Het rationele perspectief
3 realiteiten
- Objectieve werkelijkheid: meetbare feiten
- Subjectieve werkelijkheid: persoonlijke ervaingen
- Intersubjectieve werkelijkheid: sociaal gecreëerde realiteit
o Objectief: regels en afspraken
o Subjectief: interpretaties
Definities organisatie
- Organisatie = groep mensen die samen werkt binnen een formeel kader om doelen te
bereiken. Er zijn regels, afspraken en structuren die de samenwerking organiseren.
- Organisatiewetenschap = het bestuderen van organisaties d.m.v. theorie, methodes en
richtlijnen om te kijken hoe ze functioneren, welke structuren effectief zijn en hoe ze
aangepast kunnen worden
- Organiseren = opzetten van een organisatie en taken verdelen. Het structureren van de
samenwerking tussen mensen en middelen om doelen te bereiken.
- Organisatiestructuur = formele opbouw van organisatie, hoe taken zijn verdeeld en
besluitvorming plaatsvindt.
o Hiërarchische structuur; duidelijke leidinggevenden en ondergeschikten
o Platte structuur: weinig lagen, veel samenwerking tussen medewerkers
- Organisatieontwikkeling = aanpassen en verbeteren van de organisatiestructuur en
werkwijzen om beter te zijn, zodat organisatie flexibel en effectief blijft.
Elementen van organisatie
= 5 elementen bepalen hoe de organisatie functioneert. Ze beïnvloeden elkaar en veranderen
voortdurend
1. structuur
= hoe is organisatie opgebouwd en hoe werken mensen samen?
- Formele structuur: vastgelegde regels, procedures, hiërarchie
- Informele structuur: persoonlijke relaties en interacties tussen medewerkers.
2. mensen
= houding en gedrag beïnvloeden de organisatie
- Attitude en ambitie: motivatie en betrokkenheid van werknemers
- Normen en waarden: wat vinden mensen belangrijk en hoe ze met elkaar om
- Leiderschap: manier waarop leiding wordt gegeven en hoe dit invloed heeft
3. doelen
= het doel wordt beïnvloed door mensen in de organisatie
- Organisatiedoel: formele missie en visie van de organisatie
- Persoonlijke doelen: wat medewerkers individueel willen bereiken
o Wanneer deze botsen, kunnen spanningen/uitdagingen vormen
4. technologie
= om efficiënter te werken
- Instrumenten en machines: helpt bij productie of dienstverlening
- Automatisering en digitalisering: ondersteunen en verbeteren werkprocessen
, 5. omgeving
= organisatie wordt beïnvloed door externe factoren. Denk aan klanten, leveranciers, concurrenten
en partners.
Het past zich ook continu aan aan veranderende omstandigheden, zoals technologische innovaties;
veranderingen in de markt of economie; interne aanpassingen; veranderende behoeften en doelen
van medewerkers
Organisatieprocessen
1. Input
Middelen zoals personeel, materiaal, informatie, kapitaal en infrastructuur. Dit is de
grondstof
2. Throughput
Activiteiten om input om te zetten tot output. Bijv. het verlenen van zorg.
o Besturingsprocessen: sturing en besluitvorming (management en strategie)
o Ondersteunende processen: HR, IT, administratie
o Primair proces: kernactiviteit van organisatie (productie of dienstverlening)
3. Output
Het resultaat dat aan de klanten wordt geleverd
(4. outcome)
= de mate waarin output daadwerkelijk behoeften van klanten bevredigt.
Efficiëntie = verhouding tussen input en output
Effectiviteit = mate waarin de organisatie het gewenste resultaat behaald met de output. Dus
daadwerkelijke impact op klant.
Succesvolle organisatie
- Duidelijke missie en visie: moet richting geven en actief werken aan de realisatie ervan
- Efficiënte en doelgerichte output: inspelen op klantbehoeften voor bestaansrecht en
relevantie in de markt
- Interne samenhang en alignement: iedereen in dezelfde richting werken en dezelfde doelen
hebben voor een sterke en coherente organisatiecultuur
Organisatiestructuren
= bepalen hoe taken, verantwoordelijkheden en communicatie binnen een organisatie worden
georganiseerd. Voor het ontwerpen:
1. Stabiliteit vs flexibiliteit
- Stabiliteit: organisatie moet duidelijk en consistent zijn. Medewerkers weten wat hun taken
zijn, processen zijn gestroomlijnd. Zo is er geen chaos en kunnen doelen worden nagestreefd.
- Flexibiliteit: organisatie moet voldoende aanpassen op veranderingen in de omgeving, zoals
wetgevingen, klantbehoeften of technologische ontwikkelingen.
o Balans: te rigide is moeite met aanpassen en te flexibel is inefficiënt en onduidelijk in
rollen en verantwoordelijkheden.
2. Interne focus vs externe focus
- Interne focus: duidelijke taakverdelingen voor verantwoordelijkheid, gezagsrelaties in
hiërarchie, goede samenwerking en overleg, ondersteunende processen.
- Externe focus: duidelijke positionering naar de buitenwereld, doelgroepen hebben, overheid
en partners voor samenwerking en financiering, reputatie en herkenbaarheid dmv identiteit.
Geschiedenis
3 realiteiten
- Objectieve werkelijkheid: meetbare feiten
- Subjectieve werkelijkheid: persoonlijke ervaingen
- Intersubjectieve werkelijkheid: sociaal gecreëerde realiteit
o Objectief: regels en afspraken
o Subjectief: interpretaties
Definities organisatie
- Organisatie = groep mensen die samen werkt binnen een formeel kader om doelen te
bereiken. Er zijn regels, afspraken en structuren die de samenwerking organiseren.
- Organisatiewetenschap = het bestuderen van organisaties d.m.v. theorie, methodes en
richtlijnen om te kijken hoe ze functioneren, welke structuren effectief zijn en hoe ze
aangepast kunnen worden
- Organiseren = opzetten van een organisatie en taken verdelen. Het structureren van de
samenwerking tussen mensen en middelen om doelen te bereiken.
- Organisatiestructuur = formele opbouw van organisatie, hoe taken zijn verdeeld en
besluitvorming plaatsvindt.
o Hiërarchische structuur; duidelijke leidinggevenden en ondergeschikten
o Platte structuur: weinig lagen, veel samenwerking tussen medewerkers
- Organisatieontwikkeling = aanpassen en verbeteren van de organisatiestructuur en
werkwijzen om beter te zijn, zodat organisatie flexibel en effectief blijft.
Elementen van organisatie
= 5 elementen bepalen hoe de organisatie functioneert. Ze beïnvloeden elkaar en veranderen
voortdurend
1. structuur
= hoe is organisatie opgebouwd en hoe werken mensen samen?
- Formele structuur: vastgelegde regels, procedures, hiërarchie
- Informele structuur: persoonlijke relaties en interacties tussen medewerkers.
2. mensen
= houding en gedrag beïnvloeden de organisatie
- Attitude en ambitie: motivatie en betrokkenheid van werknemers
- Normen en waarden: wat vinden mensen belangrijk en hoe ze met elkaar om
- Leiderschap: manier waarop leiding wordt gegeven en hoe dit invloed heeft
3. doelen
= het doel wordt beïnvloed door mensen in de organisatie
- Organisatiedoel: formele missie en visie van de organisatie
- Persoonlijke doelen: wat medewerkers individueel willen bereiken
o Wanneer deze botsen, kunnen spanningen/uitdagingen vormen
4. technologie
= om efficiënter te werken
- Instrumenten en machines: helpt bij productie of dienstverlening
- Automatisering en digitalisering: ondersteunen en verbeteren werkprocessen
, 5. omgeving
= organisatie wordt beïnvloed door externe factoren. Denk aan klanten, leveranciers, concurrenten
en partners.
Het past zich ook continu aan aan veranderende omstandigheden, zoals technologische innovaties;
veranderingen in de markt of economie; interne aanpassingen; veranderende behoeften en doelen
van medewerkers
Organisatieprocessen
1. Input
Middelen zoals personeel, materiaal, informatie, kapitaal en infrastructuur. Dit is de
grondstof
2. Throughput
Activiteiten om input om te zetten tot output. Bijv. het verlenen van zorg.
o Besturingsprocessen: sturing en besluitvorming (management en strategie)
o Ondersteunende processen: HR, IT, administratie
o Primair proces: kernactiviteit van organisatie (productie of dienstverlening)
3. Output
Het resultaat dat aan de klanten wordt geleverd
(4. outcome)
= de mate waarin output daadwerkelijk behoeften van klanten bevredigt.
Efficiëntie = verhouding tussen input en output
Effectiviteit = mate waarin de organisatie het gewenste resultaat behaald met de output. Dus
daadwerkelijke impact op klant.
Succesvolle organisatie
- Duidelijke missie en visie: moet richting geven en actief werken aan de realisatie ervan
- Efficiënte en doelgerichte output: inspelen op klantbehoeften voor bestaansrecht en
relevantie in de markt
- Interne samenhang en alignement: iedereen in dezelfde richting werken en dezelfde doelen
hebben voor een sterke en coherente organisatiecultuur
Organisatiestructuren
= bepalen hoe taken, verantwoordelijkheden en communicatie binnen een organisatie worden
georganiseerd. Voor het ontwerpen:
1. Stabiliteit vs flexibiliteit
- Stabiliteit: organisatie moet duidelijk en consistent zijn. Medewerkers weten wat hun taken
zijn, processen zijn gestroomlijnd. Zo is er geen chaos en kunnen doelen worden nagestreefd.
- Flexibiliteit: organisatie moet voldoende aanpassen op veranderingen in de omgeving, zoals
wetgevingen, klantbehoeften of technologische ontwikkelingen.
o Balans: te rigide is moeite met aanpassen en te flexibel is inefficiënt en onduidelijk in
rollen en verantwoordelijkheden.
2. Interne focus vs externe focus
- Interne focus: duidelijke taakverdelingen voor verantwoordelijkheid, gezagsrelaties in
hiërarchie, goede samenwerking en overleg, ondersteunende processen.
- Externe focus: duidelijke positionering naar de buitenwereld, doelgroepen hebben, overheid
en partners voor samenwerking en financiering, reputatie en herkenbaarheid dmv identiteit.
Geschiedenis