Management accounting week 1
Hoofdstuk 1: het speelveld ‘accounting’
= focus ligt binnen het bedrijf op interne belanghebbenden (management en
besluitvormers): medewerkers leggen verantwoording af over hun functioneren
en presteren aan de onderneming. Die wordt gerepresenteerd door managers,
waarbij ook zij verantwoording afleggen aan het management boven hen.
Besluitvorming
Strategisch: doelstellingen van de organisatie en het daartoe definiëren
van haar relaties met haar omgeving. Missie (meerwaarde voor de
samenleving) & visie (wat willen we over 5 jaar hebben bereikt).
Tactisch: realisatie van de strategische besluiten; hoe gaan we de
vastgestelde product-marktcombinaties in de gewenste omvang
realiseren? Gaat over verkrijgen van productiemiddelen, aantrekken van
vermogen, bepalen van systemen etc. (vormgeving v.d. organisatie)
Operationeel: de concrete dagelijkse vertaling van hetgeen op
strategisch en tactisch niveau is besloten. Denk aan het opstellen van
verkoopplannen en productieplannen.
Management control = het door managers toepassen van instrumenten en
middelen met als doel het gedrag en de besluitvorming van medewerkers
zodanig te beïnvloeden, dat die zo goed mogelijk de doelstellingen en strategieën
van de organisatie proberen te realiseren.
- Planning
- Coördinatie
- Monitoring
- Feedback
- Nemen van corrigerende actie
PDCA-cyclus = Plan – Do – Check – Act
Plan > bepalen welke activiteiten moeten worden verricht of welke prestaties
moeten worden geleverd met de inzet van welke middelen
Do > de middelen worden daadwerkelijk ingezet en de activiteiten worden
verricht
Check > de uitvoering wordt vergeleken met het plan; verschillen worden
geconstateerd en er vind een analyse plaats waardoor die verschillen zijn
ontstaan
Act > o.b.v. de bevindingen wordt actie ondernomen; plan voor de volgende
periode wordt opgesteld of een reeds eerder opgesteld plan wordt bijgesteld.
Integralestandaardkostprijs: voor een product is bepaald wat het normatieve,
toegestane verbruik is aan productiemiddelen bij de fabricage van dat product.
Vergelijking met het werkelijke verbruik kan uitwijzen dat bijvoorbeeld
meer grondstoffen zijn aangewend dan toegestaan. Analyse v.d. oorzaken
,H1 t/m H4
van de afwijking zal leiden tot meer scholing van arbeiders waardoor zij
efficiënter zullen werken.
Hoofdstuk 2: Accounting in de Nederlandse context
Bestuursverslag = informatie over de prestaties en algemene gang van zaken
van de organisatie. Dit verslag, zoals een jaarverslag, is verplicht en omvat onder
andere het volgende:
- Algemene informatie over de onderneming
- Financiële prestaties
- Risico’s en onzekerheden
- Toekomstverwachtingen
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) = verantwoorden van
inspanningen en prestaties op het gebied van duurzaamheid.
Corporatie Governance = manier waarop de organisatie haar bestuur en
toezicht inricht, alsook welke gedragscodes worden gehanteerd t.a.v. het nemen
van bestuurlijke verantwoordelijkheid en het waarborgen van integer bestuur en
toezicht.
Jaarrekening:
Balans geeft een overzicht van bezittingen, eigen vermogen en schulden
van de organisatie aan het einde van het boekjaar.
Resultatenrekening toont de resultaten van de organisatie over het
boekjaar, te weten de opbrengsten, kosten en nettoresultaat.
Kasstroomoverzicht is een overzicht van de feitelijke binnenkomende en
uitgaande geldstromen die de organisatie in de loop van het boekjaar
heeft. = verandering lm
In een toelichting worden de gepresenteerde cijfers nader uitgelegd.
Standaarden hebben als doel: een algemeen erkend verslaggevingskader met
als doel aan de buitenwereld een consistent en betrouwbaar financieel beeld te
presenteren.
Waarderingsgrondslagen = regels of afspraken over hoe en tegen welke
waarde bezittingen of schulden verantwoord worden.
Hoofdstuk 3: Kosten (en opbrengsten)
Kosten zijn afnames van het eigen vermogen, bestaande uit opoffering van
productiemiddelen, grondstoffen, waardevermindering van machines,
personeelskosten etc.
Kosten <> uitgaven: bij uitgaven verandert het eigen vermogen niet, er vindt
alleen een substitutie plaats aan de debetzijde van de balans. Zo neemt het
banktegoed af en de machine toe. Afschrijving van die machine is daarentegen
wel een kostenpost: bezittingen worden minder waard waardoor het EV aan de
creditzijde daalt. Aflossing van een lening is ook een uitgave die geen kostenpost
is; lm en vreemd vermogen dalen hierbij (het eigen vermogen niet!). De rente
over dat vreemde vermogen is wel een kostenpost: het vv verandert er niet door
,H1 t/m H4
en het eigen vermogen moet ‘bloeden’ voor de afname van het bezit aan liquide
middelen.
Proportioneel variabele kosten = kosten die zich precies in dezelfde
verhouding aanpassen als de hoeveelheid geproduceerde eenheden. > ze nemen
direct en lineair toe.
Degressief stijgende kosten = kosten die toenemen naarmate de productie
toeneemt, maar waarbij de toename in kosten per eenheid afneemt naarmate de
productie stijgt. > kosten per extra eenheid productie zijn lager dan de kosten
van de voorgaande eenheid.
Progressief stijgende kosten = elke extra eenheid geproduceerd vergt de
inzet van meer middelen en veroorzaakt dus meer kosten.
Trapsgewijs variabele kosten = kosten die per eenheid variëren, maar niet
continu of lineair. > deze kosten stijgen in trappen of stappen, wanneer de
productie een bepaald niveau overschrijdt.
Het onderscheid tussen directe en indirect kosten heeft te maken met de manier
waarop kosten kunnen worden toegerekend aan een specifiek product.
- Directe kosten: er is een aanwijsbare relatie tussen de voortbrenging van
een product en de kosten van een productiemiddel.
- Indirecte kosten: geen aanwijsbaar verband tussen elk soort product en
de exacte hoeveelheid afschrijvingskosten die ermee gemoeid zijn gegaan.
Daarnaast heb je ook:
- Werkelijke kosten: kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt in een
bepaalde periode; de daadwerkelijke waarde van de opgeofferde
productiemiddelen.
- Normatieve kosten: kosten waarvan de hoogte is vastgesteld op basis
van een standaard of norm. Deze zijn meestal bekend aan het begin van
een periode van produceren en verkopen. (vb. normatief uurtarief voor
arbeid, gebaseerd op de verwachte productiviteit).
In hoeverre zijn/waren bepaalde kosten te vermijden bij de voortbrenging van
productie? Om deze vraag te beantwoorden maken we onderscheid tussen
rationele en irrationele kosten. Het draait om de doelmatigheid van de opoffering
van productiemiddelen.
Rationele kosten: als we efficiënt werken, worden middelen niet zonder
noodzaak opgeofferd.
Irrationele kosten: productiemiddelen worden nodeloos opgeofferd,
doordat we inefficiënt werken en dit wordt aangeduid als verspilling.
Differentiële kosten zijn de kostenverschillen tussen twee alternatieve
beslissingen of productievolumes; ze geven aan hoeveel de kosten veranderen
als men van het ene scenario naar het andere zou overstappen.
Marginale kosten zijn de meerkosten die gepaard gaan met de productie van
één extra eenheid van een product.
Produceren = het creëren van waarde, door fysieke goederen voort te brengen
of diensten te verlenen.
, H1 t/m H4
‘true costing’ is het fenomeen waarbij ook kosten van vervuiling, uitputting van
natuurlijke hulpbronnen en schade van het milieu worden meegenomen in de
kostprijs van het voortgebrachte product.
Hoofdstuk 4: de kosten van productiemiddelen nader verkend
Kostensoorten zijn te onderscheiden naar de volgende categorieën;
- Grond
- Grondstoffen, hulpstoffen
en halffabricaten
- Duurzame
productiemiddelen
(machines, gebouwen,
etc.)
- Personeel
- Belastingen en heffingen
- Dienstverlening door
- Grond > gebruik voor landbouw en veeteelt, als vestigingsplaats,
grondstoffenwinning …
waarvoor omheiningen nodig zijn en ook zijn er kosten voor het beheren
van waterafvoer, verwijderen van onkruid en voor het onderhoud van
toegangswegen
- Grondstoffen, hulpstoffen en halffabricaten > als basis voor de
fabricage van producten. Denk aan grondstoffen zoals mineralen,
landbouw- of bosbouwproducten.
Uitval van producten worden meegenomen in de kostprijs en aanhouden
van voorraad brengt kosten met zich mee
- Duurzame productiemiddelen (machines, gebouwen, etc.) > activa die
meer dan één productiejaar meegaan.
Kosten van aankoop, installatie, afvoeren, transport en levering, opleiding,
afschrijving, onderhoud, huur- of leasekosten, energiekosten, garantie en
servicekosten, arbeidskosten, verlies van boekwaarde, recycling etc.
- Personeel
Hoogte van lonen en salarissen (primaire arbeidsvoorwaarden),
voorzieningen als leaseauto’s en mobiele telefoons, mogelijkheid tot
opleiden, betaald krijgen van overuren (secundaire arbeidsvoorwaarden).
Maar ook zijn er overige kosten zoals die voor werving & selectie en
transactievergoedingen bij ontslag.
- Belastingen en heffingen > onderneming is een doorgeefluik van
belastingen, onderneming moet een deel van haar winst afstaan aan de
belastingdienst, onderneming heeft te maken met belastingen die ze als
kosten op mag voeren.
BTW in rekening brengen bij consument, afdragen EN terugvorderen aan
de belastingdienst.
Vrijgesteld van BTW, dan een kostenpost voor de organisatie “ze zijn het
laatste station in de keten van het doorberekenen van de BTW” (kan dus
niet teruggevorderd worden).