Criminaliteit, cognitie en
persoonlijkheid
Major forensische psychologie
Jaar 2/3
Bachelor psychologie – Tilburg University
1
,Criminaliteit, cognitie en persoonlijkheid
Inhoud
Hoorcollege 1: Introductie .................................................................................................................................................. 3
Hoorcollege 2: Sociale invloeden .................................................................................................................................. 13
Hoorcollege 3: Basis persoonlijkheidstrekken ........................................................................................................ 18
Hoorcollege 4: Narcisme ................................................................................................................................................... 24
Hoorcollege 5: Antisociale persoonlijkheidsstoornis .............................................................................................. 31
Hoorcollege 6: Psychopathie............................................................................................................................................ 40
Hoorcollege 7: Emotie en emotieregulatie ................................................................................................................. 46
Hoorcollege 8: Ethische kwesties ................................................................................................................................... 58
Hoorcollege 9: Hechting en empathie ......................................................................................................................... 68
Hoorcollege 10: Cognitie ................................................................................................................................................... 79
Hoorcollege 11: Behandeling en reflecties ................................................................................................................. 85
2
,Criminaliteit, cognitie en persoonlijkheid
Hoorcollege 1: Introductie
Hoofdstuk 2 en 19
Antisociaal gedrag verwijst naar gedrag dat in strijd is met maatschappelijke normen, wetten of de
rechten van anderen
• Agressie betreft elk gedrag dat gericht is op een ander individu met de intentie om schade
toe te brengen, waarbij de dader zowel de bedoeling heeft om schade te veroorzaken als het
besef dat dit gedrag schadelijk zal zijn, terwijl het slachtoffer gemotiveerd is om deze schade
te vermijden.
• Geweld vormt een specifieke en meer extreme vorm van agressie, waarbij het doel is om
ernstige of ingrijpende schade toe te brengen.
• Criminaliteit (offending) omvat gedrag dat wettelijk strafbaar is gesteld. Niet alle schadelijke
of negatieve handelingen vallen onder agressie of geweld; gedragingen die onopzettelijk zijn,
gebaseerd zijn op wederzijdse toestemming, of uiteindelijk voordelig uitpakken voor alle
betrokkenen worden hier niet onder gerekend.
• Om de ontwikkeling van criminaliteit, maar ook van antisociaal gedrag, agressie en geweld te
begrijpen, is het noodzakelijk om meerdere perspectieven te combineren, waarbij zowel
persoonlijke factoren (zoals mentale gezondheid, persoonlijkheid en cognitie) als
omgevingsfactoren (zoals familie, school en buurt) een rol spelen.
Antisociaal gedrag
Antisociaal gedrag (antisocial behavior, ASB) wordt gedefinieerd als gedrag dat ingaat tegen
maatschappelijke normen, wetten of de rechten van anderen, waarbij het bij kinderen vaak gaat om
het niet naleven van regels van ouders of leerkrachten.
• Huidige inzichten, gebaseerd op decennia aan onderzoek, beschouwen antisociaal gedrag
niet als het resultaat van één enkele oorzaak, maar als een fenomeen dat ontstaat door een
samenspel van biologische, psychologische en sociale invloeden, waarbij zowel erfelijke
aanleg (“nature”) als opvoeding en omgeving (“nurture”) een rol spelen.
• Waar wetenschappers zich vroeger vaak richtten op óf biologische verklaringen óf
psychosociale verklaringen, worden deze perspectieven tegenwoordig juist als
complementair gezien.
De biopsychosociale benadering integreert deze verschillende perspectieven en maakt duidelijk dat
antisociaal gedrag zeer uiteenlopend kan zijn. Binnen verschillende disciplines, zoals psychologie,
psychiatrie, neurowetenschappen, criminologie en sociologie, wordt antisociaal gedrag beschreven
als een breed scala aan gedragingen dat zich kan manifesteren op verschillende leeftijden, variërend
van gedragsproblemen in de vroege kinderjaren tot ernstige geweldsdelicten op volwassen leeftijd.
Ondanks deze variatie blijkt uit onderzoek dat deze gedragingen vaak terug te voeren zijn op
gedeelde onderliggende mechanismen. Verschillen in het type gedrag, het moment waarop het
ontstaat en de mate waarin het aanhoudt, kunnen worden verklaard door specifieke causale paden
waarin genetische, neurobiologische en omgevingsfactoren samenkomen.
• Het bevat een gedeelde kern (“common core”) die alle antisociale gedragingen met elkaar
verbindt
Historisch gezien werd antisociaal gedrag aanvankelijk verklaard vanuit afzonderlijke invalshoeken,
maar vanaf de late 19e en vroege 20e eeuw ontstonden verschillende modellen die elk een deel van
3
, Criminaliteit, cognitie en persoonlijkheid
het fenomeen probeerden te verklaren, waaronder genetische, evolutionaire, biopsychologische en
psychosociale modellen.
Genetische modellen
Het genetische model richt zich op het begrijpen van de erfelijkheid van gedrag en de genetische
variaties die leiden tot individuele verschillen. Hoewel dit perspectief aanvankelijk in diskrediet
raakte door de associatie met de eugenetische beweging, heeft later onderzoek aangetoond dat
genetische factoren wel degelijk een belangrijke rol spelen. Zo blijkt uit studies dat ongeveer de
helft van de variatie in antisociaal gedrag kan worden toegeschreven aan genetische invloeden, wat
betekent dat gedrag gedeeltelijk erfelijk is en dat genetische verschillen bijdragen aan verschillen
tussen mensen.
Een belangrijke methode om genetische invloeden te onderzoeken zijn tweeling- en adoptiestudies.
Hierbij wordt gebruikgemaakt van het verschil in genetische verwantschap tussen eeneiige
tweelingen (die 100% van hun genen delen) en twee-eiige tweelingen (die gemiddeld 50% van hun
genen delen), terwijl zij vaak in dezelfde omgeving opgroeien. Wanneer eeneiige tweelingen sterker
op elkaar lijken in antisociaal gedrag dan twee-eiige tweelingen, wijst dit op een genetische invloed.
Daarnaast bieden situaties waarin tweelingen apart opgroeien of waarin kinderen worden
geadopteerd extra inzicht in het onderscheid tussen genetische en omgevingsinvloeden.
• Eeneiige tweelingen samen opgegroeid: 100% gedeelde genen en 100% gedeelde omgeving
• Twee-eiige tweelingen samen opgegroeid: 50% gedeelde genen en 100% gedeelde omgeving
• Eeneiige tweelingen apart opgegroeid: 100% gedeelde genen en geen gedeelde omgeving
• Geadopteerde kinderen: geen gedeelde genen met adoptieouders, maar wel gedeelde
omgeving
Naast deze benaderingen bestaan er moleculair genetische studies, die zich richten op specifieke
genen of genvariaties die mogelijk samenhangen met antisociaal gedrag, vaak met een focus op
zogenaamde kandidaatgenen die betrokken zijn bij processen zoals emotie, beloning en leren
(bijvoorbeeld systemen rondom serotonine en dopamine).
Toch is het onwaarschijnlijk dat één enkel gen verantwoordelijk is. Waarschijnlijk gaat het om een
complex samenspel van vele genen, elk met een klein effect, waarbij de invloed bovendien
afhankelijk is van factoren zoals leeftijd, omgeving en het specifieke type antisociaal gedrag.
Een meer recente ontwikkeling is de Genome Wide Association Study (GWAS), waarin het
gehele genoom wordt onderzocht om patronen te vinden, al zijn de resultaten hiervan tot
nu toe nog beperkt en moeilijk reproduceerbaar gebleken.
Evolutionaire modellen
De evolutionaire benadering is gebaseerd op de theorie van natuurlijke selectie van Charles Darwin
en gaat ervan uit dat bepaalde eigenschappen die samenhangen met antisociaal gedrag in de loop
van de evolutie zijn behouden omdat zij voordelen boden voor overleving en voortplanting.
Eigenschappen zoals onbevreesdheid, impulsiviteit, sensatiezucht en agressiviteit konden in
vroegere omgevingen, zoals die van jager-verzamelaars, bijdragen aan het verkrijgen van
hulpbronnen, het winnen van conflicten of het aantrekken van partners. In de moderne
samenleving kunnen deze eigenschappen soms nog steeds adaptief zijn, maar ze kunnen ook leiden
tot problematisch gedrag. Zo kan agressiviteit moeilijk te reguleren zijn, maar is deze niet per
4