Dit document biedt een gestructureerd tentamenoverzicht van het formele strafrecht. Het
overzicht is opgebouwd rond de kernonderwerpen uit de aangeleverde collegestof en
werkgroepen, met nadruk op schema’s, stappenplannen en kapstokken voor theorievragen.
[cite:1]
Grondslagen en doelen
Strafprocesrecht is het geheel van regels dat ziet op de toepassing van het strafrecht in een
concreet geval, waaronder bevoegdheden, rechten van de verdachte, de positie van het
slachtoffer, het verloop van de terechtzitting en de beslis- en bewijsregels van de rechter.
[cite:1] Het hoofddoel van het strafprocesrecht is een juiste toepassing van het materiële
strafrecht: schuldigen moeten worden bestraft en onschuldigen niet.[cite:1]
Daarbij moet steeds een balans worden gevonden tussen effectieve handhaving en
rechtsbescherming.[cite:1] Die balans hangt samen met het legaliteitsbeginsel: strafvordering
moet bij de wet zijn voorzien.[cite:1]
Fasen van het strafproces
Het strafproces verloopt in vier hoofdfasen: opsporing, vervolging, berechting en
tenuitvoerlegging.[cite:1]
Opsporing → Vervolging → Berechting → Tenuitvoerlegging
Boek 1 Boek 2 Boek 2/3
Beginmomenten
Opsporing : onderzoek in verband met strafbare feiten, onder gezag van de officier van
justitie, met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen (art. 132a Sv).[cite:1]
Vervolging : vangt onder meer aan bij dagvaarding, vordering bewaring, vordering tot
onderzoek door de rechter-commissaris of uitvaardiging van een strafbeschikking.[cite:1]
Berechting : de zaak komt voor de rechter en mondt uit in beantwoording van de vragen
van art. 348 en 350 Sv.[cite:1]
Procesmodel
Het inquisitoire procesmodel kenmerkt zich door een actieve rechter, nadruk op materiële
waarheid, dominantie van schriftelijke stukken en een relatief passieve verdachte.[cite:1] Het
accusatoire procesmodel wordt juist gekenmerkt door gelijkwaardige procespartijen, een
lijdelijke rechter, nadruk op tegenspraak en een meer mondeling proces.[cite:1]
, Het Nederlandse strafproces wordt het best getypeerd als een gemengd of contradictoir
systeem: historisch inquisitoir van oorsprong, maar met steeds meer accusatoire trekken
onder invloed van onder meer art. 6 EVRM en het beginsel van equality of arms.[cite:1]
Belangrijke actoren
Actor Kernrol Basis
Politie Opsporing, toezicht, handhaving Art. 3 Politiewet, art. 141-142 Sv [cite:1]
Officier van justitie Leiding opsporing, vervolgingsbeslissing Art. 148, 167, 242 Sv [cite:1]
Rechter- Onafhankelijke toetsing van ingrijpende Beschreven als waarborg in het
commissaris bevoegdheden vooronderzoek [cite:1]
Verdachte Drager van verdedigingsrechten Art. 27, 28, 29 Sv [cite:1]
Raadsman Onafhankelijk, partijdig in belang van cliënt Art. 28 en 38 Sv [cite:1]
Slachtoffer Rechten zoals spreekrecht en inzage Art. 51a-51h Sv [cite:1]
De verdachte is degene tegen wie uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van
schuld aan een strafbaar feit voortvloeit, en degene die wordt vervolgd.[cite:1] Aan die
hoedanigheid zijn onder meer het zwijgrecht, het recht op cautie en het recht op
rechtsbijstand verbonden.[cite:1]
Opsporing
Opsporing is voorbereidend onderzoek en staat onder gezag van de officier van justitie.[cite:1]
De resultaten van het opsporingsonderzoek vormen de basis voor de beslissing om al dan
niet te vervolgen en voor de latere beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv.[cite:1]
Typen opsporing
Klassieke opsporing : na aangifte of incident, gericht op waarheidsvinding.[cite:1]
Repressieve controle: toezicht en opsporing kunnen samengaan; dat mag zolang geen
misbruik van bevoegdheid plaatsvindt.[cite:1]
Proactieve opsporing : gericht op nog te plegen feiten in georganiseerd verband of bij
terrorisme-indicaties.[cite:1]
Verdachte en verhoor
Van opsporing wordt gesproken vanaf het moment dat een redelijk vermoeden rijst dat een
strafbaar feit is begaan.[cite:1] Dat vermoeden is bepalend voor zowel de inzet van
dwangmiddelen als voor de toekenning van rechten aan de verdachte.[cite:1]
Een verhoor is iedere vraag aan een als verdachte aangemerkte persoon over diens
betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.[cite:1] Daarom is het onderscheid tussen
een algemene vraag en een echte verdachtenvraag belangrijk voor de cautieplicht.[cite:1]