Week 1
Artikel 1: Gordan W Gauchat, The legitimacy of science
Gauchat bespreekt hoe wetenschap steeds meer onder druk staat door politieke
polarisatie en maatschappelijk wantrouwen. Wetenschap is volgens hem niet alleen een
methode, maar ook een sociale institutie die afhankelijk is van publieke legitimiteit. De
auteur bouwt voort op socioloog Robert Merton, die stelde dat wetenschap alleen goed
kan functioneren wanneer zij onafhankelijk blijft van politieke, economische en religieuze
belangen.
Vooral in de VS groeit wantrouwen tegenover wetenschap aan conservatieve zijde. Dat
blijkt uit discussies over klimaatverandering, vaccinaties en COVID-19-maatregelen.
Wetenschap is daardoor onderdeel geworden van politieke en culturele conflicten.
Volgens Gauchat hangt deze crisis samen met een bredere machtsstrijd tussen
economische elites, de overheid en wetenschappelijke instellingen zoals universiteiten.
Artikel 2: Maya J Goldenberg, Public trust in science
Goldenberg onderzoekt waarom publiek vertrouwen in wetenschap belangrijk is en hoe
wantrouwen ontstaat. Zij benadrukt dat vertrouwen gebaseerd is op drie dingen:
Deskundigheid
Eerlijkheid
En handelen in het publieke belang
Wantrouwen komt volgens haar niet alleen door onwetendheid, maar ook door echte
problemen zoals:
Farmaceutische schandalen
Racisme in gezondheidszorg
Belangenverstrengeling tussen wetenschap en industrie
Tijdens COVID-19 steeg het vertrouwen in wetenschap eerst, maar politieke conflicten en
wisselende adviezen zorgden later opnieuw voor scepsis. Goldenberg vindt dat
vertrouwen niet hersteld wordt door simpelweg te zeggen “trust science”. Wetenschap
moet transparanter, inclusiever en beter verbonden met de samenleving worden.
Artikel 3: Syed Farid Alatas, Deparoching the canon: The case of sociological
theory
Alatas bekritiseert het feit dat de sociologische canon vooral bestaat uit Westerse
denkers. Volgens hem is sociologie te “parochiaal” geworden: te veel gericht op Europa
en Noord-Amerika. Alatas noemt dit: Eurocentrisme. Europa en Noord-Amerika worden
gezien als het centrum van kennisproductie, terwijl bijdragen uit Azië, Afrika en het
Midden-Oosten vaak vergeten worden.
Volgens Alatas zorgt dit voor:
, Een eenzijdig beeld van de wereld
Machtsongelijkheid binnen wetenschap
Afhankelijkheid van Westerse theorieën
Hij gebruikt hiervoor het begrip: Intellectual dependency. Niet-Westerse onderzoekers
moeten vaak Westerse theorieën gebruiken om hun eigen samenleving te verklaren.
Daarom pleit hij voor: Deparochialising the canon. De canon moet verbreed worden
met niet-Westerse denkers en perspectieven. Hij wil Westerse theorieën niet verwijderen,
maar aanvullen.
Belangrijk:
Sociologie moet internationaler worden
Meerdere perspectieven moeten serieus genomen worden
Kennis is niet alleen Westers
Voorbeelden van niet-Westerse denkers die volgens Atalas belangrijk zijn:
Ibn Khaldun
José Rizal
Benoy Kumar Sarkar
Conclusie:
De sociologische canon is te Westers en moet inclusiever en mondialer worden.
Artikel 4: David Parker, Viewpoint: why bother with Durkheim?
Parker bespreekt waarom Durkheim nog steeds belangrijk is binnen sociologie van de
jaren 90. Volgens Parker blijft Durkheim relevant omdat hij fundamentele sociologische
vragen stelt over:
Sociale orde
Samenhang in de samenleving
De relatie tussen individu en maatschappij
En de gevolgen van modernisering
Durkheim probeerde sociologie als echte wetenschap neer te zetten. Hij vond dat sociale
verschijnselen objectief onderzocht moesten worden.
Een belangrijk begrip hierbij is: Sociale feiten, ze bestaan buiten het individu en
beïnvloeden het gedrag van mensen. Voorbeelden zijn: normen, wetten, religie en
instituties. Volgens Durkheim wordt menselijk gedrag sterk gevormd door de
samenleving. Door industrialisatie en modernisering veranderen sociale relaties sterk.
Durkheim onderzocht hoe samenlevingen ondanks die veranderingen toch sociale orde
behouden. Daarbij gebruikte hij het onderscheid tussen: Mechanische solidariteit
(=samenleving met weinig arbeidsverdeling waarin mensen veel op elkaar lijken) en
organische solidariteit (=moderne samenlevingen met veel arbeidsverdeling waarin
mensen afhankelijk van elkaar zijn). Parker bespreekt ook kritiek op Durkheim:
Hij legt veel nadruk op stabiliteit en orde
, Hij besteedt minder aandacht aan conflict en ongelijkheid
Zijn theorieën zouden soms te conservatief zijn.
Conclusie: Durkheim blijft relevant omdat hij basisvragen van de sociologie behandelt
en helpt verklaren hoe moderne samenlevingen functioneren.
Week 1, hoorcollege 1:
Hoofd idee:
Wetenschap is niet alleen feiten en objectieve kennis, maar ook een sociaal process.
Vertrouwen in wetenschap ontstaat doordat mensen wetenschappers en instituties
geloven.
Wetenschap als sociaal instituut
Wetenschap bestaat uit;
Kennis
Methoden
Instituties
Wetenschap is dus sociaal georganiseerd:
Universiteiten
Overheden
Bedrijven
Financieren en beïnvloeden wetenschap.
Vertrouwen in wetenschap, wat bouwt vertrouwen?
Vertrouwen ontstaat door drie factoren:
1. Competence
Wetenschappers moeten deskundig zijn.
2. Honesty
Wetenschappers moeten eerlijk en transparant zijn
3. Public interest
Mensen moeten geloven dat wetenschap werkt voor de samenleving.
Vertrouwen is kwetsbaar, waarom neemt vertrouwen af?
Vertrouwen kan snel verdwijnen. Volgens het college gebeurt dat door:
Politiek (wetenschap raakt gepolitiseerd)
Schandalen (fraude beschadigt legitimiteit)
Ongelijkheid (sommige groepen voelen dat wetenschap hun belangen of
ervaringen niet vertegenwoordigt.
Informatiechaos en sociale media
Door internet en sociale media zien mensen veel tegenstrijdige informatie, waardoor
wantrouwen groeit.
,