en sancties
Aansprakelijkheid
1. Uitgangspunt: ieder draagt zijn eigen schade, tenzij men deze kan
afwentelen op basis van een door het recht erkende grond
a. Wanprestatie, art. 6:74 BW
b. Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW
Lid 1, onrechtmatige daad/gedraging, toerekenbaarheid,
schade en causaliteit (tussen schade en onrechtmatige
gedraging)
Lid 2, criteria voor onrechtmatige gedraging
Inbreuk op een recht (inbreuk op iemand zijn
subjectieve recht)
Voordat we de gevolgtrekking dat het gedrag
onrechtmatig is aan de inbreuk kunnen
verbinden: extra toets (Lindenbergh)
1. Niet elke inbreuk is onrechtmatig, maar
slecht die opzettelijk, rechtstreeks of
direct is
2. Eerst toetsen aan andere criteria: niet
elke schade wordt als inbreuk gezien,
maar alleen indien de gedraging zelf
strijdig is
3. Inbreuk pas onrechtmatig indien
onzorgvuldig: een zelfstandige betekenis
krijgt de inbreuk pas als het gaat om een
exclusieve bevoegdheid
In strijd met een wettelijke plicht
In strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in
het maatschappelijk verkeer betaamt
Als redelijk persoon handelen onder gegeven
omstandigheden
Hangt af van gevaarzetting (HR Kelderluik) –
zorgplicht
Hoedanigheid dader
HR Gedragscode verzekeraars Interpolis
HR NVM Meetinstructie makelaars – in
beginsel koper geen onderzoeksplicht,
tenzij concrete reden voor twijfel:
verklaringen/gedragingen of andere
aanleiding voor twijfel
Lid 3, toerekenbaarheid
Aan zijn schuld
Oorzaak welke krachtens wet/verkeersopvattingen voor
zijn rekening komt
Art. 6:163 BW, relativiteitsvereiste
Gedrag jegens benadeelde moet onrechtmatig zijn
Schade benadeelde moet vallen onder
beschermingsbereik van de norm
Causaal verband
, 6:98 – redelijkheidstoerekening
Multifactorbenadering: gevolg
waarschijnlijker/minder ver verwijderd van
od/verkeers- of veiligheidsnorm met oog op
voorkoming ongevallen/schuld
groter/persoonsschade ipv
zaaksschade/bedrijfsuitoefening ruimere
toerekening
Bewijsprobleem voor benadeelde, tenzij omkeringsregel
(norm geschonden die ertoe strekt specifiek gevaar ter
zake van ontstaan schade te voorkomen, door
schenden norm wordt kans op schade in aanmerkelijke
mate vergroot)
c. Ongerechtvaardigde verrijking, art. 6:212 BW
2. Uitgangspunt: benadeelde zo veel mogelijk terugbrengen in toestand
waarbij geen schade geleden zou zijn
6:97 – begroten op de wijze die het meest met de aard in
overeenstemming is, niet nauwkeurig? Dan geschat
3. Welke schade komt voor vergoeding in aanmerking? (art. 6:95 lid 1 BW)
a. Vermogensschade
o Art. 6:96 lid 1 BW, geschreven voor slachtoffer/benadeelde
Geleden verlies
Gederfde winst
b. Ander nadeel, voor zover de wet op de vergoeding hiervan recht heeft
o Art. 6:106 BW, voor slachtoffer
Smartengeld/immateriële schade
o Art. 6:107 BW
Affectieschade bij derden in verband met ernstig en
blijvend letsel
o Art. 6:108 lid 1 en 2 en 3 BW
Affectieschade, als gekwetste is overleden dan moet derde
levensonderhoud vergoed krijgen
4. Wat is de omvang van de schade?
Peilmoment: moment waarop de schade is ontstaan
o Uitzondering: mogelijkheid voor de rechter om toekomstige
schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen, art.
6:105 lid 1 BW
HR Aardbevingsschade
De wijze waarop schade moet worden vergoed is in geld, art. 6:103 BW
Schade wordt minder indien
o Art. 6:98 BW, niet redelijk vergoeding toe te rekenen? omvang
schade wordt verminderd
o Art. 6:100 BW, als er voordeel is van de schade moet dat
voordeel van de omvang van de schade worden afgehaald
o Art. 6:101 BW, eigen schuld
o Art. 6:109 BW, op grond van rechterlijke matiging wordt omvang
schade verminderd
o Art. 6:110 BW, limitering bij AMvB
Causaliteitsproblemen (geen stappenplan, maar overzicht)