De wetenschap die zich bezighoudt met gehoor, gehoorstoornissen en evenwichtsfuncties.
De anatomie van het oor bestaat uit vier onderdelen
★ Buitenoor
○ Oorschelp: vangt geluidsgolven op en helpt bepalen waar het geluid vandaan komt
○ Gehoorgang: leidt het geluid naar het trommelvlies
★ Middenoor
○ Trommelvlies: gaat trillen door geluidsgolven
○ Gehoorbeentjes: versterkende trillingen en geven ze door aan het binnenoor
★ Binnenoor
○ Cochlea: met vloeistof gevuld orgaan waarin trillingen worden omgezet in elektrische
signalen
○ Haarcellen: gespecialiseerde zintuigcellen die beweging in de cochlea registreren en
omzetten in zenuwimpulsen
★ Auditieve zenuw en hersenen
○ Auditieve zenuw: vervoert elektrische signalen van het binnenoor naar de hersenen
○ Verwerking in de hersenen: de auditieve cortex interpreteert de signalen als
betekenisvolle geluiden, zoals spraak, muziek of omgevingsgeluiden
Mensen kunnen horen omdat het geluid wordt omgezet in trillingen. De trillingen zorgen voor
mechanische energie en deze energie wordt omgezet in elektrische signalen. Dit gebeurd door de
transductie door haarcellen in de cochlea. De codering van toonhoogte (plaatscodering) en luidheid
(vuurfrequentie) vindt hierbij ook plaats.
, Als iemand minder hoord is er sprake van gehoorverlies. Er zijn vier types gehoorverlies:
★ Conductief (geleidingsverlies): probleem in buiten- of middenoor
★ Perceptief (sensorineuraal): schade aan cochlea of gehoorzenuw
★ Gemengd: combinatie van beide
★ Retrocochleair: probleem voorbij de cochlea (bijv. brughoektumor)
Gehoorverlies kan ondekt worden doormiddel van een audiogram, tympanometrie, oto-akoestische
emissies (OAE), BERA/ABR of spraaktesten.
Nadat gehoorverlies is ondekt kunnen er verschillende behandelingen of revalidaties gedaan
worden. De opties hierin zijn hoortoestellen, cochleaire implanten, gehoortraining,
tinnitusbehandeling, medische of chirurgische opties.
Hoortestellen worden gebruikt bij onvoldoende hoor of onvoldoende verstaan. Dit wordt gedaan bij
een hoge fletcher-iondex (1-2-4 kHz) > 35 dB. En als spraakverstaan minder dan 100% is in
spraakaudiogram. De hoorteostellen moeten de belangrijke geluiden weer hoorbaar maken (spraak,
muziek en waarschuwingsgeluiden). Deze frequenties liggen vooral tussen de 500-4000 Hz.
Het moeilijke van hoortoestellen is dat de drempel daalat, UCL (Uncomfortable Level) daalt minder
waardoor klein dynamisch bereik. Een hoortoestal kan dus niet lineair versterken. Slechthorende
hebben moeite met horen rijden ruis, hoortoestellen proberen SNR (Signaal-ruisverhouding) te
verbeteren.
Er zijn verschillende hoortoestellen;
★ AHO (achter‑het‑oor)
★ LIHO (luidspreker‑in‑het‑oor)
★ IHO (in‑het‑oor)
★ BCD (beengeleiding) – bij o.a. atresie, oorontstekingen, eczeem, één‑origheid.
★ CROS bij eenzijdige doofheid: zender op slechte oor, ontvanger op goede oor.
Een hoortoestel bestaat uit microfoons, signaalprocessoor (DSP), luidspreker, telecoil, batterij,
oorsteukje/ dome, filters, antennes.
De microgoons zorgen ervoor dat het geluid van voren wordt versterkt en van achteren wordt
verzwakt. Dit werkt als beamformer. Het nadeel is dat de spreker van achteren slecht hoorbaar is en
er kans is op vervorming.
De signalen in hoortoestelen worden bewerkt, zo kunnen deze versterkt worden of kan er
compressie plaatsfinten. Zo zijn er een paar rekenregels hierin;
★ Half‑gain rule
★ POGO / POGO II
★ NAL (meest gebruikt)
★ DSL (kinderen)
★ POGO:
○ IG = 0.5·H + Ki