VRAAG EN AANBOD
Economie = de toewijzing van schaarse middelen. Het is de studie van hoe
mensen beslissingen nemen, middelen gebruiken en reageren op prikkels.
Micro-economie: individuele beslissingen
Macro-economie: economie als geheel
Deze cursus richt zich op de vraag hoe bedrijven winst kunnen
maximaliseren in competitieve en niet-competitieve markten. We kijken
naar modellen, die de werkelijkheid representeren en gericht zijn op een specifiek
probleem. Om onze gedachten over deze modellen te structureren, gebruiken we
wiskunde.
Milton Friedman (1953): een theorie kan niet worden getest o.b.v. de
realiteitswaarde van haar aannames; het gaat namelijk over de nauwkeurigheid
v.d. voorspellingen van de theorie.
Het maakt niet uit of een theorie begint met een rare of niet-kloppend
idee, als de uitkomst maar goed is. Vb. “ik kan voorspellen wat voor kaart
jij kiest, omdat ik toverkracht heb.” Tuurlijk bestaat toverkracht niet, maar
als ik toch telkens de goede kaart weet te raden, kloppen de
voorspellingen wel!
--- introductie van het vraag-en-aanbodmodel ---
Wat is een markt? Een markt faciliteert handel en wordt gekenmerkt door een
specifiek product/dienst, locatie en moment in de tijd.
Vb. markt voor zangles in Groningen, vandaag.
- Vraagzijde: de totale hoeveelheid die alle consumenten willen kopen
- Aanbodzijde: de totale hoeveelheid die alle producenten willen verkopen
4 aannames in het vraag-en-aanbodmodel van een markt:
1. We richten ons op 1 enkele markt
2. Alle verkochte producten zijn identiek
3. Alle producten worden verkocht voor dezelfde prijs en iedereen heeft
volledige informatie
4. er zijn veel consumenten en producenten in de markt
1
,In dit voorbeeld was gegeven PL = 4 en B =20. Je schrijft dus de formule van QDK
om naar Pk en vult de gegeven getallen in.
Wat als Pk verandert? Verandering langs de vraagcurve
Wat als PL verandert? Verschuiving van de vraagcurve
Wat als B verandert? Verschuiving van de vraagcurve
Verband tussen verandering in PL en PK; zijn K en L substituten of
complementen?
Substituten: goederen die door elkaar vervangen kunnen worden
Vb. de vraag naar kibbeling neemt toe als de loempia prijs, PL stijgt
Complementen: goederen die samen geconsumeerd worden
Vb. de vraag naar kibbeling neemt af als de loempia prijs, PL stijgt
Verband tussen B (consumenteninkomen) en PK; is K een normaal goed of een
inferieur goed?
Normaal goed: goederen waarvoor de vraag toeneemt als het inkomen
stijgt
Inferieur goed: goederen waarvoor de vraag afneemt als het inkomen
stijgt
--- wanneer is een markt in evenwicht? ---
2
,Marktevenwicht = de plek waar vraag en aanbod precies gelijk zijn. Hierbij is er
een evenwichtsprijs P* en een evenwichtshoeveelheid Q*.
Maar wat als de prijs lager is dan de evenwichtsprijs; Pk < Pk*
In dat geval is er meer vraag dan aanbod van het product: Qdk > Qsk
Dit noemen we excessieve vraag: Pk < Pk*
Andersom geldt dit ook:
Wanneer er meer aanbod is dan vraag naar een product; Qsk > Qdk
Dit noemen we excessieve aanbod: Pk > Pk*
--- welvaart in markten ---
Consumentensurplus (CS) = de winst voor consumenten als de prijs van een
product lager is dan de bereidheid van consumenten om voor dat product te
betalen.
Gebied tussen de inverse vraagcurve en de marktprijs
Producentensurplus (PS) = de winst voor producenten als de prijs van een
product hoger is dan de bereidheid van producenten om het product te verkopen.
Het gebied tussen de inverse aanbodcurve en de marktprijs
Totale surplus (TS) = de som van het consumentensurplus en het
producentensurplus, bij afwezigheid van overheidsbeleid.
--- elasticiteiten ---
Elasticiteit = de procentuele verandering in ene variabele gedeeld door de
procentuele verandering in de andere variabele. “Wat is de procentuele
verandering in Q als de prijs met 1% wordt veranderd?”
- Prijselasticiteit van de vraag: percentage verandering vraag / percentage
verandering prijs
- Prijselasticiteit van het aanbod: % verandering aanbod / % verandering
prijs
Grootte van de elasticiteiten interpreteren:
< 1 is inelastische reactie: Q verandert met minder dan 1% als reactie op een
prijsverandering van 1%
= 1 noemen we een unitair elastische reactie: Q verandert met 1% als reactie op
een prijsverandering van 1%
3
, >1 is een elastische reactie: Q verandert met meer dan 1% als reactie op een
prijsverandering van 1%
Overige elasticiteiten
- Kruislingse elasticiteit van de vraag: % verandering gevraagde
hoeveelheid als gevolg van een procentuele verandering in de prijs van
een ander goed
Positieve kruislingse elasticiteit: substituten (vervangbaar)
Negatieve kruislingse elasticiteit: complementen (samen kopen)
- Inkomenselasticiteit van de vraag: % verandering in de gevraagde
hoeveelheid als gevolg van een procentuele verandering in het inkomen
Positieve inkomenselasticiteit: normaal goed
Negatieve inkomenselasticiteit: inferieur goed
Organisatie en omgeving week 2
Experiment:
Dictatorspel: je krijgt €5, hoeveel houdt je zelf en hoeveel geef je weg?
Deze week: wat is een eerlijke herverdeling?
Aanbodreguleringen
Een quota is een regelgeving die de hoeveelheid van een goed vaststelt. Maar
wat is de impact van het quota op de marktuitkomsten? Om dit te analyseren
hebben we een vraag- en aanbodfunctie.
Benchmark: maatregel waarbij er geen quotum van kracht is.
4