Samenvatting SP
Introductie:
1. In een groep kan men een persoon beïnvloeden/overtuigen
2. Groepsnormen:
- Druk van de groep = conformeren aan de groepsnormen.
- Gehoorzaamheid.
3. Prosociaal gedrag (= factoren die wel of niet bepalen of men anderen helpen):
- Hulpvaardig gedrag.
- Hulp bieden aan anderen onder de invloed van anderen.
Culturele aspecten kunnen een invloed hebben over de acties van bijstaanders.
4. Interpersoonlijk processen:
- Anders functioneren wanneer anderen aanwezig zijn.
5. Sociale waarneming/perceptie:
- Hoe kijkt men neer naar de anderen en hoe presenteren we ons.
- Eerste indruk → vormt een groot beeld ten opzichte van anderen toe van wie je bent.
6. Groepsperceptie:
- Hoe kijkt men vanuit een groep naar een andere groep toe.
- Hoe categoriseren wij mensen?
- “Wij en zij”.
- Voordelen en discriminatie.
5 & 6 zijn sterk gecorreleerd.
7. Attitudes:
- Een attitude kan het verdere gedrag voorspellen en/of beïnvloeden.
- Houding: positief of negatief?
- Stemt mijn gedrag altijd mooi overeen met mijn attitude.
- Positieve en negatieve stereotypen.
1. Kennismaking met de Sociale Psychologie:
De mens is een kuddedier.
Sociale deprivatie = het wegnemen van sociale prikkels.
(Dit werd getoetst door Roemenen. Weeskinderen werden voor een helft geadopteerd door families
en dus bijgevolg opgevoed. Het andere gedeelte moest in het weeshuis blijven en er wed er weinig
mee gecommuniceerd. Dit resulteerde in een slechtere evolutie van het brein van de kinderen die i n
het weeshuis bleven. Dit omwille van een gebrek aan sociaal contact.)
Sociale paradox = we hebben nood aan sociale prikkels, maar we durven vreemden niet zomaar te
benaderen.
1
,Invloed: kernwoord in het Sociale Psychologie. We worden door anderen beïnvloedt; rechtstreeks
en/of onrechtstreeks.
1.1 Studieobject van de Sociale Psychologie:
1.1.1 Gebiedsomschrijving:
“Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten, gevoelens
en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde
aanwezigheid van anderen mensen.” - Allport -
Een wetenschappelijke studie:
1. Intuïtieve of alledaagse kennis. (Casussen uit eigen leven)
2. Empirische cyclus. (Exact onderzoek/ geen tegenstrijd)
- Onafhankelijke variabele: (diegene die gemanipuleerd wordt) diegene waarvan verwacht
wordt dat hij invloed heeft op de afhankelijke variabele.
- Afhankelijke variabele: die variabele die afhankelijk is van de onafhankelijke variabele; het
gedrag dat gemeten wordt.
EXAMENVRAAG:
Een studie vergeleek het angstniveau van twee groepen van vrouwen. De vrouwen werden random
(willekeurig) toegewezen aan twee groepen. De ene groep zag een film over de gevaren van
slangenbeten, de andere groep een film die niets met slangen te maken had. De onafhankelijke(n)
variabele(n) in dit experiment is (zijn):
A: Het angstniveau in beide groepen.
B: Zowel of ze de film zagen als hun angstniveau.
C: Het soort van filmen dat vrouwen te zien kregen.
D: De vrouwen.
Motivatie antwoord: Afhankelijk van het soort van film dat ze zien gaan we ervan uit dat de
proefpersoon een verschillende reactie vertoont.
2
,“De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen:
1. In hoe we voelen: A.
2. In hoe we (over onszelf) denken: C.
3. In hoe we ons gedragen: B.
“Beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van
anderen.”:
- Fysiek/feitelijke (aanwezig).
- Voorgesteld:
- Bv: Kledij fuif → vragen hoe vrienden zich gaan kleden.
- Impliciet/ onrechtstreeks:
- Bv: Reclame → Dit zorgt ervoor dat je het misschien de volgende keer zal kopen of ernaar
zal kijken.
“We worden niet vooral beïnvloed door wat anderen werkelijk denken. We worden vooral beïnvloed
door wat wij denken dat anderen denken.”
Enkele aanvullingen:
1. Beïnvloed worden en ook beïnvloeden.
Sociale besmetting: Een gedrag stellen waardoor andere mensen dit ook doen. Vb: Krabben,
lachen, ...
2. Niet altijd bewuste of intentionele invloed.
Bv: oversteken bij rood licht als eerste, mensen volgen, ...
3. Heel breed terrein: Alles is Sociale Psychologie! Maar met een specifieke invalshoek!
1.1.2 De eigen invalshoek van de Sociale Psychologie:
- Snijpunt tussen sociologie en psychologie.
- Toch een eigen plek.
Onderscheid met de sociologie:
- Maatschappelijke kenmerken of groepskenmerken (Sociologie).
- Aandacht voor het individu (Sociale Psychologie).
- Aandacht voor het individu én zijn onmiddellijke omgeving (Sociale Psychologie).
Eigen plaats binnen de Psychologie:
- De Psychologie: dispositionisten (= eigenschap als verklaring).
3
, - De Sociale Psychologie: situationisten (= verklaring in de context).
- Interactionisten? (= de twee zijn waarschijnlijk van invloed).
“The situation does not absolve personal responsibility”
1.2 Enkele belangrijke evoluties:
1.2.1 Kenmerken bij het ontstaan:
Een sterke experimentele traditie:
- Gebruik van experimenten.
- Bijgevolg experimentele methodes.
- Hieruit aantonen welke factoren invloed hebben op de onderzochte fenomenen.
Nieuwe band tussen theorie en praktijk:
- Na WO II belangrijke stroomversnelling in de ontwikkeling van de Sociale Psychologie.
- De WO II zorgde voor bepaalde gezondheidsproblemen waardoor de Sociale Psychologie zich
uitbreidde.
- Lewin: Veldtheorie: gedrag van mensen is afhankelijk van hun persoonlijkheid of karakter en
de omgeving of de situatie waarin ze zich bevinden.
- De verwevenheid tussen theorie en praktijk is belangrijk.
- Het ontstaan van theorieën is meestal toevallige gebeurtenissen; of als antwoord op
maatschappelijke problemen die dringend naar een oplossing zoeken.
1.2.2 Latere aandachtspunten:
- Toenemende gevoeligheid voor bepaalde tekorten en eenzijdigheden uit het verleden,
waardoor nieuwe impulsen zich aandienden.
Ethische aandachtspunten:
- Kritiek: blootstelling aan ethische betwistbare behandelingen.
- Resulteerde in de deontologische code die internationaal is.
Culturele verscheidenheid:
- Onderzoek starten met een relatief homogene groep.
4
Introductie:
1. In een groep kan men een persoon beïnvloeden/overtuigen
2. Groepsnormen:
- Druk van de groep = conformeren aan de groepsnormen.
- Gehoorzaamheid.
3. Prosociaal gedrag (= factoren die wel of niet bepalen of men anderen helpen):
- Hulpvaardig gedrag.
- Hulp bieden aan anderen onder de invloed van anderen.
Culturele aspecten kunnen een invloed hebben over de acties van bijstaanders.
4. Interpersoonlijk processen:
- Anders functioneren wanneer anderen aanwezig zijn.
5. Sociale waarneming/perceptie:
- Hoe kijkt men neer naar de anderen en hoe presenteren we ons.
- Eerste indruk → vormt een groot beeld ten opzichte van anderen toe van wie je bent.
6. Groepsperceptie:
- Hoe kijkt men vanuit een groep naar een andere groep toe.
- Hoe categoriseren wij mensen?
- “Wij en zij”.
- Voordelen en discriminatie.
5 & 6 zijn sterk gecorreleerd.
7. Attitudes:
- Een attitude kan het verdere gedrag voorspellen en/of beïnvloeden.
- Houding: positief of negatief?
- Stemt mijn gedrag altijd mooi overeen met mijn attitude.
- Positieve en negatieve stereotypen.
1. Kennismaking met de Sociale Psychologie:
De mens is een kuddedier.
Sociale deprivatie = het wegnemen van sociale prikkels.
(Dit werd getoetst door Roemenen. Weeskinderen werden voor een helft geadopteerd door families
en dus bijgevolg opgevoed. Het andere gedeelte moest in het weeshuis blijven en er wed er weinig
mee gecommuniceerd. Dit resulteerde in een slechtere evolutie van het brein van de kinderen die i n
het weeshuis bleven. Dit omwille van een gebrek aan sociaal contact.)
Sociale paradox = we hebben nood aan sociale prikkels, maar we durven vreemden niet zomaar te
benaderen.
1
,Invloed: kernwoord in het Sociale Psychologie. We worden door anderen beïnvloedt; rechtstreeks
en/of onrechtstreeks.
1.1 Studieobject van de Sociale Psychologie:
1.1.1 Gebiedsomschrijving:
“Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten, gevoelens
en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde
aanwezigheid van anderen mensen.” - Allport -
Een wetenschappelijke studie:
1. Intuïtieve of alledaagse kennis. (Casussen uit eigen leven)
2. Empirische cyclus. (Exact onderzoek/ geen tegenstrijd)
- Onafhankelijke variabele: (diegene die gemanipuleerd wordt) diegene waarvan verwacht
wordt dat hij invloed heeft op de afhankelijke variabele.
- Afhankelijke variabele: die variabele die afhankelijk is van de onafhankelijke variabele; het
gedrag dat gemeten wordt.
EXAMENVRAAG:
Een studie vergeleek het angstniveau van twee groepen van vrouwen. De vrouwen werden random
(willekeurig) toegewezen aan twee groepen. De ene groep zag een film over de gevaren van
slangenbeten, de andere groep een film die niets met slangen te maken had. De onafhankelijke(n)
variabele(n) in dit experiment is (zijn):
A: Het angstniveau in beide groepen.
B: Zowel of ze de film zagen als hun angstniveau.
C: Het soort van filmen dat vrouwen te zien kregen.
D: De vrouwen.
Motivatie antwoord: Afhankelijk van het soort van film dat ze zien gaan we ervan uit dat de
proefpersoon een verschillende reactie vertoont.
2
,“De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen:
1. In hoe we voelen: A.
2. In hoe we (over onszelf) denken: C.
3. In hoe we ons gedragen: B.
“Beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van
anderen.”:
- Fysiek/feitelijke (aanwezig).
- Voorgesteld:
- Bv: Kledij fuif → vragen hoe vrienden zich gaan kleden.
- Impliciet/ onrechtstreeks:
- Bv: Reclame → Dit zorgt ervoor dat je het misschien de volgende keer zal kopen of ernaar
zal kijken.
“We worden niet vooral beïnvloed door wat anderen werkelijk denken. We worden vooral beïnvloed
door wat wij denken dat anderen denken.”
Enkele aanvullingen:
1. Beïnvloed worden en ook beïnvloeden.
Sociale besmetting: Een gedrag stellen waardoor andere mensen dit ook doen. Vb: Krabben,
lachen, ...
2. Niet altijd bewuste of intentionele invloed.
Bv: oversteken bij rood licht als eerste, mensen volgen, ...
3. Heel breed terrein: Alles is Sociale Psychologie! Maar met een specifieke invalshoek!
1.1.2 De eigen invalshoek van de Sociale Psychologie:
- Snijpunt tussen sociologie en psychologie.
- Toch een eigen plek.
Onderscheid met de sociologie:
- Maatschappelijke kenmerken of groepskenmerken (Sociologie).
- Aandacht voor het individu (Sociale Psychologie).
- Aandacht voor het individu én zijn onmiddellijke omgeving (Sociale Psychologie).
Eigen plaats binnen de Psychologie:
- De Psychologie: dispositionisten (= eigenschap als verklaring).
3
, - De Sociale Psychologie: situationisten (= verklaring in de context).
- Interactionisten? (= de twee zijn waarschijnlijk van invloed).
“The situation does not absolve personal responsibility”
1.2 Enkele belangrijke evoluties:
1.2.1 Kenmerken bij het ontstaan:
Een sterke experimentele traditie:
- Gebruik van experimenten.
- Bijgevolg experimentele methodes.
- Hieruit aantonen welke factoren invloed hebben op de onderzochte fenomenen.
Nieuwe band tussen theorie en praktijk:
- Na WO II belangrijke stroomversnelling in de ontwikkeling van de Sociale Psychologie.
- De WO II zorgde voor bepaalde gezondheidsproblemen waardoor de Sociale Psychologie zich
uitbreidde.
- Lewin: Veldtheorie: gedrag van mensen is afhankelijk van hun persoonlijkheid of karakter en
de omgeving of de situatie waarin ze zich bevinden.
- De verwevenheid tussen theorie en praktijk is belangrijk.
- Het ontstaan van theorieën is meestal toevallige gebeurtenissen; of als antwoord op
maatschappelijke problemen die dringend naar een oplossing zoeken.
1.2.2 Latere aandachtspunten:
- Toenemende gevoeligheid voor bepaalde tekorten en eenzijdigheden uit het verleden,
waardoor nieuwe impulsen zich aandienden.
Ethische aandachtspunten:
- Kritiek: blootstelling aan ethische betwistbare behandelingen.
- Resulteerde in de deontologische code die internationaal is.
Culturele verscheidenheid:
- Onderzoek starten met een relatief homogene groep.
4