HC 1
Proefdiermodellen
Diermodellen: organismen vervangend voor mensen/dieren die beter zijn te onderzoeken
Dierproef: op levende gewervelde dieren, begaan ongerief, duidelijk doel vastgelegd
Wet op de dierproeven (veel onderzoek fruitvliegen want niet gewerveld dus geen
dierproef)
- Geen proef uitvoeren tenzij: onvermijdelijk en Verfijning + Vervanging +
Vermindering
Ook negatieve resultaten worden gepubliceerd, zodat het niet nogmaals wordt
gedaan
- Respect voor intrinsieke waarde van dieren
Analogie postulaat:
- Er moet een verhouding zijn tussen opbrengst en het lijden van dieren adhv pijn
Vergelijk het met het lijden van een mens:
Zelfde anatomische en psychische mechanismen voor pijn als de mens:
nociceptors, transmission neurons, thalamus and cortex or their homologues
- Dier moet gedrag vertonen dat door pijn of medicatie voor mensen wordt geuit >
pijnbestrijding of niet (met goede reden)
- Geldt ook voor achtpotigen (octopussen, zijn niet gewerveld)
Soorten dierproeven
- Onderwijs
- Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
- Toegepast en omzettingsgericht onderzoek
- Wettelijk verplichte toxicologische en veiligheidstesten
Medische Ethische Commissie: toetst onderzoeksvoorstel bij de mens als ‘eigen proefdier’
Persoon moet Informed Consent geven
Vaak gezonde mannelijke vrijwilligers
HC 2
Nomenclatuur: soort taal voor het aangeven (gebaseerd op Latijn of Grieks)
- Verschil tussen mens en dier als je het hebt over voor en achter
Anterior/ventraal: naar buikzijde toe
Posterior/dorsaal: naar rugzijde toe
Distaal: ledenmaat vanaf aanhechtingpunt naar eind (weg)
Proximaal: ledenmaat van eind naar aanhechtingspunt (naartoe)
Mediaal/axiaal: middenlijn, de as
Lateraalabaxiaal/paraxiaal: vanaf middenlijn naar buiten
Craniaal: naar hoofd/hersenschedel
Superior: hoogste punt
Caudaal: naar staart/achterwerk
Inferior: laagste punt
Rostraal: op het hoofd van het dier dichter bij snuit/neus
Palmair: ventrale zijde hand, handpalm
Plantair: onderkant voet
,Verdeling lichaam
- Coronaal: in de lengte
- Transversaal: in de breedte
- Sagittaal: lichaam verticaal in
de helft
- Mediaan: precies in het
midden, links = rechts in
grootte
Arteria (a.): alle slagaders (behalve
aorta) starten hiermee, dus
zuurstofrijk
Vena (v.): alle aders, brengt bloed
terug richting hart, dunnere wand,
zuurstofarm
Nervus (n.): zenuw
Truncus: bestaande uit meerdere onderdelen (zenuwen of bloedvaten)
Bovenlichaam hond
- Thorax = borstholte (longen, hart, thymus)
- Abdomen = buikholte (lever, maag, darmkanaal)
- Scheiding door diafragma/middenrif
- Alleen zoogdieren hebben diafragma
Bij rest: coeloomholte, met thoracale of abdominale regio
Zoek termen op en onthoudt die in practica terugkomen
HC 3
Taconomy/Evolutie
In de stappen van embryonale ontwikkeling (in ei of baarmoeder) is evolutie terug te
vinden. Proefdierkeuze: hierbij is kennis van stappen in de evolutie als in de vroeg-
embryonale ontwikkeling van belang
Archaea/bacteriën: geen celorganellen, DNA niet omgeven door membraan/celkern
Carl linnaeus (1707-1778)
- Bedacht het Binomial systeem:
organismen worden geclassificeerd
naar genus en species
- Alleen gebaseerd op
gemeenschappelijke kenmerking (100
jaar voor Darwin)
- Latijnse namen worden wereldwijd
gebruikt
,Evolutietheorie: soorten zijn veranderlijk
- De wereld is niet statisch maar verandert
- Er leefde vroeger dieren/planten die nu niet meer voorkomen
- Er zijn nu dieren/planten die nu niet meer voorkomen
- De aarde is ongeveer 4,6 miljard jaar geleden gevormd
- Eerste leven ontstond ongeveer 3,8 miljard jaar geleden op aarde
Survival of the fittest bij natuurlijke selectie Charles Darwin
Evolutietheorie: alle levende organismen stammen af van een gemeenschappelijke
voorouder. Vindt plaats door middel van natuurlijke selectie:
1. Er is variatie (genetisch)
2. Er is erfelijkheid
3. Er is mortaliteit
4. Er is selectie
Evolutie ontstaan door random mutaties en homologe recombinatie van het genoom bij
meiose
- Verandering genoom in somatische cel geen effect op evolutie
- Verandering genoom in gameten effect op volgende generatie
- Verandering in genetische compositie van een populatie van generatie tot
generatie
- De soort is betrokken, niet het individuele dier
- Evolutie heeft geen doel, perfecte organismen bestaan niet
- Selectievoordeel als je veel kan voortplanten, dus het gemuteerde DNA kan
doorgeven
Evolutionaire ontwikkeling: Eencellig meercellig bilaterisme intestinal tract
amnionholte
2 belangrijke evolutionaire veranderingen
1. Van water naar land: vis wordt viervoeter
Veranderingen in vinnen/poten stevigheid, structuur
Ademhaling ipv kieuwen naar longen
Gehoor: van zijlijnsytstemen naar oren
Huid: anders uitdroging
Beweegbare kop: op en neer
Wervelkolom aanpassingen
- Overgang water naar land 395-360 miljoen naar geleden (Devoon)
Allemaal door random mutaties
Tiktaalik Roseae (op basis van fossielen) ~ 385 miljoen jaar geleden
- Kwastvinnige: pootje met vin, wordt gezien als aanpassing
- ~1-2,5 meter lang
- Heeft kieuwen, straalvinnig. Gepaarde borstvinnen
- Ontbreek rugvin
- Ogen en neusgaten dorsaal (rugzijde)
- Beweegbare nek
, Acanthostega ~365 miljoen jaar geleden
- 8 vingers aan de voorpoot (achterpoot onbekend)
- Geen wrist bones, kon waarschijnlijk niet lopen
- Vissenstaart
- Kieuwen, en primitieve long
- Gehoorbot (stapes)
Ichthyostega ~ 365 miljoen jaar geleden
- Interpretaties op basis van (delen van) versteende skeletten
- Vroeger gedacht dat het kon lopen, nu gedacht dat het kan ‘schuifelen’ over land
- 7 vingers achterpoot
- Er kwam conclusie 5 vingers is het meest voordelig
Vorming amnion gedurende embryonale ontwikkeling hierdoor niet afhankelijk van
water
Divergente evolutie: Een zelfde structuur, maar krijgt een andere/verschillende functie.
Tussenvormen van deze functies/structuren zijn amper te vinden, behalve bij paard.
Hierbij tussenvormen gevonden van poot en kiezen.
Convergente evolutie: zelfde functie/eigenschappen maar niet verwante organismen
Soort: een groep dieren die met elkaar vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen
(Ernst Mayr). Hier zijn ook uitzonderingen op, doordat soorten geleidelijk veranderen. Er
zijn ook ‘vluchtelingen’: leden van een populatie die onderling kunnen kruisen en
vruchtbare nakomelingen kunnen produceren.
- Allopatrische soortvorming: scheiding van gebied
- Sympatrische soortvorming: in hetzelfde gebied