Huber et al. (2011) – How should we define health?:
• Probleem met WHO-definitie (1948):
o Gezondheid = “complete fysieke, mentale en sociale welbevinden”.
o Kritiek:
▪ Onrealistisch → bijna niemand is ooit volledig gezond.
▪ Stimuleert medicalisering → steeds meer afwijkingen worden als ziekten
gezien.
▪ Past niet bij huidige ziektenpatroon (mensen leven langer met chronische
ziekten).
▪ “Complete” gezondheid is niet meetbaar of operationeel bruikbaar.
• Veranderde context sinds 1948:
o Toen: vooral acute ziekten, chronische ziekten vaak fataal.
o Nu: veel mensen leven decennia met chronische aandoeningen.
o Gevolg: huidige definitie verklaart deze mensen permanent ongezond, ondanks
mogelijkheden tot goed functioneren.
• Voorstel tot herdefinitie:
o Verschuiving van statische naar dynamische benadering.
o Nieuwe formulering: gezondheid = het vermogen om zich aan te passen en
eigen regie te voeren (self-management) bij fysieke, mentale en sociale
uitdagingen.
o Dit benadrukt veerkracht en coping i.p.v. “volledige afwezigheid van ziekte”.
• Uitwerking in drie domeinen:
o Fysiek: vermogen tot allostasis (lichamelijk evenwicht bewaren en herstellen bij
stress).
o Mentaal: sense of coherence (begrip, hanteerbaarheid en zinvolheid van
situaties).
o Sociaal: vermogen om te participeren en onafhankelijk te functioneren ondanks
beperkingen.
• Ondersteunende voorbeelden:
o Mensen met chronische aandoeningen kunnen zich gezond voelen door goed
zelfmanagement.
o “Disability paradox”: zelfs met beperkingen kan de ervaren kwaliteit van leven
hoog blijven.
• Gevolgen voor beleid en zorg:
o Preventie en beleid moeten meer gericht zijn op coping en functioneren, niet
alleen op overleving.
o Empowerment van patiënten wordt belangrijker dan puur symptoombestrijding.
• Meten van gezondheid:
o Bestaande meetinstrumenten richten zich vooral op functioneren en kwaliteit
van leven.
, o Nieuwe instrumenten nodig om adaptief vermogen en veerkracht te meten.
• Conclusie:
o De WHO-definitie is verouderd en contraproductief.
o Voorstel: gezondheid als het vermogen tot aanpassing en zelfmanagement →
een dynamisch en meetbaar concept, beter passend bij de 21e eeuw.
De definitie volgens de WHO is
Een toestand van volledig fysiek, mentaal en maatschappelijk welbevinden, en niet louter de
afwezigheid van ziekte of gebrek.
Huber et al. stelt met het concept positieve gezondheid het volgende: Gezondheid als het
vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en
emotionele uitdagingen van het leven.
Domeinen positieve gezondheid
Bedenk een situatie waaruit blijkt dat het concept positieve gezondheid nog niet altijd
gehanteerd wordt binnen het Nederlandse zorgsysteem.
Voorbeelden van situaties zijn:
• Een arts in het ziekenhuis kijkt vaak alleen naar de symptomen van een aandoening en
bestrijdt deze (fysieke lichaamsfunctie). De meeste aandacht gaat naar de complicaties
van de aandoening. Er wordt relatief weinig aandacht besteed aan de kwaliteit van leven
en hoe iemand kan blijven functioneren ondanks de aandoening.
,• Zorgpaden liggen vaak al vast en de patiënt heeft geen inspraak op wanneer ze welke
hulpverlener kunnen spreken. Zelf de regie voeren gaat in deze gevallen dus niet op. Er is
dan dus geen gevoel van controle (dimensie van positieve gezondheid: mentaal
welbevinden).
,Huber et al. (2016) – Towards a ‘patient-centred’ operationalisation of the new dynamic
concept of health:
• Achtergrond:
o De WHO-definitie van gezondheid (volledig fysiek, mentaal en sociaal
welbevinden) werd als te statisch en onrealistisch ervaren.
o In 2011 stelden Huber en collega’s een nieuw concept voor: gezondheid = het
vermogen zich aan te passen en eigen regie te voeren bij sociale, fysieke en
emotionele uitdagingen.
• Doel van de studie (2016):
o Onderzoeken hoe stakeholders dit nieuwe concept waarderen.
o Indicatoren van gezondheid verzamelen en categoriseren, zodat het concept
meetbaar kan worden.
• Methode:
o Stap 1 – Kwalitatief: 140 stakeholders (artsen, patiënten, beleidsmakers, etc.)
via interviews en focusgroepen.
o Stap 2 – Kwantitatief: online survey met 1938 deelnemers uit zeven
stakeholdergroepen.
• Resultaten:
o Positief gewaardeerd: nadruk op veerkracht, zelfmanagement, en dat mensen
meer zijn dan hun ziekte.
o Kritiek: concept is breed, vraagt veel persoonlijke verantwoordelijkheid, risico
dat echte ziekte onderbelicht raakt.
o Indicatoren: 556 signalen van gezondheid → gegroepeerd in zes dimensies:
1. Lichamelijke functies.
2. Mentale functies en perceptie.
3. Spiritueel/existentiële dimensie.
4. Kwaliteit van leven.
5. Sociale en maatschappelijke participatie.
6. Dagelijks functioneren.
o Stakeholderverschillen:
▪ Patiënten: vinden alle zes dimensies belangrijk (brede kijk).
▪ Artsen: nauwere, biomedische focus (vooral lichamelijke functies).
▪ Artsen met een chronische ziekte waarderen spirituele en sociale
dimensies meer.
• Conclusie:
o Het concept wordt breed gesteund, vooral door patiënten.
o Voorstel: gebruik de term ‘positieve gezondheid’ om verwarring met de oude
definitie (afwezigheid van ziekte) te voorkomen.
o Deze brede visie kan bijdragen aan gedeelde besluitvorming, betere
communicatie en verbinding van zorg met het sociale domein.
,Geoffrey Rose – Sick individuals and sick populations (1985/2001 heruitgave):
• Twee soorten oorzaken in epidemiologie:
1. Causes of cases → waarom krijgt een individu een ziekte?
2. Causes of incidence → waarom komt een ziekte vaker voor in de ene populatie
dan in de andere?
• Individueel vs. populatieniveau:
o Binnen een populatie: onderzoek richt zich vaak op risicofactoren (bv. genetica,
gedrag) die verschillen tussen individuen verklaren.
o Tussen populaties: verschillen worden meestal bepaald door omgevings- en
gedragsfactoren die het gemiddelde van de hele groep verschuiven (bv. dieet,
zoutinname, roken).
o Voorbeeld: bloeddruk varieert bij Keniaanse nomaden en Londense ambtenaren,
maar hypertensie komt alleen veel voor in Londen → verschil zit in de
populatieomgeving, niet in individuen.
• Preventiestrategieën:
1. High-risk strategy (gericht op individuen met hoog risico).
▪ Voordelen: passend bij de patiënt, motiveert arts en patiënt,
kosteneffectief, gunstige risico-batenverhouding.
▪ Nadelen: kostbaar en lastig (screening), palliatie i.p.v. aanpak van
oorzaken, beperkte impact, gedragsmatig moeilijk vol te houden, vaak
misclassificatie van risico.
▪ In de high-risk strategy worden mensen met een hoog risico op een
bepaalde aandoening gescreend. Zo kan de aandoening in een vroeg
stadium behandeld worden met een interventie of therapie specifiek op
deze persoon gericht. Iemand met overgewicht kan bijvoorbeeld door de
huisarts verdacht worden van een te hoog cholesterol. Als dit uit een
bloedtest inderdaad naar voren komt, krijgt deze persoon vervolgens
dieetadviezen en medicijnen voorgeschreven om het hoge cholesterol te
verlagen. In de high-risk strategy wordt dus niet iedereen benaderd,
alleen diegenen die een vaststaand hoger risico lopen om ziek te worden.
2. Population strategy (gericht op de hele populatie, verschuiven van de
risicofactorverdeling).
▪ Voordelen: radicaal (pakt oorzaken aan), groot potentieel voor
volksgezondheid, gedragsmatig passend (nieuwe normen).
▪ Nadelen: klein voordeel per individu → prevention paradox, lage motivatie
bij individu en arts, risico op bijwerkingen van maatregelen.
▪ In de population strategy wordt er geprobeerd om een bepaalde
aandoening op het gehele populatieniveau te voorkomen, ongeacht
iemands persoonlijk risico op deze aandoening. In het voorbeeld van de
preventie van hoog cholesterol kan op populatieniveau worden gedacht
aan de schijf van vijf van het Voedingscentrum. Het stimuleren van het
eten van gezonde voeding via deze weg richt zich op de gehele bevolking,
dus ook mensen die nog geen verhoogd risico hebben
• Belangrijk inzicht:
o Individueel onderzoek en high-risk strategie vinden vooral markers van
vatbaarheid, maar missen vaak de echte oorzaken van incidentie.
o Voor duurzame gezondheidswinst moet de focus liggen op populatiestrategieën
die de oorzaken van incidentie wegnemen.
,o Beide strategieën zijn nodig, maar prioriteit ligt bij de populatie-aanpak.
,Zorgverzekeringswet (Zvw):
• Algemeen
o Iedereen die in Nederland woont of werkt, moet een zorgverzekering afsluiten.
o Zorgverzekeraars voeren de Zvw uit, zorgaanbieders leveren zorg van goede
kwaliteit.
o Het basispakket bepaalt welke zorg vergoed wordt.
• Solidariteit
o Iedereen betaalt mee via premies en belastingen, ongeacht leeftijd, gezondheid
of leefstijl.
o Jongeren betalen mee aan zorg voor ouderen en andersom.
• Uitgangspunten van de Zvw
o Inhoud basispakket wordt jaarlijks door de overheid bepaald.
o Acceptatieplicht: verzekeraar moet iedereen accepteren.
o Premie is gelijk, ongeacht persoonlijke situatie.
o Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht (goede, tijdige, toegankelijke zorg).
o Vrije keuze van verzekeraar en jaarlijks overstappen mogelijk.
• Basispakket
o Zorg moet voldoen aan drie criteria:
1. Plegen te bieden (zorg volgens beroepsrichtlijnen).
2. Stand van wetenschap en praktijk (bewezen effectief en veilig).
3. Alleen voor wie redelijkerwijs aangewezen is op zorg.
o Voorbeelden: huisartsenzorg, medisch-specialistische zorg, GGZ, verloskunde,
paramedische zorg, mondzorg, geneesmiddelen, hulpmiddelen, kraamzorg,
verpleging en verzorging, verblijf en vervoer.
o Sommige zorg wordt gedeeltelijk vergoed (bv. fysiotherapie, mondzorg).
o Basispakket is open omschreven → zorg wordt vergoed zodra bewezen effectief.
o Gesloten deel: extramurale en dure specialistische geneesmiddelen →
Zorginstituut beoordeelt en adviseert de minister.
• Financiering
o Via inkomensafhankelijke bijdrage, nominale premie, zorgtoeslag, eigen bijdrage
en eigen risico.
o Geld komt in het Zorgverzekeringsfonds, deels aangevuld door overheid voor <18
jaar.
o Risicoverevening: compensatie voor verzekeraars met veel zorgintensieve
verzekerden.
• Rol zorgverzekeraar
o Bepaalt of zorg onder de polis valt en koopt zorg in.
o Heeft acceptatieplicht en zorgplicht.
o NZa houdt toezicht.
• Zorgpolis
o Legt rechten en plichten van verzekerde vast.
o Soorten:
▪ Naturapolis (zorg via gecontracteerde aanbieders).
▪ Restitutiepolis (vrije keuze zorgverlener).
▪ Combinatiepolis (mix van beide).
o Aanvullende verzekering mogelijk (geen acceptatieplicht).
• Klachten
o Mogelijk over vergoeding, kwaliteit of zorgaanbieder.
, o Vastgelegd in Wkkgz (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).
• Rol Zorginstituut Nederland
o Zorgt dat alleen bewezen effectieve zorg in het basispakket komt.
o Adviseert de minister van VWS, die het uiteindelijke besluit neemt.
Geef een korte omschrijving van de drie systeemdoelen van een zorgsysteem en geef aan hoe
volgens jou de Zorgverzekeringswet in Nederland voorziet in de systeemdoelen.
• Toegankelijkheid
Omschrijving toegankelijkheid
Een zorgsysteem is goed toegankelijk als iedereen die behoefte heeft aan zorg, er ook
daadwerkelijk gebruik van kan maken, binnen een redelijk termijn en tegen redelijke kosten.
Zorgverzekeringswet
Iedereen die in Nederland woont of werkt heeft recht op zorg uit het basispakket. Alle burgers
zijn zelfs verplicht om een zorgverzekering af te sluiten.
• Kwaliteit
Omschrijving kwaliteit
Voor een goede kwaliteit van zorg is het van belang dat behandelingen effectief, veilig en
patiëntgericht zijn. Een ander onderdeel van kwaliteit is doelmatigheid, de balans tussen
effectiviteit en kosten van een behandeling.
Zorgverzekeringswet
De zorgverzekering vergoedt in de regel alleen zorg die effectief en veilig is. Dit wordt beoordeeld
door Zorginstituut Nederland. Daarnaast behouden patiënten hun eigen regie doordat ze hun
eigen zorgverzekeraar en zorgverzekering kunnen kiezen. Zorg wordt alleen in het basispakket
opgenomen zodra zorgpartijen het erover eens zijn dat deze zorg effectief is en voldoet aan de
'stand van de wetenschap en praktijk'. Dit systeem zorgt ervoor dat nieuwe, effectieve
behandelmethodes snel kunnen worden opgenomen in het basispakket, terwijl verouderde of
ineffectieve behandelingen kunnen worden uitgesloten.
• Betaalbaarheid
Omschrijving betaalbaarheid
De betaalbaarheid van een zorgsysteem heeft betrekking op de vraag of een land voldoende geld
kan vrijmaken voor financiering van de gezondheidszorg.
Zorgverzekeringwet
Onder andere door de toenemende vergrijzing lopen de zorgkosten op. Op overheidsniveau
wordt geprobeerd het zorgsysteem betaalbaar te houden doordat het systeem ruimte biedt voor
(gereguleerde) marktwerking tussen de zorgverzekeraars en zorgverleners. Daarnaast probeert
de overheid afspraken te maken met bepaalde farmaceuten om de kosten van geneesmiddelen
te beperken. Op individueel gebied is er de zorgtoeslag voor mensen met een laag inkomen of
geen inkomen als een financiële compensatie voor de zorgpremie die ze betalen.