DWANGMIDDELEN
Onderdeel 1: Inleiding – Opsporingsonderzoek algemeen
Melding MMA en verdenking (HR 13 juli 2010, NJ 2011/293, m. nt. Buruma)
Feiten: Naar aanleiding van een gedetailleerde “MMA-melding” bij de regiopolitie Gelderland
Zuid vindt er een doorzoeking plaats in een woning en hier wordt een hoeveelheid van ruim 57
kilogram henneptoppen aangetroffen in een hennepdrogerij waar zes henneptoppers aan het
werk waren. De politie laat nader onderzoek achterwege, nu de situatie gelet op de inhoud van
de MMA-melding zou nopen tot spoed. Doordat er ook hennepknippers in het pand aanwezig
waren, zodat bij onverwijld optreden het vooruitzicht op inbeslagneming en een succesvol
opsporingsonderzoek zeer gunstig was.
Rechtsvraag: Kan het vereiste van extra toetsing in geval van spoed achterwege blijven?
Hof: aanvaardt het politieoptreden.
HR: beantwoordt de vraag ontkennend.
Voor het aannemen van voldoende verdenking is niet in alle gevallen van een MMA-melding
nader onderzoek vereist.
Indien een bepaalde anonieme melding zonder nadere verificatie onvoldoende is voor een
verdenking van overtreding van de Opiumwet wordt de onrechtmatigheid van het op basis
van die melding binnentreden van een woning niet weggenomen doordat spoed geboden
was.
Ruisstrategie, HR 9 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:18)
Feiten: In casu is gebruik gemaakt van de zogenoemde ‘ruisstrategie’. Tijdens het verhoor van de
verdachten van een gewapende overval op een woning heeft de politie een fictieve buit ter
sprake gebracht om de verdachten te bewegen hierover met elkaar te spreken wanneer zij na
hun verhoren in vrijheid zouden worden gesteld. Vervolgens praten verdachten met elkaar over
de fictieve buit tijdens een opgenomen gesprek in de politiehal en in een door de politie
gefaciliteerde taxirit. Raadsman stelt dat er sprake is van een schending van beginselen van een
goede procesorde/artikel 6 EVRM. OM stelt dat artikel 3 Politiewet een wettelijke grondslag basis
vormt voor het inzetten van een ‘ruisstrategie’.
Rechtsvraag: Is het OM niet-ontvankelijk?
Hof: Nee, op geen enkele wijze is gebleken dat keuze- en verklaringsvrijheid van verdachte in de
zin van art. 29 Sv onder druk is komen te staan. Verdachte beslist zelf om over de fictieve bui te
spreken. Er is geen sprake van een vormverzuim. Ook geen schending van beginselen van een
behoorlijke procesorde.
HR: Het hanteren van een ‘ruisstrategie’ bij de opsporing leidt in casu niet tot niet-
ontvankelijkheid OM.
Niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de zin van art. 359a Sv komt slechts in
uitzonderlijke gevallen aan de orde. Daarvoor is alleen sprake indien de met de opsporing of
vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een
behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de
belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is
tekortgedaan.
Oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk, gelet op:
Ernst van het feit, namelijk een woningoverval in de avonduren, waarbij bewoners zijn
bedreigd.
Het zonder resultaat zijn gebleven van andere opsporingsmethoden
De beperkte mate van misleiding, bestaande uit een enkele aan het strafbare feit
gerelateerde mededeling over een fictieve buit
Het verleend zijn van toestemming door de Officier van Justitie
De verslaggeving omtrent de inzet van het opsporingsmiddel en de aldus aan de rechter
geboden mogelijkheid van controle daarop.
De Verschoven Vaatwasser – Rb Midden-Nederland 4 september 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:7554)
, Feiten: politie heeft een machtiging tot binnentreden van de woning ter inbeslagname op grond
van art. 96 Sv jo art. 9 Opiumwet. bij binnentreden van de woning van verdachte heeft de politie
niet slechts zoekend rondgekeken, maar is er gevoeld aan de vaatwasser. Tegen de keukenmuur
stond een vaatwasser, waarvan verbalisant [verbalisant] zag dat deze niet op het aanrechtblad
aansloot, maar naar voren stond waardoor hij uitstak onder het aanrechtblad. [verbalisant]
voelde of de vaatwasser vast stond, waarop deze naar voren rolde, de keuken in. Terwijl
[verbalisant] de vaatwasser weer op zijn plek wilde zetten, zag hij dat achter de vaatwasser een
luik in de muur zat met een grote metalen schuif erop. Na opening van dat luik hadden de
verbalisanten zicht op een ruimte, waar een in werking zijnde hennepplantage was ingericht.
Rb: handelen van verbalisanten gaat verder dan het ‘zoekend rondkijken’ en dient te worden
aangemerkt als doorzoeken. Doorzoeking van de woning van verdachte is onrechtmatig en er is
sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art.
359a Sv. De rechtbank gaat over tot bewijsuitsluiting van het PV van bevindingen en komt
vervolgens tot vrijspraak van verdachte voor het hebben van een hennepkwekerij.
Onderdeel 2: Grondrechten en dwangmiddelen
EHRM 8 april 2003 (M.M. t. Nederland)
Feiten: M.M. is een strafrechtadvocaat die mr. K. bij staat en wordt beschuldigd van seksueel
misbruik. Een van zijn slachtoffers is mr. S., de vrouw van mr. K., en zij vertelt het aan haar man.
Hij schakelt de politie in. Vervolgens neemt mr. S met behulp van de politie drie
telefoongesprekken op met een tape recorder. M.M. is hierna veroordeeld door de rechtbank en
het Hof Den Haag. M.M., klager, stelt dat slachtoffer te zijn van een onrechtmatige
telefooninterceptie van de politie (schending van art. 8 EVRM).
EHRM: schending art. 8 EVRM.
Er is sprake van een “interference by a public authority”. De politie heeft immers, met
toestemming van de officier van justitie, een cruciale toevoeging gehad aan de opname van
de telefoongesprekken en is ook verantwoordelijk geweest voor de opnames. Zo’n beperking
zal een schending van artikel 8 EVRM opleveren, tenzij het in overeenstemming is met de
nationale wet, een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk is in een democratische
samenleving.
Het afluisteren van een telefoongesprek vereist ten eerste een gerechtelijk vooronderzoek en
ten tweede een bevel van een onderzoeksrechter (artikelen 125f en 125g Sv). In dit geval is
er niet voldaan aan deze twee voorwaarden, waardoor er geen wettelijke grondslag is voor
de overheidsinmenging.
EHRM 2 december 2008 (K.U. t. Finland)
Feiten: de klager is geboren in 1986. Op 15 maart 1999 plaatst een ongeïdentificeerd persoon een
advertentie op een dating site met zijn naam en gegevens zonder zijn weten. In deze advertentie
stond aangegeven dat hij op zoek was naar een intieme relatie met een jongen van zijn leeftijd of
ouder “om hem de weg te laten zien”. De klager kwam erachter doordat een man hem een e-mail
stuurde om hem te ontmoeten. De vader van de klager heeft vervolgens een verzoek gedaan bij
de politie om de persoon achter de advertentie te identificeren, maar de service provider zag
zichzelf gebonden aan de wet ten aanzien van vertrouwelijke informatie van telecommunicatie
en weigerde om de identiteit van de internetgebruiker bekend te maken. De klager meent dat er
sprake is van een schending van art. 8 EVRM en dat er geen effectief middel is om de identiteit
van de dader te achterhalen. (art. 13 EVRM).
EHRM: schending art. 8 EVRM.
Het valt onder de scope van artikel 8 EVRM, namelijk de fysieke en morele integriteit van de
persoon. Dit artikel heeft niet enkel een negatieve betekenis (in die zin dat lidstaten zich
moeten onthouden van bemoeienis), maar omvat ook positieve verplichtingen voor de
lidstaten om het recht te bewerkstellingen. Lidstaten hebben een margin of appreciation,
maar moeten wel verzekeren om effectief op te treden tegen ernstige strafbare feiten waar
fundamentele waarden en essentiële aspecten van privé leven in het geding zijn. In het geval
van een bedreiging van de fysieke en morele wellbeing van een minderjarige (zoals hier) is
het van nog groter belang.