wederzijdse beïnvloeding, terugdenken aan bepaalde personen
3. Positioneel (groepen): verklaring ligt in groepspositie: iemands positie of rol binnen een groep
4. Ideologisch (cultureel): verklaring ligt in maatschappij: brede maatschappelijke normen, waarden en
ideologieën
Meer onderzoek over eerste niveau -> gemakkelijker te onderzoeken (maar anderen even belangrijk)
,Intrapersoonlijk niveau: processen binnen de persoon
Stereotypen kleuren je oordeel over een persoon
Voorbeeld: twee kandidaten, een vrouw en een man, voor een leidinggevende functie, wie zou je eerder
aannemen?
Keuze bewust of onbewust gekleurd door (reactie tegen) stereotypen over mannen en vrouwen
Stereotypen georganiseerd in twee dimensies
o Competentie
o Warmte
Mensen associëren manager/leider automatisch meer met mannen en volger automatisch meer
met vrouwen (genderbias: neiging om het ene geslacht boven het andere te verkiezen)
Genderdiscriminatie kan niet volledig verklaard worden door stereotype-mismatch alleen
o Niet symmetrisch: vrouwen vaak benadeeld in mannelijke rollen maar mannen niet altijd
even sterk benadeeld in vrouwelijke rollen
o Glass escalator: wanneer mannen werken in traditioneel vrouwelijke beroepen worden ze
vaak sneller gepromoveerd in plaats van gediscrimineerd
o Discriminatie gaat niet alleen over stereotype-mismatch maar ook over macht en status
Interpersoonlijk: sociale relaties, interacties, situaties
Als de omgeving de stereotypen relevant maakt, zullen ze meer doorwegen in je oordeel
Studie Good & Rudman (2010): seksistische opmerking in sollicitatie interview
Studenten lazen transcript van een sollicitatiegesprek
Interviewer maakte seksistische opmerking: “Op sommige momenten moet je zware producten
verplaatsen. Dat kan gevaarlijk zijn maar de jongens zullen een aardige jongedame als jij vast wel
helpen.”
Opmerking subtiel verpakt: klinkt vriendelijk maar suggereert dat vrouwen zwakker zijn
Gemeten welk beeld de studenten van de interviewer hadden en hoe competent ze de sollicitante
vonden
Resultaten
o Negatief beeld van interviewer -> beoordeelden sollicitante meer competent
o Positief beeld van interviewer -> beoordeelden sollicitante minder competent
Als studenten negatief beeld van interviewer hadden, zagen ze hem als seksistisch of
ongepast en corrigeerden ze dat in hun oordeel over de sollicitante (competenter)
Andersom als studenten positief beeld van interviewer hadden, zagen ze de
opmerking als vriendelijk en zorgzaam. Ze namen de impliciete boodschap over en
beoordeelden haar minder competent
Positioneel (sociale groepen): status van persoon, groepslidmaatschap, groepsrelaties
In een volledig mannelijke omgeving zal het stereotype van vrouw meer doorwegen (schema’s worden
gemakkelijker geactiveerd)
Bijvoorbeeld in een jonge startup zal een oudere kandidaat mogelijk minder kans maken of zelf
afhaken
Ideologisch/cultureel: rol van algemene opvattingen in ideeën, groepsrelaties, culturele betekenissen
Positie van vrouwen beter in samenlevingen met minder seksistische ideologie
Glick & Fiske (2001, 2011)
Twee vormen van seksisme (in veel onderzoek positieve correlatie tussen deze twee vormen)
Vijandig seksisme (hostile sexism): openlijk negatief en vijandig tegenover vrouwelijk geslacht
Welwillend seksisme (benevolent sexism): ogenschijnlijk positief van toon maar stereotypeert
vrouwen als zwak
,Twee maten voor de positie van vrouwen (landen met lagere index -> hogere score op seksistische ideeën)
Gender empowerment (macht): deelname van vrouwen aan economie en politiek
Gender development (ontwikkeling): gap in levensverwachting, scholing, levensstandaard
In samenlevingen met seksistische ideeën hebben vrouwen ook minder vaak een leidinggevende functie
Masser & Abrams (2004): invloed vijandig seksisme
Meten van vijandig seksisme
Deelnemers moesten cv beoordelen voor een leidinggevende functie
Bij sommige deelnemers vrouwelijke naam op cv bij anderen mannelijke naam (voor de rest was cv
identiek)
Resultaten
o Hoe hoger iemand scoorde op vijandig seksisme, hoe minder positief zij de vrouwelijke
kandidaat beoordeelden en hoe positiever zij de mannelijke kandidaat beoordeelden
Al deze niveaus van verklaring zijn waar en relevant
Reductionisme: als je probeert het hele fenomeen te verklaren vanuit één verklaringsniveau
Nog te veel aandacht enkel aan eerste niveau (gemakkelijk te bestuderen)
Methoden
Sociale Psychologie gaat over sociale invloed op gevoelens, gedachten en gedrag.
Populair na Tweede Wereldoorlog: begrijpen hoe mensen in staat konden zijn tot zo’n extreme gedragingen
Eerste fase: oorzaken nagaan (experimenteel onderzoek)
Laatste 20 jaar: brede blik: begrijpen hoe sociale gevoelens, gedachten en gedrag gekleurd zijn, niet
altijd eenduidige oorzaak, kijken binnen context (steeds meer aandacht voor ook andere methoden)
Experimenten
Voorbeeld: Worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed voelen?
OV: compliment of kritiek geven (manipuleren)
AV: hoeveel papieren rapen vrouwelijke psychologiestudenten op als een medewerker papieren laat
vallen bij het langslopen
Resultaten: compliment gekregen -> meer papieren helpen oprapen
Validiteit
Interne validiteit: komt het effect echt door de manipulatie en niet door andere factoren
o Storende variabelen controleren zoals meer hulpvaardige mensen in de ene conditie dan de
andere conditie
o Controle conditie: ligt het aan compliment of kritiek
o Manipulatiecheck: zorgt het compliment echt voor een beter gevoel
o Weerspiegelt hulpvaardigheid wel in het aantal papieren oprapen
Externe validiteit: mate waarin resultaten kunnen worden gegeneraliseerd en toegepast in andere
contexten -> belang van replicatie
Laboratorium-experimenten
Hoge interne validiteit (veel controle over de situatie)
Lage externe validiteit (niet natuurlijk)
Gevaar voor reductionisme: complex gedrag wordt snel vereenvoudigd
Kans op proefpersoon effecten (subject effects): beperking van spontaan gedrag
, o Bijvoorbeeld demand karakteristieken: onbedoelde aanwijzingen waardoor participanten
het doel van het onderzoek vermoeden en hun gedrag onbewust aanpassen aan de
verwachtingen
Veld-experimenten
Lagere interne validiteit (minder controle)
Hoge externe validiteit (meer realistisch)
Minder controle op storende factoren
Gevaar van antwoordtendensen: vertekeningen in antwoorden door sociale druk of normen
Voorbeelden
o Jeugdkamp Sherif: jongens op kamp ingedeeld in twee groepen om oorzaken en oplossingen
van groepsconflicten te bestuderen
o CILS-volgorde vragenlijsten
Children of Immigrants Longitudinal Study (CILS)
Volgorde van de vragen heeft invloed op de antwoorden
Wanneer je bij een vragenlijst of cognitieve test in het begin al je demografische
gegevens moet invullen kan dat je identiteit extra bewust maken
Priming van culturele achtergrond -> stereotype activeren
Surveys
Voorbeeld: discriminatie ervaringen van moslims in aantal Europese steden meten
Ervaring, voorlopers en gevolgen van reële situaties
Correlationeel
Discriminatie, gender en religie zijn niet zomaar te manipuleren
Grote representatieve steekproeven nodig
Controleren voor storende variabelen: andere mogelijke verklaringen statistisch meenemen
Archiefonderzoek
Onderzoek waarbij je bestaande gegevens of culturele producten analyseert in plaats van zelf nieuwe data
te verzamelen
Voorbeeld: culturele producten en gedrag: weerspiegelen of vormen kinderboeken het emotionele
repertoire
De manier waarop emoties worden afgebeeld verschilde systematisch tussen culturen
o Individualistische culturen vaker emoties die persoonlijke gevoelens en individuele expressie
tonen
o Collectivistische culturen focus vaker op relationele emoties en sociale harmonie
, Meer schaamte in kinderboeken in België dan in Verenigde Staten
Kwaadheid in Verenigde Staten geuit door de protagonist, kwaadheid in België vaak genuanceerd
door spijt achteraf
Voorbeeld: maatschappelijke ontwikkelingen en gedrag: hangt inkomensherverdeling samen met geluk
Gini Coëfficiënt: mate voor inkomensongelijkheid
o Doorheen de jaren toegenomen
Hoe meer inkomensongelijkheid mensen rapporteerden, hoe minder geluk en levensvoldoening
Negatieve effect vooral bij mensen met lage inkomens
Laat toe om de buitenste schil te bestuderen en mogelijke invloed ervan op mensen
Buitenste schil: bredere sociale en culturele context waarin mensen leven (niet enkel individuele
verschillen)
Interviews en focusgroepen
Om fenomeen, mensen hun ervaringen, betekenissen en perspectieven in de diepte te begrijpen
Voorbeeld: hoe begrijpen we de veerkracht van vluchtelingengezinnen binnen gezinsrelaties, relaties met
hulpverleners en de bredere sociale context
Spreken met 17 gezinnen en 1 tot 3 hulpverleners per gezin
Veerkracht is dynamisch
Veerkracht is geen individuele kracht alleen maar ontstaat in interactie met relaties en context
Veerkracht = actieve strategieën
o Hoop vasthouden
o Mogelijkheden benutten
Sterktes
Inhoud genereren: nieuwe inzichten ontdekken (niet vooraf vastgelegd)
Diepgang: rijke, uitgebreide antwoorden
Reële situaties: echte ervaringen in hun context
Beperkingen
Kleine steekproef -> moeilijk te veralgemenen
Invloed van onderzoeker
o Hoe vragen gesteld worden
o Hoe antwoorden geïnterpreteerd worden
,Observatiestudies
Onderzoek waarbij je gedrag rechtstreeks observeert
Voorbeeld: koppelinteracties
Observeren hoe koppels met elkaar omgaan
o Welke interacties voorspellen relatietevredenheid?
o Hoe ziet een goede relatie eruit?
Sterktes
Je meet echt gedrag
Minder kans op sociaal wenselijke antwoorden
Geeft inzicht in dynamische interacties
Beperkingen
Vaak kleine steekproef (veel tijd en middelen nodig)
Coderen is complex (systematisch analyseren van gedrag
(Participatief) actieonderzoek
Onderzoek waarbij de onderzoekers samen met de betrokken doelgroep het onderzoek uitvoeren
Voorbeeld: welke factoren dragen bij aan (de)radicaliseren
Onderzoekers werkten samen met Brusselse jongeren en jeugdwerkers
Organiseerden gesprekken en activiteiten om samen inzicht te ontwikkelen
Sterktes
Gelijkwaardigheid en wederkerigheid
o Kennis van deelnemers wordt erkend
o Minder epistemische onrechtvaardigheid: waarbij bepaalde groepen niet serieus worden
genomen als kennisbron
Focus op sociale verandering
o Doel niet alleen begrijpen maar ook verbetering in de praktijk $
Beperkingen
Minder neutraliteit
Geen controlegroep (minder experimentele controle)
Complex en tijdsintensief
Meta-analyse
Statistische onderzoekmethode die de kwantitatieve resultaten van meerdere onafhankelijke studies over
één onderwerp combineert om een overkoepelende conclusie te trekken
Voorbeeld: hoe worden feministen stereotiep beoordeeld (Orly Bareket & Susan Fiske, 2003)
Meer dan 650 studies over vijandig en welwillend seksisme
Vijandig seksisme heeft vaak te maken met jaloerse en verwijtende vooroordelen, meestal directe
vormen van discriminatie, negatieve stereotypen
Welwillend seksisme hangt meer samen met paternalistische vooroordelen (traditionele rollen),
vormen van discriminatie meestal indirect, stereotypen niet per se negatief, zijn zelfs positief op
warmte dimensie
, Welke methode kiezen
Elk sterktes en beperkingen
Keuze afhankelijk van onderzoeksvragen
Bewust zijn van wat wel en niet te concluderen valt
Combinatie van verschillende methoden om beperkingen op te vangen
Ethische aspecten van onderzoek
Dataverzameling
Vermijden van misleiding van deelnemers (soms nodig)
Informed consent (soms opnieuw na misleiding)
Debriefing: na onderzoek uitleggen wat het echte doel was en waarom er eventueel misleiding was
Onderzoeksopzet verantwoorden
Aandacht voor welzijn: indien nodig doorverwijzen naar hulp, contactgegevens geven voor
ondersteuning
Data rapporteren
Onderzoeksfraude: data uitvinden, veranderen
Fout weergeven van procedures, resultaten
Aandacht voor epistemische ongelijkheid: ongelijkheid in wie als geloofwaardige kennisbron wordt
gezien
Aandacht voor auteurschap: iedereen die inhoudelijk bijdroeg moet correct worden erkend en op
de publicatie vermeld worden
,HOOFDSTUK 2: SOCIALE COGNITIE EN SOCIAAL DENKEN
Dimensies van beoordeling
Hoe vormen we ons een mening over anderen?
Sociaal psycholoog Solomon Asch: onderzoek naar persoonsindrukken (1946)
Proefpersonen kregen lijst met persoonskenmerken van een fictieve persoon
Manipulatie: warm/koud of beleefd/bot
Deelnemers moesten beoordelen hoe ze die persoon inschatten en welke andere eigenschappen ze
die persoon toeschreven
Resultaat: warmte (warm versus koud) had een veel grotere invloed op de beoordeling
Implicatie: mensen vormen een totaalbeeld (gestalt) van anderen
o Bepaalde kenmerken zijn belangrijker voor het vormen van het totaalbeeld: centrale
kenmerken
Universal dimensions of social cognition: Warmth and competence (Fiske, Cuddy & Glick, 2007)
Deelnemers kregen paren van adjectieven en moesten beoordelen in welke mate die
eigenschappen bij elkaar horen
Resultaat: eigenschappen groepeerden zich rond twee dimensies
o Sociale dimensie: good social - bad social
o Intellectuele dimensie: good-intellectual - bad-intellectual
Conclusie: mensen beoordelen personen vooral op twee dimensies: warmte en competentie
Beoordeling van groepen door psychologiestudenten (Meeusen et al., 2012)
Onderzocht hoe psychologiestudenten groepen beoordelen op deze dimensies
Resultaten
o Economiestudenten: lager op warmte, hoger op competentie
o Geneeskundestudenten: hoog op warmte en hoog op competentie
o Pedagogiestudenten: hoog op warmte maar lager op compentie
o Psychologiestudenten: redelijk hoog voor beide dimensies
Veel groepen worden ambivalent beoordeeld: hoog op één dimensie maar laag op de andere
Model over beoordeling van groepen (Vincent Yzerbyt et al., 2025)
Idee: fundamentele dimensies
Bouwen voort op de zogenaamde Big Two
o Horizontale dimensie (warmte)
Nog verder opgesplitst in moraliteit en vriendelijkheid
o Verticale dimensie (competentie)
Nog verder opgesplitst in vaardigheid en assertiviteit
,Het vormen van een mening over anderen
Cruciaal voor overleving: vriend of vijand
o Eerst beoordelen van intenties (warmte: betrouwbaar of niet)
o Daarna beoordelen van het vermogen om die intenties uit te voeren (competentie)
Warmte of competentie primair?
Warmte of competentie primair? (Ybarra, Emily Chan, & Park., 2001)
Lexicale beslissingstaak: woorden zien en aangeven of het echte woorden zijn
Woorden hoorden bij twee soorten info over personen
o Warmte (bijvoorbeeld eerlijk, gemeen)
o Competentie (bijvoorbeeld slim, onbekwaam)
Resultaten: mensen reageerden sneller op negatieve warmte informatie (zeggen iets over slechte
intenties van mensen)
Implicatie: mensen met trauma zijn hier nog gevoeliger voor; nadeel: soms merken zij dit ook op als
dat niet aan de orde is
Warmte of competentie primair? (Aquino et al., 2025)
Deel 1: deelnemers zagen gezichten waarbij onderzoekers warmte (communion) en competentie
(agency) systematisch verhoogden of verlaagden -> deelnemers moesten persoon beoordelen op
deze twee dimensies
Deel 2: gezichten werder gecombineerd in vier types (hoog-laag versus warm-competent)
Deelnemers beoordeelden drie vragen op een schaal van 1-7:
o Hoe aangenaam is deze persoon
o Hoe aantrekkelijk is het om deze persoon te zijn?
o Hoe goed/slecht is deze persoon
Resultaten:
o Hoofdeffect van warmte: hoge warmte wordt positiever beoordeeld (hogere favourability):
dit effect is sterker dan competentie
o Interactie-effect warmte x competentie: competentie maakt alleen verschil wanneer warmte
hoog is (zonder warmte blijft evaluatie negatief, ongeacht de competentie)
Implicatie: warmte is de belangrijkste dimensie voor eerste indrukken
Belang van perspectief
Hoe beoordelen mensen nationale en etnische groepen op moraliteit en competentie (Phalet & Poppe,
1997)
Studie in zes Oost-Europese landen
Deelnemers moesten twee dingen beoordelen
o Stereotypen
Hoe moreel/competent is de eigen groep (in-group-
, Hoe moreel/competent zijn de andere groepen (out-groups)
o Wenselijkheid (belang van eigenschappen)
Hoe goed is het als leden van de in-group moreel/competent zijn
Hoe goed is het als leden van de out-groups moreel/competent zijn
Resultaten
o Voor eigen groep: competentie belangrijker
o Voor andere groepen warmte belangrijker
o Slechte intenties out-groups en gebrek aan competentie bij in-group worden zwaarder
afgestraft
Implicatie: perspectief (wie oordeelt) speelt een cruciale rol
Belang van context
Maakt context uit voor wat we belangrijk vinden? (Fousiani, Van Prooijen & Armenta, 2022)
Deelnemers moesten kandidaten evalueren voor een specifieke job
Twee jobs:
o Vacature 1: winstgericht (nadruk op competentie)
o Vacature 2: welzijnsgericht (nadruk op warmte)
Resultaten
o In de winstgerichte context: kandidaten die competent lijken worden beter beoordeeld
o In de welzijnsgerichte context: kandidaten die warm lijken worden beter beoordeeld
Implicatie: context bepaalt welke dimensie van beoordeling het belangrijkst is
Andere factoren die van invloed zijn op het vormen van een mening over anderen
Primacy effect: informatie die je eerst krijgt heeft grotere invloed
o Eerste indruk stuurt hoe je latere info interpreteert
o Voorbeeld: Nalini Ambady & Robert Rosenthal (1993)
Studenten zagen korte videofragmenten van een docent
Hun eerste oordeel voorspelde hoe ze die docent na een heel semester
beoordeelden
Positiviteit/negativiteit van informatie: negatieve informatie heeft meer invloed
o Asymmetrie: één negatieve eigenschap kan een positief beeld sterk onderuit halen
o Deze negativiteitsbias is sterker voor warmte dan voor competentie: negatieve info over
competentie heeft een minder grote impact dan negatieve info over warmte
INLEIDING IN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
Wat is sociale psychologie
Sociale psychologie: wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop gedachten, gevoelens, en
gedragingen worden beïnvloed door anderen
Invloed van anderen die
Fysiek aanwezig zijn
In gedachten aanwezig zij
Geïmpliceerd zijn: normen, verwachtingen en waarden van anderen zijn geïnternaliseerd
o Bijvoorbeeld ouders die belang hechten aan studeren en daarom oplettend zijn in de les
(sociale imprint)
Twee aspecten
Interesse in resultaat: psyche
Interesse in verklaring: invloed van anderen
Bijna aan al het menselijk gedrag heeft de sociale omgeving een bijdrage
Gedrag zonder invloed van sociale omgeving beperkt tot fysiologische reacties en reflexen
MAAR zelfs hoe die fysiologische reacties en reflexen tot uiting komen, is sociaal gekleurd
Verschillende verklaringsniveaus
1. Intrapersoonlijk (persoon in context): verklaring ligt in het individu: gedachten, emoties, attitudes,
stereotypen, wat we geïnternaliseerd hebben
2. Interpersoonlijk (relaties): verklaring ligt tussen mensen: interactie tussen mensen, communicatie,
wederzijdse beïnvloeding, terugdenken aan bepaalde personen
3. Positioneel (groepen): verklaring ligt in groepspositie: iemands positie of rol binnen een groep
4. Ideologisch (cultureel): verklaring ligt in maatschappij: brede maatschappelijke normen, waarden en
ideologieën
Meer onderzoek over eerste niveau -> gemakkelijker te onderzoeken (maar anderen even belangrijk)
,Intrapersoonlijk niveau: processen binnen de persoon
Stereotypen kleuren je oordeel over een persoon
Voorbeeld: twee kandidaten, een vrouw en een man, voor een leidinggevende functie, wie zou je eerder
aannemen?
Keuze bewust of onbewust gekleurd door (reactie tegen) stereotypen over mannen en vrouwen
Stereotypen georganiseerd in twee dimensies
o Competentie
o Warmte
Mensen associëren manager/leider automatisch meer met mannen en volger automatisch meer
met vrouwen (genderbias: neiging om het ene geslacht boven het andere te verkiezen)
Genderdiscriminatie kan niet volledig verklaard worden door stereotype-mismatch alleen
o Niet symmetrisch: vrouwen vaak benadeeld in mannelijke rollen maar mannen niet altijd
even sterk benadeeld in vrouwelijke rollen
o Glass escalator: wanneer mannen werken in traditioneel vrouwelijke beroepen worden ze
vaak sneller gepromoveerd in plaats van gediscrimineerd
o Discriminatie gaat niet alleen over stereotype-mismatch maar ook over macht en status
Interpersoonlijk: sociale relaties, interacties, situaties
Als de omgeving de stereotypen relevant maakt, zullen ze meer doorwegen in je oordeel
Studie Good & Rudman (2010): seksistische opmerking in sollicitatie interview
Studenten lazen transcript van een sollicitatiegesprek
Interviewer maakte seksistische opmerking: “Op sommige momenten moet je zware producten
verplaatsen. Dat kan gevaarlijk zijn maar de jongens zullen een aardige jongedame als jij vast wel
helpen.”
Opmerking subtiel verpakt: klinkt vriendelijk maar suggereert dat vrouwen zwakker zijn
Gemeten welk beeld de studenten van de interviewer hadden en hoe competent ze de sollicitante
vonden
Resultaten
o Negatief beeld van interviewer -> beoordeelden sollicitante meer competent
o Positief beeld van interviewer -> beoordeelden sollicitante minder competent
Als studenten negatief beeld van interviewer hadden, zagen ze hem als seksistisch of
ongepast en corrigeerden ze dat in hun oordeel over de sollicitante (competenter)
Andersom als studenten positief beeld van interviewer hadden, zagen ze de
opmerking als vriendelijk en zorgzaam. Ze namen de impliciete boodschap over en
beoordeelden haar minder competent
Positioneel (sociale groepen): status van persoon, groepslidmaatschap, groepsrelaties
In een volledig mannelijke omgeving zal het stereotype van vrouw meer doorwegen (schema’s worden
gemakkelijker geactiveerd)
Bijvoorbeeld in een jonge startup zal een oudere kandidaat mogelijk minder kans maken of zelf
afhaken
Ideologisch/cultureel: rol van algemene opvattingen in ideeën, groepsrelaties, culturele betekenissen
Positie van vrouwen beter in samenlevingen met minder seksistische ideologie
Glick & Fiske (2001, 2011)
Twee vormen van seksisme (in veel onderzoek positieve correlatie tussen deze twee vormen)
Vijandig seksisme (hostile sexism): openlijk negatief en vijandig tegenover vrouwelijk geslacht
Welwillend seksisme (benevolent sexism): ogenschijnlijk positief van toon maar stereotypeert
vrouwen als zwak
,Twee maten voor de positie van vrouwen (landen met lagere index -> hogere score op seksistische ideeën)
Gender empowerment (macht): deelname van vrouwen aan economie en politiek
Gender development (ontwikkeling): gap in levensverwachting, scholing, levensstandaard
In samenlevingen met seksistische ideeën hebben vrouwen ook minder vaak een leidinggevende functie
Masser & Abrams (2004): invloed vijandig seksisme
Meten van vijandig seksisme
Deelnemers moesten cv beoordelen voor een leidinggevende functie
Bij sommige deelnemers vrouwelijke naam op cv bij anderen mannelijke naam (voor de rest was cv
identiek)
Resultaten
o Hoe hoger iemand scoorde op vijandig seksisme, hoe minder positief zij de vrouwelijke
kandidaat beoordeelden en hoe positiever zij de mannelijke kandidaat beoordeelden
Al deze niveaus van verklaring zijn waar en relevant
Reductionisme: als je probeert het hele fenomeen te verklaren vanuit één verklaringsniveau
Nog te veel aandacht enkel aan eerste niveau (gemakkelijk te bestuderen)
Methoden
Sociale Psychologie gaat over sociale invloed op gevoelens, gedachten en gedrag.
Populair na Tweede Wereldoorlog: begrijpen hoe mensen in staat konden zijn tot zo’n extreme gedragingen
Eerste fase: oorzaken nagaan (experimenteel onderzoek)
Laatste 20 jaar: brede blik: begrijpen hoe sociale gevoelens, gedachten en gedrag gekleurd zijn, niet
altijd eenduidige oorzaak, kijken binnen context (steeds meer aandacht voor ook andere methoden)
Experimenten
Voorbeeld: Worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed voelen?
OV: compliment of kritiek geven (manipuleren)
AV: hoeveel papieren rapen vrouwelijke psychologiestudenten op als een medewerker papieren laat
vallen bij het langslopen
Resultaten: compliment gekregen -> meer papieren helpen oprapen
Validiteit
Interne validiteit: komt het effect echt door de manipulatie en niet door andere factoren
o Storende variabelen controleren zoals meer hulpvaardige mensen in de ene conditie dan de
andere conditie
o Controle conditie: ligt het aan compliment of kritiek
o Manipulatiecheck: zorgt het compliment echt voor een beter gevoel
o Weerspiegelt hulpvaardigheid wel in het aantal papieren oprapen
Externe validiteit: mate waarin resultaten kunnen worden gegeneraliseerd en toegepast in andere
contexten -> belang van replicatie
Laboratorium-experimenten
Hoge interne validiteit (veel controle over de situatie)
Lage externe validiteit (niet natuurlijk)
Gevaar voor reductionisme: complex gedrag wordt snel vereenvoudigd
Kans op proefpersoon effecten (subject effects): beperking van spontaan gedrag
, o Bijvoorbeeld demand karakteristieken: onbedoelde aanwijzingen waardoor participanten
het doel van het onderzoek vermoeden en hun gedrag onbewust aanpassen aan de
verwachtingen
Veld-experimenten
Lagere interne validiteit (minder controle)
Hoge externe validiteit (meer realistisch)
Minder controle op storende factoren
Gevaar van antwoordtendensen: vertekeningen in antwoorden door sociale druk of normen
Voorbeelden
o Jeugdkamp Sherif: jongens op kamp ingedeeld in twee groepen om oorzaken en oplossingen
van groepsconflicten te bestuderen
o CILS-volgorde vragenlijsten
Children of Immigrants Longitudinal Study (CILS)
Volgorde van de vragen heeft invloed op de antwoorden
Wanneer je bij een vragenlijst of cognitieve test in het begin al je demografische
gegevens moet invullen kan dat je identiteit extra bewust maken
Priming van culturele achtergrond -> stereotype activeren
Surveys
Voorbeeld: discriminatie ervaringen van moslims in aantal Europese steden meten
Ervaring, voorlopers en gevolgen van reële situaties
Correlationeel
Discriminatie, gender en religie zijn niet zomaar te manipuleren
Grote representatieve steekproeven nodig
Controleren voor storende variabelen: andere mogelijke verklaringen statistisch meenemen
Archiefonderzoek
Onderzoek waarbij je bestaande gegevens of culturele producten analyseert in plaats van zelf nieuwe data
te verzamelen
Voorbeeld: culturele producten en gedrag: weerspiegelen of vormen kinderboeken het emotionele
repertoire
De manier waarop emoties worden afgebeeld verschilde systematisch tussen culturen
o Individualistische culturen vaker emoties die persoonlijke gevoelens en individuele expressie
tonen
o Collectivistische culturen focus vaker op relationele emoties en sociale harmonie
, Meer schaamte in kinderboeken in België dan in Verenigde Staten
Kwaadheid in Verenigde Staten geuit door de protagonist, kwaadheid in België vaak genuanceerd
door spijt achteraf
Voorbeeld: maatschappelijke ontwikkelingen en gedrag: hangt inkomensherverdeling samen met geluk
Gini Coëfficiënt: mate voor inkomensongelijkheid
o Doorheen de jaren toegenomen
Hoe meer inkomensongelijkheid mensen rapporteerden, hoe minder geluk en levensvoldoening
Negatieve effect vooral bij mensen met lage inkomens
Laat toe om de buitenste schil te bestuderen en mogelijke invloed ervan op mensen
Buitenste schil: bredere sociale en culturele context waarin mensen leven (niet enkel individuele
verschillen)
Interviews en focusgroepen
Om fenomeen, mensen hun ervaringen, betekenissen en perspectieven in de diepte te begrijpen
Voorbeeld: hoe begrijpen we de veerkracht van vluchtelingengezinnen binnen gezinsrelaties, relaties met
hulpverleners en de bredere sociale context
Spreken met 17 gezinnen en 1 tot 3 hulpverleners per gezin
Veerkracht is dynamisch
Veerkracht is geen individuele kracht alleen maar ontstaat in interactie met relaties en context
Veerkracht = actieve strategieën
o Hoop vasthouden
o Mogelijkheden benutten
Sterktes
Inhoud genereren: nieuwe inzichten ontdekken (niet vooraf vastgelegd)
Diepgang: rijke, uitgebreide antwoorden
Reële situaties: echte ervaringen in hun context
Beperkingen
Kleine steekproef -> moeilijk te veralgemenen
Invloed van onderzoeker
o Hoe vragen gesteld worden
o Hoe antwoorden geïnterpreteerd worden
,Observatiestudies
Onderzoek waarbij je gedrag rechtstreeks observeert
Voorbeeld: koppelinteracties
Observeren hoe koppels met elkaar omgaan
o Welke interacties voorspellen relatietevredenheid?
o Hoe ziet een goede relatie eruit?
Sterktes
Je meet echt gedrag
Minder kans op sociaal wenselijke antwoorden
Geeft inzicht in dynamische interacties
Beperkingen
Vaak kleine steekproef (veel tijd en middelen nodig)
Coderen is complex (systematisch analyseren van gedrag
(Participatief) actieonderzoek
Onderzoek waarbij de onderzoekers samen met de betrokken doelgroep het onderzoek uitvoeren
Voorbeeld: welke factoren dragen bij aan (de)radicaliseren
Onderzoekers werkten samen met Brusselse jongeren en jeugdwerkers
Organiseerden gesprekken en activiteiten om samen inzicht te ontwikkelen
Sterktes
Gelijkwaardigheid en wederkerigheid
o Kennis van deelnemers wordt erkend
o Minder epistemische onrechtvaardigheid: waarbij bepaalde groepen niet serieus worden
genomen als kennisbron
Focus op sociale verandering
o Doel niet alleen begrijpen maar ook verbetering in de praktijk $
Beperkingen
Minder neutraliteit
Geen controlegroep (minder experimentele controle)
Complex en tijdsintensief
Meta-analyse
Statistische onderzoekmethode die de kwantitatieve resultaten van meerdere onafhankelijke studies over
één onderwerp combineert om een overkoepelende conclusie te trekken
Voorbeeld: hoe worden feministen stereotiep beoordeeld (Orly Bareket & Susan Fiske, 2003)
Meer dan 650 studies over vijandig en welwillend seksisme
Vijandig seksisme heeft vaak te maken met jaloerse en verwijtende vooroordelen, meestal directe
vormen van discriminatie, negatieve stereotypen
Welwillend seksisme hangt meer samen met paternalistische vooroordelen (traditionele rollen),
vormen van discriminatie meestal indirect, stereotypen niet per se negatief, zijn zelfs positief op
warmte dimensie
, Welke methode kiezen
Elk sterktes en beperkingen
Keuze afhankelijk van onderzoeksvragen
Bewust zijn van wat wel en niet te concluderen valt
Combinatie van verschillende methoden om beperkingen op te vangen
Ethische aspecten van onderzoek
Dataverzameling
Vermijden van misleiding van deelnemers (soms nodig)
Informed consent (soms opnieuw na misleiding)
Debriefing: na onderzoek uitleggen wat het echte doel was en waarom er eventueel misleiding was
Onderzoeksopzet verantwoorden
Aandacht voor welzijn: indien nodig doorverwijzen naar hulp, contactgegevens geven voor
ondersteuning
Data rapporteren
Onderzoeksfraude: data uitvinden, veranderen
Fout weergeven van procedures, resultaten
Aandacht voor epistemische ongelijkheid: ongelijkheid in wie als geloofwaardige kennisbron wordt
gezien
Aandacht voor auteurschap: iedereen die inhoudelijk bijdroeg moet correct worden erkend en op
de publicatie vermeld worden
,HOOFDSTUK 2: SOCIALE COGNITIE EN SOCIAAL DENKEN
Dimensies van beoordeling
Hoe vormen we ons een mening over anderen?
Sociaal psycholoog Solomon Asch: onderzoek naar persoonsindrukken (1946)
Proefpersonen kregen lijst met persoonskenmerken van een fictieve persoon
Manipulatie: warm/koud of beleefd/bot
Deelnemers moesten beoordelen hoe ze die persoon inschatten en welke andere eigenschappen ze
die persoon toeschreven
Resultaat: warmte (warm versus koud) had een veel grotere invloed op de beoordeling
Implicatie: mensen vormen een totaalbeeld (gestalt) van anderen
o Bepaalde kenmerken zijn belangrijker voor het vormen van het totaalbeeld: centrale
kenmerken
Universal dimensions of social cognition: Warmth and competence (Fiske, Cuddy & Glick, 2007)
Deelnemers kregen paren van adjectieven en moesten beoordelen in welke mate die
eigenschappen bij elkaar horen
Resultaat: eigenschappen groepeerden zich rond twee dimensies
o Sociale dimensie: good social - bad social
o Intellectuele dimensie: good-intellectual - bad-intellectual
Conclusie: mensen beoordelen personen vooral op twee dimensies: warmte en competentie
Beoordeling van groepen door psychologiestudenten (Meeusen et al., 2012)
Onderzocht hoe psychologiestudenten groepen beoordelen op deze dimensies
Resultaten
o Economiestudenten: lager op warmte, hoger op competentie
o Geneeskundestudenten: hoog op warmte en hoog op competentie
o Pedagogiestudenten: hoog op warmte maar lager op compentie
o Psychologiestudenten: redelijk hoog voor beide dimensies
Veel groepen worden ambivalent beoordeeld: hoog op één dimensie maar laag op de andere
Model over beoordeling van groepen (Vincent Yzerbyt et al., 2025)
Idee: fundamentele dimensies
Bouwen voort op de zogenaamde Big Two
o Horizontale dimensie (warmte)
Nog verder opgesplitst in moraliteit en vriendelijkheid
o Verticale dimensie (competentie)
Nog verder opgesplitst in vaardigheid en assertiviteit
,Het vormen van een mening over anderen
Cruciaal voor overleving: vriend of vijand
o Eerst beoordelen van intenties (warmte: betrouwbaar of niet)
o Daarna beoordelen van het vermogen om die intenties uit te voeren (competentie)
Warmte of competentie primair?
Warmte of competentie primair? (Ybarra, Emily Chan, & Park., 2001)
Lexicale beslissingstaak: woorden zien en aangeven of het echte woorden zijn
Woorden hoorden bij twee soorten info over personen
o Warmte (bijvoorbeeld eerlijk, gemeen)
o Competentie (bijvoorbeeld slim, onbekwaam)
Resultaten: mensen reageerden sneller op negatieve warmte informatie (zeggen iets over slechte
intenties van mensen)
Implicatie: mensen met trauma zijn hier nog gevoeliger voor; nadeel: soms merken zij dit ook op als
dat niet aan de orde is
Warmte of competentie primair? (Aquino et al., 2025)
Deel 1: deelnemers zagen gezichten waarbij onderzoekers warmte (communion) en competentie
(agency) systematisch verhoogden of verlaagden -> deelnemers moesten persoon beoordelen op
deze twee dimensies
Deel 2: gezichten werder gecombineerd in vier types (hoog-laag versus warm-competent)
Deelnemers beoordeelden drie vragen op een schaal van 1-7:
o Hoe aangenaam is deze persoon
o Hoe aantrekkelijk is het om deze persoon te zijn?
o Hoe goed/slecht is deze persoon
Resultaten:
o Hoofdeffect van warmte: hoge warmte wordt positiever beoordeeld (hogere favourability):
dit effect is sterker dan competentie
o Interactie-effect warmte x competentie: competentie maakt alleen verschil wanneer warmte
hoog is (zonder warmte blijft evaluatie negatief, ongeacht de competentie)
Implicatie: warmte is de belangrijkste dimensie voor eerste indrukken
Belang van perspectief
Hoe beoordelen mensen nationale en etnische groepen op moraliteit en competentie (Phalet & Poppe,
1997)
Studie in zes Oost-Europese landen
Deelnemers moesten twee dingen beoordelen
o Stereotypen
Hoe moreel/competent is de eigen groep (in-group-
, Hoe moreel/competent zijn de andere groepen (out-groups)
o Wenselijkheid (belang van eigenschappen)
Hoe goed is het als leden van de in-group moreel/competent zijn
Hoe goed is het als leden van de out-groups moreel/competent zijn
Resultaten
o Voor eigen groep: competentie belangrijker
o Voor andere groepen warmte belangrijker
o Slechte intenties out-groups en gebrek aan competentie bij in-group worden zwaarder
afgestraft
Implicatie: perspectief (wie oordeelt) speelt een cruciale rol
Belang van context
Maakt context uit voor wat we belangrijk vinden? (Fousiani, Van Prooijen & Armenta, 2022)
Deelnemers moesten kandidaten evalueren voor een specifieke job
Twee jobs:
o Vacature 1: winstgericht (nadruk op competentie)
o Vacature 2: welzijnsgericht (nadruk op warmte)
Resultaten
o In de winstgerichte context: kandidaten die competent lijken worden beter beoordeeld
o In de welzijnsgerichte context: kandidaten die warm lijken worden beter beoordeeld
Implicatie: context bepaalt welke dimensie van beoordeling het belangrijkst is
Andere factoren die van invloed zijn op het vormen van een mening over anderen
Primacy effect: informatie die je eerst krijgt heeft grotere invloed
o Eerste indruk stuurt hoe je latere info interpreteert
o Voorbeeld: Nalini Ambady & Robert Rosenthal (1993)
Studenten zagen korte videofragmenten van een docent
Hun eerste oordeel voorspelde hoe ze die docent na een heel semester
beoordeelden
Positiviteit/negativiteit van informatie: negatieve informatie heeft meer invloed
o Asymmetrie: één negatieve eigenschap kan een positief beeld sterk onderuit halen
o Deze negativiteitsbias is sterker voor warmte dan voor competentie: negatieve info over
competentie heeft een minder grote impact dan negatieve info over warmte