Oorzaken
Het radiculair syndroom kan lumbosacraal of cervicaal voorkomen:
• Lumbosacraal radiculair syndroom (LRS) → L4, L5 & S1
o De meest voorkomende oorzaken zijn een discushernia, tumoren,
degeneratieve veranderingen (spondylose, discusdegeneratie of spinale
stenose), infectie, trauma, congentiale afwijkingen en systemische
aandoeningen (bv. DM).
• Cervicaal radiculair syndroom (CRS) → C6, C7 & C8
o De meest voorkomende oorzaken zijn een discushernia of dengeratieve
verandering.
Er zijn twee soorten discushernia:
• Mediale HNP: een uitstulping aan de binnenkant → drukt op de zenuw die lager
ligt
• Laterale HNP: een uitstulping aan de buitenkant → drukt op bijbehorende zenuw
Symptomen
Een radiculair syndroom geeft uitstralende pijn in één
ledemaat, prikkelingsverschijnselen (paresthesieën)
en neurologische uitvalsverschijnselen
(hypesthesie’hypalgesie, parese, verlaagde reflexen).
Typisch is:
• Uitstraling in één ledemaat
• Dermatomaal patroon
• Pijn is scherp van karakter
• De plaats van de pijn is goed aan te geven
• Pijnklachten zijn houdingsafhankelijk
, • Frequent komt rugpijn ook voor, maar
pijn in het ledemaat staat op de
voorgrond
Alarmsymptomen zijn voornamelijk de
alarmsymptomen van een maligniteit:
• Malaise
• Koorts
• (Ongewild) gewichtsverlies
• Nachtelijke pijn
• Etc.
Risicofactoren
• Grote lichaamslengte
• Zwaar lichamelijk werk
• Mentale stress
• Langdurig roken
• Frequent autorijden
• Genetische aanleg
Diagnose
Tijdens de anamnese staat de pijn in het ledemaat meer op de voorgrond dan de pijn in
de rug. Bij het LO worden links en rechts vergeleken op:
• Hakken en tenen lopen
• Reflexen: APR, KPR, TPR & BPR
• Proef van Lasegue → wordt niet veel gedaan
• Maximale vinger-vloerafstand bij vooroverbuigen → <25 cm? Maakt diagnose
waarschijnlijker
Gradatie van proprioceptieve reflexen
• 0 = afwezige reflex
, • 1 = lage reflexen
• 2 = levendige (normale) reflexen
• 3 = hoge reflexen
• 4 = hoge reflex met clonus
• 5 = hoge reflex met onuitputbare clonus
Na 6 weken of bij alarmsymptomen wordt aanvullend onderzoek gedaan Er wordt dan
een MRI gemaakt om naar de weke delen te kijken. Denk hierbij aan contra-indicaties (bv.
pacemaker, claustrofobie etc.).
Behandeling
Conservatief
Het beleid bestaat uit voorlichting, begeleiding, pijnbestrijding (WHO-pijnladder) en
maatregelen tot behoud of herstel van het dagelijks functioneren met de fysio. Dagelijkse
activiteiten zoveel mogelijk blijven uitvoeren als de klachten dit toelaten. Bedrust mag,
maar zal het herstel niet versnellen. Er kan ook gekeken worden naar
corticosteroïdinjecties. Naast de WHO-pijnladder kunnen ook spierontspanners of
neurpatische pijnstillers, zoals gabapentine en pregabaline, gegeven worden. Je wordt
hier wel slaperig (suf en duizelig) van.
Chirurgisch
Na 6-8 weken klachten wordt gekeken naar een operatie die pas na 12 weken wordt
uitgevoerd. Het is belangrijk om de voor- en nadelen te bespreken. Enkele operaties zijn:
• Microdiscectomie: verwijderen van de herniatie om druk op de zenuwwortel te
verminderen.
• Laminectomie: voor ernstige stenose waarbij een deel van de wervelboog wordt
verwijderd
• Lumbale fusie: vastzetten van twee of meer wervels om zo stabiliteit te bieden.
DERMATOMEN
Het ruggenmerg blijft in vergelijking met de wervelkolom achter in groei, waardoor het
ruggenmerg maar tot aan L1 loopt.
Onder L1 lopen er alleen nog sensibele en motorische spinale zenuwwortels, die als
geheel de cauda equina vormen.
, HNP Radix Pijn (of Parese Parese Verminderde
(frequentie) paresthesieën) reflexen
C5-C6 C6 Laterale M. biceps Flexie elleboog, BPR
(25%) onderarm, dig-1 brachii, extensie pols
extensoren
pols
C6-C7 C7 Onderarm M. triceps Extensie TPR
(60%) anterior, dig-2, brachii, elleboog, flexie
dig-3 extensoren pols, strekken
vingers vingers
C7-TH1 C8 Mediale M. triceps Extensie TPR
(8%) onderarm (dig- brachii, elleboog, flexie
4, dig-5) flexoren vingers
vingers
L3-L4 (10- L4 Knie, mediaal M. vastus Extensie knie KPR
20%) onderbeen medialis
L4-L5 (40- L5 Laterale zijde M. tibialis Dorsaalflexie /
45%) bovenbeen, anterior, voet, Heeft wel een
knie en m. inversie/eversie klapvoet
onderbeen, extensor voet
mediale zijde hallucis
voet, dig-1
L5-S1 (40- S1 Dorsaal Flexoren Plantair flexie APR
45%) bovenbeen, voet en voet
lateraal tenen
onderbeen,
laterale zijde
voet, dig-5
PERIFEER VS CENTRAAL ZENUWSTELSEL
Centraal = brein & ruggenmerg
Perifeer = motorische voorhoorn, zenuwwortel, plexus, perifere zenuw, neuromusculaire
overgang & spieren
Perifeer Centraal
Spierkracht Slappe verlamming Spastische verlamming (+
→ Spier slap en spierspanning verhoogde spierspanning)
verminderd → Spier stijf en strak