DE WET OP DIERPROEVEN
Wat is het doel van de Wet op de dierproeven?
Het doel van de Wet op de dierproeven (Wod) is het waarborgen van het welzijn van
proefdieren door het gebruik ervan te reguleren. De wet stelt dat dierproeven alleen zijn
toegestaan als er geen alternatief is en als het doel wetenschappelijk of onderwijskundig
verantwoord is. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend als uitgangspunt.
Welke instanties zijn betrokken bij het beoordelen van een aanvraag?
Centrale Commissie Dierproeven (CCD): verleent projectvergunningen voor
dierproeven.
Dierexperimentencommissie (DEC): geeft een inhoudelijk advies over het
projectvoorstel aan de CCD.
Instantie voor Dierenwelzijn (IvD): ondersteunt de aanvrager bij het opstellen van het
projectvoorstel en ziet toe op het dierenwelzijn binnen de instelling.
Wie mag onderzoek met proefdieren uitvoeren?
Alleen instellingen met een geldige instellingsvergunning van de minister van
Economische Zaken mogen dierproeven uitvoeren. Daarnaast moeten de personen die de
proeven uitvoeren voldoen aan eisen van deskundigheid en bekwaamheid, zoals
vastgelegd in de wet.
Hoe pak je het aan als je een dierproef wilt uitvoeren?
Als je een dierproef wilt uitvoeren, volg je deze stappen:
1. Instellingsvergunning: Zorg dat je instelling een geldige instellingsvergunning
heeft.
2. Projectvoorstel opstellen: Stel een projectvoorstel op in samenwerking met de
Instantie voor Dierenwelzijn (IvD).
3. Advies van de DEC: Laat het voorstel beoordelen door een erkende
Dierexperimentencommissie.
4. Aanvraag indienen bij de CCD: Dien het voorstel in bij de Centrale Commissie
Dierproeven voor een projectvergunning.
5. Beoordeling door CCD: De CCD beoordeelt het voorstel op wetenschappelijke
waarde, ethiek, en dierenwelzijn. De beoordeling duurt maximaal 40 werkdagen
(met mogelijke verlenging).
6. Uitvoering: Na goedkeuring mag je de dierproef uitvoeren binnen de
voorwaarden van de vergunning. De uitvoering moet afgestemd worden met de
IvD【1†bron】.
NOMENCLATUUR
Latijnse namen / afkortingen
,EVODEVO
EvoDevo = Evolutionary Development: de relatie tussen embryologie en evolutie
Vormen de basis voor de keuzes van veel nieuwe proefdiermodellen
- Darwin: verschillende soorten dieren komen door natuurlijke selectie
- Jonge menselijke embryo’s hebben kieuwen
Ontwikkeling dolfijn
Bepaalde eigenschappen zijn wel nuttig en die blijven, terwijl niet nuttige eigenschappen
veranderen of hun functie verliezen. Het vormt 2 neusgaten die vervolgens fuseren tot 1
(dus eigenlijk teveel moeite). En het maakt eerst een staart zonder vinnen, die
ontwikkelen daarna. Afbraak bepaalde lichaamsdelen door apoptose. De embryo kan niet
gelijk een staart met vinnen maken.
Evolutionary constraints: factoren die de mogelijkheden van een soort om te evolueren
beperken, hierdoor kan het bepaalde kenmerken of aanpassen niet/moeilijk ontwikkelen.
Zo kunnen kenmerken niet ontstaan doordat ze problemen zorgen voor andere
noodzakelijke guncties of de genetische variatie ontbreekt.
,NESTVLIEDERS EN NESTBLIJVERS
Nestvliedend: precocial
Nestblijvend: altricial
Welke van de twee varianten het kiest is afhankelijk van o.a.: de voedsel
beschikbaarheid, of dat het nest gevoelig is als prooi
, ZELFSTUDIE ORGANISME THEMA 2
VAN ZYGOTE NAAR BLASTULA
1. Benoem het type eicellen van rondwormen, amfibieën, vogels en zoogdieren.
Rondworm: isolecithaal = weinig dooier, gelijkmatig, snel en symmetrisch
Amfibie: mesolecithaal = matig veel dooier, geconcentreer bij vegetatieve,
assymetrisch
Vogels: telolecithaal = veel dooier, geconcentreerd bij vegetatieve, klieving op
dooiermassa
Zoogdieren: isolecithaal
2. Leg uit waarom eicellen vogels meer dooiermateriaal bevatten dan eicellen van
amfibieën.
Vogels ontwikkelen zich buiten het moederlichaam, dus zo komen ze via het
dooier toch aan voldoende voedingsstoffen. Amfibieën ontwikkelen in waterige
omgeving en snellen, waardoor ze minder nutriënten nodig hebben.
3. Leg uit waarom eicellen van rondwormen en van zoogdieren weinig
dooiermateriaal bevatten.
Rondwormen hebben een zeer snelle ontwikkeling waar weinig energie voor nodig
is, dus ook weinig nutriënten en dus weinig dooier. Zoogdieren hebben een
placenta waardoor het geen groot dooierreserve nodig heeft.
4. Welke twee belangrijke parameters bepalen de klievingspatronen?
De hoeveelheid dooier eiwit in het cytoplasma en de hoek en timing van het
mitotisch spoelfiguur.
5. Een van de verschillen tussen het blastulastadium van een amfibie en van een
zoogdier is dat bij het amfibie er kleine (micromeren) en grote blastomeren
(macromeren) aanwezig zijn. Leg uit waarom er een verschil in grootte is tussen
de blastomeren bij amfibieën.
Doordat de insnoering bij de celdeling niet in het midden is maar meer richting de
posterior pole waardoor ongelijke dochtercellen (blastomeren) ontstaan.
6. Noem nóg een verschil tussen de blastula van een amfibie en van een zoogdier.
Ontstaan blastula-structuur in amfibieën door verdeling dooier, dus niet centraal.
Ontstaan blastula-structuur in zoogdieren door Hippo signaling
Notities
- Hoeveelheid dooier: geeft aan waar de deling gebeurt, en de grootte van
blastomeren
Veel dooier zijde: Vegetal pole langzame deling
Weinig dooier zijde: Animal pole snelle deling
- Nucleus vaak richting animal pole.
Eieren van : Zee-egels/mammals/slakken
- Weinig en eerlijk verdeelt dooier
- Isolecithal
- Klieving is holoblastisch
- Andere manier van eten krijgen: via placenta (zoogdieren) of eten larven
Eieren van: insecten/vissen/reptielen/vogels
- Veel dooier
- Nodig voor voedingsstoffen dier