Ouderengeneeskunde
Ouder lichaam: fysiologische veranderingen
3de/4de levensfasen: keuzes maken vanuit een ander perspectief
Vaak multi-morbiditeit die elkaar beïnvloeden
→ veel diversiteit in deze populatie → maatwerk & persoonsgericht
Epidemiologie
Gemiddelde levensverwachting in Nederland: 83 jaar (vrouw) & 81 jaar (man)
- Levensverwachting stijgt naarmate we ouder worden
- Kinderen die nu geboren worden, worden waarschijnlijk 100 jaar oud
→ de hoge levensverwachting gaat gepaard met meer chronische ziekten, door
- Betere screening, preventie & behandeling ziekten → minder snel dood aan ziekten
Gelijk blijven lichamelijke beperkingen (blijft 8 jaar), dus als de levensverwachting stijgt leven
mensen relatief langer zonder beperkingen = compression of morbidity
Meer ouderen in de gezondheidszorg (= vergrijzing), doordat:
- Baby boom – kinderen na WOII geboren
- Hogere levensverwachting & lage geboortecijfers
- Minder ziekte/sterfte aan begin leven en meer ziekte/sterfte eind van het leven
- Ouderen hebben vaak multi-morbiditeit die elkaar beïnvloeden + meer aantal chronische
ziekten neemt toe → vraag naar langdurige/complexe zorg neemt toe → hogere zorgkosten &
meer druk op het zorgsysteem
→ 70% van alle patiënten met kanker is 60 jaar of ouder
→ meer oudere patiënten, minder zorgpersoneel (baby boom met pensioen + minder geboren) &
meer zorgkosten (terwijl minder geld beschikbaar voor zorg) → ouderen centrale uitdaging in de
gezondheidszorg
Verandering in zorgorganisatie
- Zorg thuis ipv instellingen
- Preventie & vroegsignalering
- Multidisciplinair samenwerken
Diversiteit
In vitaliteit/kwetsbaarheid
In voorkeuren/wensen – iemand 80 die marathon loopt andere doelen dan in verpleeghuis
Hallmarks of ageing: andere biologie, fysiologie, referentiewaarden, prognose &
behandeleffecten bij ouderen
→ 8% studies houdt rekening met deze diversiteit bij ouderen – focus alleen op ziekten, maar niet op
zingeving/kwaliteit van leven → belangrijk: focus op persoonsgerichte zorg als maatwerk
Passende zorg
,Comprehensive geriatic assessment (CGA)
Ouderen mensen doen er alles aan om zo goed mogelijk bij de dokter te zitten (“kapper” etc), daarom
is het volgende erg belangrijk:
1. Geriatic assessment = assessment; uitgebreid beeld van patiënt krijgen – inclusief
patiëntenvoorkeuren, fysieke/mentale/sociale functie, mobiliteit
2. Integrated care plan = shared decision making; bespreken met patiënt & verzorgers
3. Follow up = evaluatie kwaliteit van leven, coaching, mentale/fysieke functioneren, mobiliteit
4 geriatrische assen
1. Somatisch - ziekten (bv recente operatie/opname, delier, hartfalen, COPD, neurologie)
2. Fysiek/functioneel: activiteiten (verandering afgelopen 3 maanden in
dagelijkse/instrumentele activiteiten, afhankelijk van hulp), zelfredzaamheid, mobiliteit
(vallen, gebruik hulpmiddelen, bedlegerig)
3. Mentaal: cognitie (geheugen/taal/gedragsproblemen, plots veranderen gedrag),
stemming (slaapproblemen, minder initatief, emotioneel vlak/labiel, somber), angst
(vallen, reminiscenties)
4. Sociaal: steunsysteem (partner/familie verloren, sociale contacten weinig, verhuizing,
mantelzorg nodig/overbelast, gestopt met activiteiten, vluchteling, taalbarrière),
economisch (lage SES)
RODE VLAGGEN
Behandeldoelen
Top 3 doel behandeling: kwaliteit van leven al leef ik korter, onafhankelijk blijven, geheugen behouden
– niemand vindt zo lang mogelijk blijven leven → kijk altijd naar het individu: “Wat is voor u
belangrijk?”
- Balans vinden tussen kwetsbaarheid & veerkracht
- Samenwerking andere medische rollen belangrijk om de zorg zo goed mogelijk te organiseren
,HC2 – Doktoren met oudere patiënten
Biologische leeftijd
Biologische leeftijd = geheugen + mobiliteit + sociale participatie
- 2 mensen met dezelfde kalenderleeftijd kunnen een verschillende biologische leeftijd hebben
→ belangrijk om mee te nemen in behandelbeslissingen
3 functionele termen
Intrinsieke capaciteit = totale basale (fysieke/mentale) reserve functie die persoon
gedurende het leven heeft opgebouwd → hoe goed stress/ziekte opvangen
Frailty = kwetsbaarheid op een momentopname (op SEH, poli) → negatieve term
Resilience = veerkracht; herstelvermogen na een stressor → positieve term
Frailty
Metingen
Biologisch fenotype (Fried): frailty als biologisch syndroom/lichamelijke kenmerken: (1) onbedoeld
gewichtsverlies, (2) vermoeidheid/minder energie, (3) minder fysieke activiteit, (4) langzame
loopsnelheid, (5) verminderde spierkracht/handknijpkracht - > 3 criteria - veel gebruikt in ziekenhuis
Cumulative deficit theory (Rockwood): comorbiditeiten optellen: ziekten, symptomen, functionele
beperkingen, cognitieve problemen → hoe hoger, hoe meer kwetsbaar
Clinical frailty scale/index = klinische inschatting van kwetsbaarheid op basis van functioneren:
zelfstandigheid, mobiliteit, dagelijkse activiteiten, cognitief functioneren - bevordert de communicatie
tussen zorgverleners
1-3: vitaal 4-6: kwetsbaar 7-8: ernstig kwetsbaar 9: < 6 maanden overlijden
Belangrijke elementen/overeenkomsten
Verouderingsproces: kwetsbaarheid neemt toe bij minder reserve
Hoger risico slechte uitkomsten: morbiditeit, mortaliteit, functieverlies
Geen diagnose, maar prognostisch – zegt iets over behandelmogelijkheden
→ minder vermogen om adequaat te reageren op een stressor
Vitale ouderen: gelijke behandeluitkomsten als jongeren + herstel naar baseline mogelijk
Kwetsbare ouderen: < opbrengsten behandeling & > complicaties → mogelijk onder lijn
(zelfstandig functioneren), terwijl ze onafhankelijkheid/kwaliteit van leven belangrijk vinden
Belangrijk om te noemen dat er veel onzekerheid is (8% studies die rekening houden
met dit verschil tussen ouderen) → veel onzekerheid & lastig te voorspellen
Ontstaan kwetsbaarheid
Comprehesive geriatic assessment (CGA)
, Belangrijk om kwetsbaarheid in kaart te brengen
- Betere behandelkeuzes: minder toxiciteit & even lange levensduur (sommige studies laten zelfs
toename zien) → betere uitkomsten
- Betere tevredenheid bij patiënten & mantelzorgers
- Lijkt kosteneffectief
- Detectie onbekende geriatrische problemen
- Predictie overleving, bijwerkingen, complicaties
- Beïnvloeden behandelbeslissingen (over- en onderbehandeling)
Resilience
Vergroten door veranderingen & aandacht voor:
Behandeling: bv alleen radiotherapie ipv chemo + radiotherapie
Interventies: bv prehabilitatie (revalidatiecentrum, voedingstoestand)
Doelen/wensen: contextafhankelijk – zowel vitale als niet vitale ouderen hebben als doel
onafhankelijkheid/kwaliteit van leven behouden en niet op levensverlenging waar behandeling
nu wel op is gericht (hangt dus niet af van mate van kwetsbaarheid zoals we dachten)
Frailty & resilience
Besluitvorming bij behandeling
Bij keuze van behandeling rekening houden met:
Doel behandeling: medisch perspectief vs patiënt perspectief
Levensduur ziekte met en zonder therapie
Welzijn en functioneren met en zonder therapie
Levensverwachting: niet alleen kalenderleeftijd – ook biologische leeftijd, frailty, comorbiditeit
Behandelopties: beschikbare behandelingen vs evidence based
Ziektelast: bij hoge ziektelast eerder behandelen
Shared decision making:
Behandeling uitleggen
Opbrengsten & risico’s uitleggen
Onzekerheid benoemen – we weten niet precies wat het voor deze patiënt betekent
Betrekken naasten
→ het is belangrijk om samen met de patiënt te beslissen en de voorkeuren van patiënt mee te nemen
in besluit