Overzicht cursus
Deel I. Elementaire eenheden van de sociologie
1. Sociologie als wetenschap
2. Cultuur
3. Sociale relaties en netwerken
4. Macht, gezag en hulpbronnen
5. Modernisering
Deel II. Tussen sociologie en economie
6. Het ontstaan van de sociologie
7. Kannibalisme en de imperialistische ambitie
8. Diffusie en inspiratie
Hoofdstuk 7 en 8 gaan allebei over competitie/ interactie tssn de economie en sociologie (7 is een vijandige relatie, 8 is een zachtere relatie
met de invloed vde ene op de andere)
Deel III. Elementaire eenheden van de economische sociologie
9. Economisch handelen/ economische instituties
10. De organisatie van de economie
11. Reciprociteit en giftrelaties
12. Redistributie
Gezegd in deze les: auteurs niet per se kennen tenzij het concept naar hen vernoemd is (bv Weberiaanse…)
Deel I. Elementaire eenheden van de sociologie
Hoofdstuk 1: Sociologie als wetenschap
1.1 Wat sociologie niet is: de 4 belangrijkste misverstanden
Sociologie is geen anti-economisme
• “Anti-economisme” = kritiek op de economische wetenschap zelf -> dat is niet wat sociologie doet.
• Er bestaat economische sociologie, die zelfs samenwerkt met economie.
=> Dus: sociologie vult economie aan, ze valt ze niet aan.
Sociologie is geen socialisme
• Socialisme = politieke ideologie (wil de maatschappij veranderen).
• Sociologie = een wetenschap en GEEN ideologie (wil maatschappij begrijpen, niet veranderen)
• Sociologen kunnen wel politieke ideologieën hebben, maar de sociologie zelf is neutraal.
=> Dus: sociologie als wetenschap verklaart en heeft geen politiek programma of politieke ideologie
(=socialisme).
Sociologie is meer dan een verhaal
• Een verhaal = uitleg over hoe iets zou kunnen gebeuren.
• Een verhaal kan helpen als eerste stap naar wetenschappelijke verklaring (een basis vo empirische toetsing),
maar is niet genoeg zonder onderzoek.
• Sociologen willen wetenschappelijk bewijzen wat echt is.
=> Dus: sociologie baseren zich op feiten en toetsing, niet enkel verhalen
Sociologie praat het verwerpelijke niet goed
• Sommige mensen denken dat sociologen “slechte” dingen goedpraten (bv. diefstal verklaren).
• Maar sociologie reconstrueren hoe mensen goed en kwaad definiëren + hoe en wrm ze ‘regels’ overtreden.
Sociologen oordelen niet, ze verklaren.
• Ze onderscheiden “verklaren” (begrijpen) van “oordelen” (goed of fout vinden).
=> Dus: sociologie vervangt morele oordelen niet, ze verklaart gedrag.
Sociologie is de wetenschap die het ‘sociale’ bestudeert
Het ‘sociale’ is:
- Sociaal handelen (1.2) -> individueel
- Sociale feiten (1.3) -> bovenindividueel/ werd aan u opgelegd 1
,1.2 Sociologie bestudeert sociaal handelen
• Gedrag= alles wat we doen Vb. reflex, ademen
• Handelen = iets doen met een intentie Vb. paraplu openen, licht aandoen
(ademen kan soms handeling zijn bij de dokter bv)
-> ‘Zinloos handelen’ bestaat niet -> elke handeling heeft een bedoeling
-> Elke handeling is een gedraging maar niet omgekeerd
• Sociaal handelen = handeling gecoördineerd op anderen Vb. gesprek,
dans...
-> Sociologie bestudeert sociaal handelen (niet alleen gedrag)
-> Economie is sociaal handelen (interactie tussen vragers en aanbieders)
2 criterium voor sociaal handelen:
1. Intentionaliteit -> er zit een bedoeling achter.
2. Coördinatie -> het houdt rekening met anderen.
Let op: zelfde ‘gedraging’ behoort tot verschillend deelverzameling:
Bv. alleen bidden is geen sociale handeling, samen bidden in kerk is wel sociale handeling
Bv. ademen is gedrag, maar ademen als de dokter het vraagt is handel
4 types van handelen volgens Max Weber
1. Doelrationeel → handelen om een doel te bereiken.
(Rationaliteit= gedrag waarvan je een perfecte overweging hebt gemaakt van wrm je het doet)
2. Waarderationeel → handelen volgens waarden of overtuiging.
3. Affectief/ emotioneel → handelen uit gevoel of emotie.
4. Traditioneel/ habitual acting → handelen uit gewoonte.
Let op:
Ook niet-rationeel gedrag (gevoel, gewoonte) kan zinvol zijn.
Er is meer dan één soort rationaliteit (niet alles is berekend of logisch).
1.3 Sociologie bestudeert sociale feiten
• Sociale feiten =
- Objectief (het sociale gaat aan individuen vooraf)
- Dwingend (ze kunnen zich er niet zomaar aan ontsnappen, anders sancties)
Vb. Hypercollectief goed: iets dat zo collectief is dat je er niet van kan ontsnappen (taal)
Vb. Collectief goed: iets dat mensen samen delen meer (dijk, park)
Het ‘normale’ van overtredingen
-> Het overtreden van regels of normen (=sociale feiten) is niet abnormaal en toont aan dat de sociale feiten wel
degelijk bestaan.
-> Zelfdoding (Durkheim) vertelt iets over de werking vde sociale feiten in een samenleving.
1. Altruïstische zelfdoding: te veel integratie Vb. Harakirri (Japan, zwaard) → offert zich op uit eer
2. Anomische zelfdoding: te weinig regulering Vb. Voelt zich verloren binnen de samenleving
Verwante begrippen aan ‘sociale feiten’:
• Sociale structuur: de manier waarop posities en groepen in de samenleving met elkaar verbonden zijn
Vb. Gezin, werk, school
• Sociaal systeem: min of meer autonoom onderdeel van de samenleving met eigen regels die de relaties tussen
posities regelen (≠ organisatie) Vb. De markt, het onderwijssysteem, rechtssysteem, bedrijfswereld (systeem met
eigen regels)
2
,1.4 Sociologie is een product van sociologen in de samenleving
= Sociologen staan zelf in de samenleving die ze bestuderen en dus hun onderzoek wordt beïnvloed door hun
tijd, cultuur en waarden.
Illustraties
1. Pitirim Sorokin
• Woonde in Rusland tijdens opstand (vroege 20ste eeuw) -> onderzocht de invloed van hongersnoden in Rusland.
• Gebruikte wat er in zijn omgeving gebeurt (vb. nu kan je dat niet onderzoeken in Brussel).
“(…) de invloed van honger op het sociale leven (…) Voor dit onderzoek beschikte ik over de nodige
persoonlijke ervaring (…) Nu had ik een uitgestrekt laboratorium (…)”
2. Norbert Elias
• Was een Duitse jood tijdens interbellum (vroege 20ste eeuw) -> beschreef drang naar succes en competitie in
wetenschap (“de jacht”).
• Hij zegt dat een goede socioloog constant blijft observeren zelfs al doet hij geen onderzoek.
“Weet u, het is de jacht. De jacht. Ik moet dat contract hebben.”
3. Abram de Swaan
• Beschrijft een wereldeconomie congres als een object v sociologische analyse.
• Toont dat wetenschap zelf een sociaal systeem is.
“Op congressen worden om de paar jaar de rekeningen opgemaakt van gevestigde, getaande en stijgende
reputaties. Daarover wordt met geen woord openlijk gerept, maar met alle woorden wordt daaraan gewerkt.
Geen gemeenschap is zo hiërarchisch als de wetenschap met al haar titels, ambten en aanspreekvormen. ”
Wat leert dit ons?
Socioloog maakt deel uit van wat hij bestudeert (ze bestuderen wat rond hen is).
Vergelijk de disciplines antropologie-sociologie (antropologen bestuderen vaak andere culturen vs
sociologen bestuderen hun eigen maatschappij).
Samenleving bepaalt wat bestudeerbaar of relevant is.
Twee gevolgen:
(1) De cultuur en tijdsgeest bepalen wat aanvaardbaar en relevant is om te bestuderen.
(2) Macht beïnvloedt welke onderwerpen onderzocht worden.
Twee gevolgen dieper:
(1) Cultuur & tijdsgeest
Voorbeeld: Lombroso (1876) met zijn fysiognomiek: dacht dat criminaliteit
zichtbaar was aan het gezicht → beïnvloed door ideeën van zijn tijd.
(2) Macht
Sommige groepen met politieke macht en marktmacht doen er alles aan om
onwelkome wetenschappelijke kennisvorming te contoureren bv. Tabaksindustrie (vanaf de jaren 1950)
of suikerindustrie (vanaf de jaren 1960). Oorlogsverklaring tgn elke onderzoeker die beweerde dat tabac
ongezond was.
Legitiem: toekenning v status, peer review, universiteiten → bepalen wat erkend is als kennis.
Probleem van ‘waarden in wetenschap’
Probleem: wetenschappers werken nooit volledig waardenvrij.
Drie antwoorden:
3
, 1. Naïef – geloof in objectieve neutraliteit is naïef zijn (“positivistische ideologie”).
2. Waardenvrij en waardenbetrokkenheid – Waarden mogen u interesse inspireren maar wetenschap
zelf moet waardenvrij zijn. Prof stelt zich altijd: ‘stel iem met een complete andere mening of ideeën.
Als die eens kan zijn met de analyse strategie enzo’ dan is het ok.
3. Reflexieve sociologie – Vb. Vragenlijstonderzoek, wie je op straat stuurt heeft een impact op de
antwoorden (vrouwelijk of mannelijk of van een etnische minderheid/ meerderheid). De onderzoeker
heeft een invloed op de resultaten: een vorm v bias.
1.5 Sociologie jaagt mythen
Sociologie jaagt mythen:
• ‘We zijn allemaal sociologen’-Norbert Elias
→ We kunnen allemaal in de samenleving functioneren dankzij alledaagse kennis over sociale regels en gedrag.
Bv een student weet wat gepast gedrag is als student (respect voor prof, naar de lessen komen, notities nemen…)
• Wat doet de sociologie anders?
→ Sociologie onderzoekt systematisch wat mensen in het dagelijks leven vanzelfsprekend vinden.
→ Verschil:
Dagelijkse oordelen = gebaseerd op ervaring en waarden.
Sociologie= wetenschappelijk, onderdeel van de wetenschappelijke cyclus (theorie / empirie).
→ Gevolg: ‘natuurlijke frictie’ tssn dagelijkse oordelen (meningen) en sociologie (wetenschappelijke
inzichten).
→ Deze breuk bestaat ook historisch: tussen voorwetenschappelijke maatschappijvisies en moderne
sociologie.
• Brede vraag
→ Wat maakt het verschil tssn voorwetenschappelijke oordelen en wetenschap?
Voorbeeld: astrologie vs. sociologie
Astrologie = niet toetsbaar → niet wetenschappelijk.
Wetenschappelijke oordelen = gebaseerd op observatie en toetsbare theorie → wetenschappelijk.
→ Vraag: waarom zijn sommige uitspraken (zoals horoscopen) wel of niet wetenschappelijk?
De wetenschappelijke cyclus: sociologische kennis ontstaat via een cyclisch proces:
1. Theorie (zie 1.6) → moet consistent (vrij van interne contradicties) en
toetsbaar.
2. Empirie (zie 1.7) → observatie en dataverzameling; moet valide en betrouwbaar
zijn.
3. Methodologie (zie 1.8) → regels voor theorieontwikkeling, dataverzameling en
confrontatie tussen theorie en empirie.
Goede wetenschap is een balans tssn theorie en empirie (tssn inductie en deductie):
Inductie: van observaties naar algemene theorieën bv. Herhaaldelijk zien dat… en dus veralgemenen
naar de populatie.
Deductie: van theorie naar specifieke toetsbare hypothesen bv. Als geld toeneemt, neemt de inflatie toe.
Twee noodzakelijke voorwaarden voor wetenschappelijkheid
4