1.1 De kandidaat benoemt welk overheidsorgaan of overheidsinstantie
een gegeven belasting of heffing kan opleggen.
Welk overheidsorgaan kan overdrachtsbelasting innen?
A. De gemeente
B. De provincie
C. Het rijk
=C
Het rijk heft de ‘grote’ belastingen waaruit voor de overheid de
meeste inkomsten voortvloeren. Bijv:
o Omzetbelasting
o Loon- en inkomstenbelasting
o Vennootschapsbelasting
o Kansspelbelasting
o Dividendbelasting
o Motorrijtuigenbelasting
o Overdrachtsbelasting
o Accijnzen
De provincie heft opcenten. Worden betaald tezamen met
motorrijtuigenbelasting.
De gemeenten heffen onroerendezaakbelasting (OZB),
toeristenbelasting en hondenbelasting.
De waterschappen heffen waterschapsbelasting.
1.2 De kandidaat benoemt wie belastingplichtig is in de zin van de Wet op
de inkomstenbelasting.
Wie is niet belastingplichtig volgens de Wet op de inkomstenbelasting?
A. Sander, hij heeft de Nederlandse nationaliteit maar woont en werkt
in Brazilië
B. Sabine, ze is Belgische maar woont en werkt in Maastricht
C. Dieter, hij heeft de Duitse nationaliteit en werkt in Münster (Dtsl)
maar woont in Enschede (Nl).
=A
Binnenlands belastingplichtigen: Iemand die blijvend in Nederland
woont, wordt een ingezetene genoemd en is binnenlands
belastingplichtige. Hij wordt belast over zijn gehele inkomen, waar ter
wereld hij het inkomen ook heeft verdiend, zijn wereldinkomen (=
onbeperkte belastingplicht).
Buitenlands belastingplichtigen: Een natuurlijk persoon die niet in
Nederland woont, maar een Nederlands inkomen heeft. Alleen het
Nederlands inkomen wordt belast (= beperkte belastingplicht). Wanneer
woont een belastingplichtige in Nederland? Dit wordt bepaald door de
feitelijke omstandigheden. Zijn woonadres is wel van belang, maar niet
,doorslaggevend. Het sociale leven is van belang, waar woont het gezin,
waar gaan de kinderen naar school etc.
, 1.3 De kandidaat motiveert voor een situatie of iemand
inkomstenbelasting is verschuldigd. (Open vraag)
De personen van wie belasting wordt geheven, worden belastingsubjecten
genoemd, ookwel belastingplichtigen. Ieder natuurlijk persoon kan
belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting. Het kunnen zijn:
Nederlanders en buitenlanders
Meerderjarigen en minderjarigen
Gehuwden en ongehuwden
Ingezetenen en niet-ingezetenen
Twee categoriën belastingplichtigen onderscheiden:
1. Natuurlijke personen die in Nederland wonen (binnenlands
belastingplichtigen)
2. Natuurlijke personen die niet in Nederland wonen, maar met een
binnenlands inkomen (buitenlands belastingplichtigen)
1.4 De kandidaat berekent voor een situatie en eventueel een gegeven
heffingskorting hoeveel inkomstenbelasting iemand verschuldigd is in een
bepaalde box.
(Open vraag)
Sandra heeft voor de inkomstenbelasting een jaarinkomen in box 1 van
€220.000. Verder heeft zij een heffingskorting van € 1.500,- en heeft zij
aftrekposten ter hoogte van € 11.500. Hoeveel inkomstenbelasting is Kim
verschuldigd? Noteer je antwoord en laat je berekening zien.
Schijf 1 - t/m € 20.142 36,55%
Schijf 2 € 20.143 t/m € 33.994 40,85%
Schijf 3 € 33.995 t/m € 68.507 40,85%
Schijf 4 € 68.507 t/m meer 51,95%
=
Inkomsten uit werk €220.000
Aftrekposten €11.500 –
Inkomsten uit box 1 €208.500
Schijf 1:36,55% x €20.142 = 7.281
Schijf 2:40,85% x €13.851 = 5.658
Schijf 3:40,85% x €34.512 = 14.098
Schijf 4:51,95% x €139.999 = 72.726
(208.500-68.507)
Totaal aan belasting box 1 = € 99.763
Heffingskorting = € 1.500
Te betalen inkomstenbelasting = €98.263