Preston-relatie = soorten-gebied relatie = grotere gebieden bezitten meer soorten.
Lineaire relatie tussen gebied en soortenrijkdom op log – log schaal. Preston-relatie
vindt zowel plaats in bosgebieden, als in graslanden
Aantal soorten = Constante ∙ OppervlakteExponent ; S = c ∙ AZ → log (S) = log (c) + z log (A)
Eilandbiogeografie-theorie
Eilanden = omgevingsomstandigheden in een zee van andere omstandigheden.
BV: meer omringd door bergen ; land omringd door water. Grotere en minder
geïsoleerde gebieden (eilanden) bevatten meer soorten.
• S bevindt zich in evenwicht als immigratie en extinctie elkaar balanceren
• Immigratie neemt af door isolatie (a)
• Extinctie neemt af met oppervlak (b) (meer oppervlakte → meer niches en
individuen → lagere uitsterving)
Combinatie soorten-gebiedscurven en eilandbiogeografie-theorie:
• Soortenrijkdom neemt toe met oppervlakte
• Hoe verder eiland van vasteland, hoe steiler de curve
Grootschalige biodiversiteitspatronen
Gebied hoogste biodiversiteit → rond evenaar. Soorten met hoogste diversiteit rondom evenaar → zoogdieren.
Oorzaken:
• Klimaatvariabiliteit tijdens ijstijden (rond evenaar meeste soorten stabiel)
• Primaire productiviteit van ecosystemen is hoger rond evenaar
• Thermische energie (PET) hoog rondom evenaar: meer energie → meer biomassa → meer individuen
→ meer soorten
Factoren in patronen:
• Thermische energie en primaire productiviteit zijn op macroschaal met elkaar gecorreleerd
• Andere factoren zijn gebied en isolatie (vergelijk bergtoppen met valleien)
• Biodiversiteit wordt gedreven door patronen:
o Alfa-schaal (lokale omgevingsomstandigheden, gebied, isolatie)
o Bèta-schaal (heterogeniteit)
o Mondiale schaal (gradiënten in energie en productiviteit, geologisch historie)
1|Page
,Zonering
Zonering = geleidelijke verandering in de verspreiding van soorten over een habitat. Oorzaak: niche-verandering van
fundamentele niche naar gerealiseerde niche. Gevolg: ontstaan omgevingsgradiënten (meest zichtbaar in vegetatie).
Typen gradiënten: vocht-, licht-, zuurgraad-, zout-, redox-, vuur-, verstorings- en begrazingsdruk-.
Typen niches:
• Ecologische niche = optimale mileugradiënten van soorten
• Fundamentele niche = niche van soorten individueel, zonder interactie met elkaar (a)
• Gerealiseerde niche = niche van soorten na interactie → niche-differentiatie (b)
Habitat-fragmentatie
Habitat = plek waar omstandigheden voldoen aan milieu-eisen van soort → plek waar een soort leeft. Habitats komen
continu of verspreid (in patches) over het landschap voor. Habitat-fragmentatie = proces waarbij groot,
aaneengesloten leefgebied verdeeld wordtin kleinere, geïsoeerde fragmenten, meestal door menselijke activiteiten.
Verminderd habitat-area:
• Soort-gebiedsrelatie (kleinere gebied → minder soorten)
Verhoogde randeffecten:
• Randen zijn gradiënten → specifieke habitat-conditions voor edge species
• Randen beïnvloeden interieur door veranderen conditions diep in patch
• Toename edge species + Afname interior species
Verhoogde isolatie
• Kleine en geïsoleerde plekken
o Bevatten kleine populaties
o Met weinig genenstroom van/naar andere populaties
• Laag aantal individuen en lage genetische variatie
• Kleine en geïsoleerde populaties → kwetsbaar voor extinctie
o Willekeurige uitstervings-gebeurtenissen (weinig individuen)
o Inteelt
o Verandering in milieu (laag aaanpassingsvermogen)
Impact van habitat-verlies en fragmentatie op soortendiversiteit
• Habitat-verlies → altijd negatief effect op diversiteit
• Habitat-fragmentatie → willekeurige effecten op diversiteit
• Combinatie → waarschijnlijk negatief op diversiteit
2|Page
, Connectiviteit
Structuele connectiviteit = connectiviteit van landschap maakt verplaatsing van
organismen tussen leefgebieden mogelijk (afhankelijk van landschap-configuratie)
• Ruimtelijke positie van patches
• Afstanden van patches
• Corridors = verbindingen tussen patches
Functionele connectiviteit = effectieve verspreiding van organismen tussen leefgebieden
in een landschap (afhankelijk van landschap-configuratie en soortspecifieke bewegingscapaciteit)
• Matrix-permabiliteit
• Verspreidingsvermogen van soorten
• Navigatiecapaciteit van soorten
• Corridor-gebruik
Verspreiding
Factoren dierlijke verspreiding:
• Staat/conditie van dier
• Bewegingscapaciteit van dier
• Navigatiecapaciteit
• Externe factoren
• Timing
Factoren plantelijke verspreiding:
• Verspreidingseigenschappen van planten
• Beschikbaarheid van vectoren
• Vectorbewegingskenmerken
• Navigatiecapaciteit
• Externe factoren
• Timing
Metapopulaties
Metapopulatie = populatie die bestaat uit ruimtelijk afzonderlijke subpopulaties die met elkaar verbonden zijn door
verspreiding of verplaatsingen van individuen daartussen. Elke patch heeft zijn eigen populatiedynamiek en is
verbonden met andere patches door verspreiding of beweging van individuen (beweging is gemiddeld).
3|Page