Inhoudsopgave
INLEIDING IN DE ENDOCRINOLOGIE 2
ALVLEESKLIER 4
Diabetes mellitus 5
BIJNIERAS (HPA-AS) 6
Hypocortisolisme 8
Hypercortisolisme/cushing 9
GONADEAS 12
GROEIHORMOONAS 14
Pathologie: acromegalie 14
Pathologie: groeihormoondeficiëntie 16
HYPOFYSE 19
Hypopituitarisme 19
Hypofyse-adenomen 20
SCHILDKLIERAS (HPT-AS) 24
Schildklier 24
Pathologie - algemeen 25
Pathologie - Hyperthyroïdie en de ziekte van Graves 25
Pathologie - Hypothyroïdisme en Hashimoto 26
Struma 28
Diagnostiek schildklieraandoeningen 28
OBESITAS 30
Vetweefsel 30
Energy expenditure 30
Factoren van obesitas 31
Cognitieve functies 32
Risicofactoren van obesitas 32
Metabool syndroom 33
Voorkomen en genezen 33
SEKSE EN GENDER 34
Gender affirming hormone therapie 34
Reproductieve stemmingstoornis 34
Zwangerschap 35
Peripartum periode 35
Menopauze 35
Premenstruele stoornissen 36
1
, Inleiding in de endocrinologie
Er zijn twee soorten lichaamsklieren te onderscheiden. Exocriene klieren scheiden uitwendig
af: speeksel, zweet en talg. Endocriene klieren scheiden inwendig af, via het bloed. De
schildklier is bijvoorbeeld een endocriene klier. Hormonen worden via endocriene klieren
afgescheiden.
We onderscheiden ook twee soorten hormonen. Peptidehormonen worden van aminozuren
gemaakt, binden zich aan de buitenzijde van het celmembraan en worden parenteraal
toegediend (oftewel, via injecties). Groeihormoon en insuline vallen onder de
peptidehormonen. Steroïdehormonen worden van cholesterol gemaakt en binden zich
intracellulair. Denk hierbij aan cortisol of geslachtshormonen.
Hormonen kunnen een direct effect hebben op het brein (hormoon -> receptor -> effect) of
indirect, bijvoorbeeld via een ander hormoon of metaboliet (afbraakproduct). Het is
mogelijk dat metabolieten niet-hormonale processen beïnvloeden. Het brein kan wennen
aan veranderingen in hormonen, maar bij snelle wisselingen is dat lastig.
Primaire endocriene organen
De primaire endocriene organen hebben als hoofdfunctie het afscheiden van hormonen. Dit
zijn de hypothalamus, hypofyse en pijnappelklier.
Secundaire endocriene organen
De secundaire endocriene organen zijn:
• Huid
• Hart
• Maag
• Lever
• Bijnieren
• Nieren
• Dunne darm
• Alvleesklier
• Schildklier en bijschildklieren
• Thymus
• Eierstokken en teelballen
Deze organen worden aangestuurd door de hypofyse of hebben een andere hoofdfunctie
dan het afscheiden van hormonen.
2
,Regeling van hormonen
De hypothalamus monitort en reageert op veranderingen in elektrolytenbalans,
energiebehoefte en lichaamstemperatuur. Ook stuurt het de hypofyse aan. Hormonen
worden met name geregeld door de hypofyse. Het centrale zenuwstelsel bepaalt wanneer
en hoeveel hormonen er vrijkomen in het lichaam. Doordat de meeste (hypofyse)-
hormonen de bloed-hersenbarrière passeren, hebben ze een effect op de structuur en
functie van de hersenen.
Afbraak van hormonen vindt plaats in de lever en ze worden via de urine uitgescheiden.
Werking van hormonen
In tegenstelling tot het centrale zenuwstelsel werkt het hormonale systeem op afstand via
het bloed. Dit proces is langzamer.
Transport van hormonen in de bloedbaan vindt plaats via transporteiwitten. Hierin zijn twee
klassen te onderscheiden. De specifieke klasse bindt zich aan één (type) hormoon. De
aspecifieke klasse bindt zich aan meerdere hormoonklassen. Sommige hormonen binden
zich helemaal niet aan transporteiwitten. Deze hormonen behoren tot de biologisch actieve
of vrije fractie.
Weefsels herkennen hormonen door middel van specifieke receptoren. Hormonen binden
zich aan deze receptoren, waarna intracellulair een reactie op gang wordt gezet. Elk
hormoon heeft een specifieke eigen receptor waaraan het bindt. Dit noemen we het sleutel-
slot principe.
Hormonen kunnen de activiteit van cellen vervolgens zowel aanmoedigen of remmen. Ze
hebben dan ook de functie van regulatie van orgaanfuncties en processen. Denk hierbij aan
de stofwisseling, voortplanting, groei en homeostase. Negatieve terugkoppeling speelt in de
regelkringen van hormoonafgifte een belangrijke rol.
3
, Alvleesklier
De alvleesklier ligt achter de maag en heeft twee functies.
1. Het is een exocrien orgaan. Het produceert verteringsenzymen.
2. Het is een endocrien orgaan. De eilandjes van Langerhans (celgroepen in de
alvleesklier) produceren insuline en glucagon.
Insuline
Insuline wordt gemaakt door de bètacellen van de eilandjes van Langerhans. Insuline is het
enige hormoon dat bloedsuiker verlaagt. Insuline stimuleert de formatie van opslagplaatsen
voor energie, zoals glycogeen, eiwitten en lipiden, en onderdrukt de afbraak van deze
opgeslagen voedingsstoffen. De lever, spieren en vetweefsel zijn gespecialiseerd in
energieopslag.
Insuline heeft de volgende metabole effecten:
• Stimuleert glucose-opname in cellen en de omzetting naar glycogeen
• Stimuleert de afbraak van glucose
• Inhibeert gluconeogenese
• Stimuleert het transport van aminozuren naar cellen en stimuleert eiwitsynthese in
spiercellen. Hierdoor zijn er voor gluconeogenese minder aminozuren beschikbaar.
• Verhoogt vetsynthese in de lever en vetweefsel. Verlaagt de niveaus van glycerol, wat
ook als startmateriaal voor gluconeogenese fungeert.
De afgifte van insuline wordt door meerdere factoren gecontroleerd, waaronder
bloedsuikerniveaus, andere hormonen van de eilanden (glucagon) en indirect andere
hormonen die het bloedsuikerniveau veranderen.
Glucagon
Glucagon wordt geproduceerd in de alfacellen van de eilandjes van Langerhans. Het
verhoogt de bloedsuikerniveaus. De functies zijn voor het grootste deel tegenovergesteld
aan insuline. Een verhoging van de bloedglucoseniveaus exciteert dus insuline-afgifte, maar
inhibeert glucagonafgifte.
Diabetes mellitus
Het aantal gevallen van diabetes stijgt fors. Momenteel (2026) hebben meer dan 1,2 miljoen
Nederlanders de ziekte. 90,4% van de Nederlandse diabetespatiënten heeft type 2. Vaak is
het onderdeel van het metabool syndroom, en wordt gezien als een epidemie. Metabool
syndroom verwijst naar een veelheid van metabole stoornissen die voorkomt bij obesitas.
4