H1 Inleiding
Kernbegrippen
• Volksgezondheid: de gezondheidstoestand van een bevolking, gedefinieerd als ‘omvang
en spreiding van gezondheid en ziekte in de bevolking’.
• Zorgsysteem: het geheel van mensen, organisaties en middelen in de gezondheidszorg,
gericht op het verbeteren, herstellen of instandhouden van gezondheid van individuen en
de bevolking.
• Soicale geneeskunde: de geneeskundige specialisaties met een primaire focus op de
volksgezondheid en het zorgsysteem.
Theorieën en methoden
• Public health: vakgebied dat de volksgezondheid beschrijft, analyseert en verbetert.
• Definitie: "The science and art of preventing disease, prolonging life and promoting
health through the organized efforts of society."
• Paradigma public health:
➢ Gezondheidsproblemen zijn grotendeels terug te voeren op omgevingsinvloeden.
➢ Deze invloeden worden zichtbaar door populaties met elkaar te vergelijken.
➢ Omgevingsinvloeden vormen het primaire aangrijpingspunt voor verbetering van de
volksgezondheid.
• Gezondheidszorgsysteem moet bijdragen aan gezondheid van individu én populatie
door:
➢ Toegankelijkheid
➢ Kwaliteit
➢ Betaalbaarheid
• Deze drie aspecten heten de systeemdoelen.
Feiten
• Kennis van volksgezondheid en gezondheidszorg draagt bij aan kerncompetenties van
artsen volgens het Raamplan 2020 (o.a. maatschappelijk handelen).
• In Nederland zijn er momenteel ruim 3000 artsen met een sociaalgeneeskundige
specialisatie.
➢ Deze zijn verdeeld over twee domeinen:
➢ Maatschappij en Gezondheid
o Profielen: jeugdgezondheidszorg, infectieziektebestrijding
➢ Arbeid en Gezondheid
o Specialisaties: bedrijfsgeneeskunde, verzekeringsgeneeskunde
,1.2 Langer leven én een langer leven in goede gezondheid
• De wereldbevolking is nog nooit zo gezond geweest; de volksgezondheid verbetert jaar na
jaar.
• Volksgezondheid = de gezondheidstoestand van een bevolking, gedefinieerd als de
omvang en spreiding van gezondheid en ziekte.
• Sterfte is van oudsher de belangrijkste indicator, omdat sterftegegevens al lang
beschikbaar zijn (veel langer dan ziektegegevens).
• In 1850 was de gemiddelde levensverwachting in hoge-inkomenslanden ± 40 jaar.
• In 2025 is dit verdubbeld tot ± 80 jaar.
• Prognose RIVM: in 2040 stijgt de levensverwachting verder naar ruim 85 jaar.
• De extra jaren die Nederlanders leven zijn niet allemaal in goede gezondheid.
• Ook het aantal jaren met een chronische aandoening neemt naar verwachting in
hetzelfde tempo toe.
• Dit roept de vraag op: wat is de waarde van de extra levensjaren?
• Mogelijke oplossingsrichtingen:
o Meer investeren in zorg voor mensen die ziek zijn.
o Meer aandacht voor preventie om ziekte te voorkomen.
• Voor beantwoording is overeenstemming nodig over wat gezond en ziek betekenen.
Kader 1 – Definities van gezondheid, ziekte en functioneren
Gezondheid:
• Medische definitie:
o Gezondheid = afwezigheid van ziekte.
o Kritiek: doet geen recht aan verschillen in functioneren en welbevinden bij
mensen mét ziekte.
• WHO-definitie (1948):
o Gezondheid = toestand van volledig fysiek, mentaal en maatschappelijk
welbevinden, niet alleen afwezigheid van ziekte.
o Meerwaarde: benadrukt meerdere dimensies (fysiek, mentaal, sociaal).
o Kritiek: bijna niemand is ‘volledig’ gezond → kan leiden tot medicalisering.
• Dynamische definitie huber et al (‘positieve gezondheid’, rond 2010 in Nederland):
o Gezondheid = vermogen om zich aan te passen en eigen regie te voeren bij
sociale, lichamelijke en emotionele uitdagingen.
o Nadruk: functioneren ondanks ziekte.
o Kritiek:
▪ Te veel focus op functioneren, weinig aandacht voor de last van ziekte
zelf.
▪ Niet iedereen kan ‘eigen regie’ nemen (beperkte kennis, vaardigheden of
middelen).
,Ziekte:
• Ziekte kent verschillende betekenissen – zichtbaar in een citaat van een respondent.
• Drie dimensies van ziekte (Engelse termen):
o Disease (medische diagnose): aanwezigheid van een aandoening vastgesteld
door artsen (bv. slechthorendheid, spierziekte, migraine).
o Illness (ziektebeleving): subjectieve ervaring van ziekte, zoals pijn, klachten of
onwelbevinden.
o Sickness (ziektegedrag): manier waarop iemand met de ziekte omgaat in het
dagelijks leven (bv. doorgaan met activiteiten of verzuimen van werk).
• Belangrijk inzicht: deze dimensies kunnen verschillend uitpakken binnen één persoon.
o Voorbeeld: iemand kan meerdere diagnoses en pijn hebben, maar zich toch niet
volledig beperkt voelen in functioneren.
Functioneren:
• Functioneren kan worden onderverdeeld in drie niveaus:
o Stoornis: uitval van lichamelijke structuren (organen, ledematen) of functies
(spraak, immuniteit).
▪ Voorbeeld: leverontsteking → leverfunctiestoornis; artrose →
gewrichtsschade.
o Activiteitenbeperking: beperking in het uitvoeren van activiteiten door een
stoornis.
▪ Voorbeeld: leverfunctiestoornis → niet alles kunnen eten; heupstoornis →
beperkingen bij lopen.
o Participatierestrictie: verminderde deelname aan maatschappelijke activiteiten
(werk, sociale contacten).
▪ Voorbeeld: moeilijker sporten in clubverband door loopbeperkingen.
▪ Verouderde term: ‘handicap’.
• ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health): wordt
gebruikt voor classificatie van stoornissen, beperkingen en participatierestricties.
• Overkoepelende term in dit boek: gezondheidsproblemen = ziekten + ziektebeleving +
problemen in dagelijks functioneren.
Public health:
• Public health = vakgebied dat de volksgezondheid beschrijft, analyseert en maatregelen
neemt om deze te verbeteren.
• In het Nederlands bestaat geen term die beide elementen volledig dekt → daarom blijft
public health onvertaald.
• Twee gerelateerde Nederlandse termen:
o Publieke gezondheid: gezondheidstoestand van de bevolking.
o Publieke gezondheidszorg: organisaties die werken aan het verbeteren van
volksgezondheid en het bevorderen van gelijke kansen op gezondheid.
,Public health en determinanten van volksgezondheid:
• Public health
o Definitie: the science and art of preventing disease, prolonging life and
promoting health through the organized efforts of society.
o Doel: mensen niet alleen ouder laten worden, maar ook meer jaren in goede
gezondheid laten leven.
• Het paradigma (samenhangend geheel van theorieën en modellen) van public health
bestaat uit drie ideeën.
1. De gezondheid van een populatie is voor het grootste deel te begrijpen uit de
blootstelling van die populatie aan ongunstige omgevingsinvloeden.
2. Deze ongunstige omgevingsinvloeden worden zichtbaar door populaties uit
verschillende omgevingen met elkaar te vergelijken.
3. Om gezondheidsproblemen in een populatie te voorkomen of te verhelpen,
moet de omgeving zo worden ingericht dat die de gezondheid van de populatie
zo goed mogelijk bevordert.
• Determinanten van volksgezondheid (figuur 1.1):
o Gedrag → 30% (bv. roken, voeding, inactiviteit).
o Sociale, economische en fysieke omgeving → 40% (bv. opleidingsniveau,
welvaartsniveau).
o Medische zorg → 20% (curatieve zorg).
o Genetische factoren → 10%.
,• Belangrijk inzicht:
o Volksgezondheid wordt voor 80% bepaald door andere factoren dan
gezondheidszorg.
o Gezondheidsgedrag en leefomstandigheden hebben de grootste impact.
o Factoren beïnvloeden elkaar:
▪ Gedrag → biologische risicofactoren (bv. voeding → hypertensie).
▪ Economische omgeving → gezondheidsgedrag (bv. goedkope ongezonde
voeding).
• Implicatie voor beleid:
o Focus moet liggen op preventie en het verbeteren van omstandigheden & gedrag.
o Alleen inzetten op gezondheidszorg = dweilen met de kraan open.
,1.3 Hoe verkleinen we ongelijke kansen op gezondheid, in Nederland en wereldwijd?
• Gezondheidsverschillen binnen Nederland:
o Vrouwen leven gemiddeld 3 jaar langer dan mannen.
o Inwoners Zeeland leven ±2 jaar langer dan in Groningen/Zuid-Limburg.
o Mensen zonder middelbareschooldiploma leven ±6 jaar korter dan mensen met
hbo/wo.
• Gezondheidsverschillen wereldwijd:
o Lage- en middeninkomenslanden: veel infectieziekten (onveilig water, slechte
sanitaire voorzieningen).
o Hoge-inkomenslanden: vooral niet-overdraagbare aandoeningen (hart- en
vaatziekten, kanker) door westerse levensstijl.
o Westerse levensstijl neemt ook toe in lage- en middeninkomenslanden →
groeiend probleem daar.
• Belangrijke conclusie:
o Meer curatieve zorg = niet de oplossing om gezondheidsverschillen te verkleinen.
o Oplossing: inzicht krijgen in omgevingsfactoren en de omgeving zó inrichten dat
gelijke kansen op gezondheid ontstaan.
• Paradigma van public health (drie ideeën):
1. Gezondheid van een populatie wordt grotendeels bepaald door fysieke en sociaal-
economische omgevingsinvloeden.
2. Begrip van deze invloeden vraagt om vergelijking met andere
populaties/omgevingen.
3. Preventie = omgeving inrichten zodat die de gezondheid maximaal bevordert.
Paradigma van de public health:
• Kern van het paradigma:
1. Gezondheidsproblemen zijn grotendeels terug te voeren op blootstelling aan
omgevingsinvloeden.
2. Deze invloeden worden zichtbaar door populaties met elkaar te vergelijken.
3. Omgevingsinvloeden vormen het primaire aangrijpingspunt voor
gezondheidsverbetering.
• Geoffrey Rose (1985): Sick individuals and sick populations
o Oorzaken van ziekte bij individuen (causes of cases) ≠ oorzaken van hoge
ziekteprevalentie in populaties (causes of incidence).
o Voorbeeld: overgewicht
▪ Individu: disbalans tussen energie-inname en energieverbruik (gedrag,
psychologische, genetische factoren).
▪ Populatie: sterke toename door omgevingsveranderingen (meer
welvaart, minder fysieke arbeid, opkomst auto’s/TV/computers, groter
aanbod fastfood).
• Omgevingsinvloeden – voorbeelden:
o Fysieke en sociaal-economische omgeving: leefstijl, technologie,
voedselomgeving.
o Global health: schoon en veilig drinkwater.
▪ ±25% wereldbevolking heeft hier geen toegang toe → leidt tot
infectieziekten en ondervoeding.
, ▪ Oorzaken: gebrekkige infrastructuur, verergerd door klimaatverandering
(droogte, dalend grondwaterpeil).
Vergelijking van populaties:
• Individuen binnen één populatie
o Worden blootgesteld aan dezelfde omgeving → omgevingsinvloeden zijn daardoor
lastig zichtbaar bij vergelijking van individuen.
o Voorbeeld: toegenomen aanbod van fastfood → verklaart niet waarom het ene
individu wel en het andere geen overgewicht heeft binnen dezelfde populatie.
• Omgevingsinvloeden worden zichtbaar door vergelijking van populaties:
o In de tijd:
▪ Rotterdam (2005–2020): aantal fastfoodlocaties ↑ 40%.
▪ Stijging sterker in minder welgestelde buurten (+57%) dan in welgestelde
(+17%).
o Tussen landen / migratie:
▪ Ghanese migranten in Amsterdam → meer overgewicht dan bevolking in
Ghana.
▪ Oorzaak: obesogene omgeving in Amsterdam (meer ongezonde voeding,
minder bewegingsmogelijkheden).
o Tussen steden:
▪ Vergelijking Amsterdam, Londen en Berlijn:
▪ Overgewicht onder mensen van Ghanese afkomst hoger in Berlijn
en Londen.
▪ Reflecteert hogere prevalentie in de algemene bevolking van die
steden.
Veranderen van omgeving als oplossing:
• Volksgezondheidsproblemen = vaak gevolg van omgevingsfactoren
o Oplossing: omgeving gezonder maken.
o Voorbeelden:
▪ Accijns op suikerhoudende dranken en vetrijke voeding → gezondere
voedselomgeving.
▪ Autoluwe gebieden in steden → stimuleren van actief transport (fietsen,
lopen).
• Individuele behandeling alleen is onvoldoende
o Zonder verandering van de omgeving blijft een ongezonde omgeving een
bedreiging.
o Vergelijking (The Lancet): cholerapatiënten genezen, maar terugsturen naar
omgeving met besmet water = dweilen met de kraan open.
o Bij overgewicht: individuele begeleiding kan helpen, maar blijvend resultaat
zonder omgevingsaanpassing is onrealistisch.
o Conclusie: mix van interventies nodig (omgeving + individuele
begeleiding/voorlichting).
• Preventieve maatregelen gericht op omgeving → brede samenwerking nodig
o Betrokken actoren: overheid (landelijk, lokaal), scholen, bedrijven,
zorgorganisaties, etc.
o Dit zijn de “organized efforts of society” (definitie public health).
, • Internationale dimensie
o VN-lidstaten namen in 2015 de Sustainable Development Goals (SDG’s) aan.
o Doel: in 2030 een duurzame wereld bereiken.
o Grote relevantie voor volksgezondheid: gezondheid & welzijn, armoede- en
hongerbestrijding, ongelijkheid terugdringen.
o Publieke en private partijen wereldwijd werken hieraan.
1.4 Ons zorgstelsel: steeds meer patiënten, steeds minder zorgprofessionals, en niet meer
te betalen?
• Stijgende zorguitgaven:
o Van 5,6% van het bbp (1972) → 10,2% (2022).
o Kosten groeien harder dan de economie.
o Oorzaken:
▪ Demografische ontwikkelingen (bevolkingsgroei, vergrijzing).
▪ Uitbreiding diagnostische en therapeutische mogelijkheden.
• Schaarste aan zorgprofessionals:
o Meer ouderen met zorgbehoefte ↔ minder werkenden die zorg kunnen leveren.
o Gevolg: steeds meer patiënten, steeds minder personeel, hogere kosten.
• Belangrijke vraagstukken:
o Hoe balans vinden tussen stijgende zorgvraag en beperkte middelen?
o Risico’s:
▪ Onbehandelbare patiënten door budgettekorten.
▪ Toenemende wachtlijsten.
▪ Zorg afhankelijk van financiële draagkracht (portemonnee).
▪ Inperking beslissingsvrijheid artsen door externe financiële
overwegingen.
▪ Toenemende regeldruk door kwaliteitsbewakingssystemen.
• Analyse vanuit systeem-perspectief:
o Zorgsysteem = geheel van mensen, organisaties en middelen gericht op
gezondheid van de bevolking.
o Mensen: artsen, verpleegkundigen, zorgprofessionals, beleidsmakers, politici.
o Organisaties: ziekenhuizen, huisartsen, patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars,
gemeenten.
o Middelen: financieel, materieel (gebouwen, medische apparatuur).
kernbegrip Zorgsysteem:
• Definitie zorgsysteem:
o Geheel van mensen, organisaties en middelen in de gezondheidszorg.
o Gericht op verbeteren, herstellen of instandhouden van gezondheid van
individuen en de bevolking.
• Verschillen tussen landen:
o Historisch gegroeid.
o Nederland: gereguleerde marktwerking.
▪ Zorgaanbieders concurreren deels binnen wettelijke kaders.
▪ Financiering: verplichte premies door burgers.