H1 – Heuristieken in klinisch-diagnostisch redeneren
DIAGNOSTIEK IN DE KLINISCHE PRAKTIJK
Doel van psychodiagnostiek = begrijpen wat er aan de hand is → impliceert voortdurend oordelen en beslissen
(vb. normaal gedrag of pathologisch? Welke stoornis? Hoe ontstaan, in stand gehouden, ...?)
- Het gaat niet enkel over behandelen, een noodzakelijke voorwaarde voor goede behandeling is goede
diagnostiek
- Hiervoor is kennis van zaken nodig: diagnostische classificaties, psychopathologische theorieën,
testen, vorm van psychodiagnostisch onderzoek, ...
Hoe diagnostisch onderzoek zo vormgeven dat kans op goed verloop zo groot mogelijk?
- Aandacht voor valkuilen en voorspelbare fouten (heuristieken, biases)
- Onderzoeken op basis van psychologisch besliskundige theorieën
... om in the end zelf kritisch naar ons eigen functioneren te kijken tijdens een psychodiagnostisch onderzoek
en zo oordeelsfouten te vermijden
HEURISTIEK EN BIASES IN DE KLINISCHE PRAKTIJK
Beslissingen nemen in klinische praktijk = complex: vaak is er onzekere en onvolledige informatie ter
beschikking en ben je genoodzaakt om heuristieken te gebruiken
= op ervaring gebaseerde, verkorte beslisroutes die vaak (maar niet altijd) tot correcte uitkomsten leiden
Satisficen (= heuristiek gebruiken) Maximizen
Stoppen met zoeken naar informatie en met hun Zorgen voor maximaal correcte beslissing
beslissingsproces van zodra tevreden met uitkomst • Vaak onmogelijk in klinische setting
• Uitkomst ‘goed genoeg’ vinden
• Niet per se de best haalbare
Heuristieken leiden tot efficiëntie (+), maar kunnen tot biases 1 leiden (-)
- Geheugenheuristieken: denkroutes/beslisroutes die gebruik maken van herinnering
- Aandachtsheuristieken: denkroutes/beslisroutes die gebruik maken van informatie die je aandacht
trekt
GEHEUGEN HEURISTIEKEN
Beschikbaarheidsheuristiek Simulatieheuristiek
= Oordeel hangt af van hoe makkelijk informatie = Oordeel hangt af van hoe makkelijk je een
voor jou beschikbaar is in geheugen hypothetisch scenario mentaal kunt simuleren
• Hoe makkelijker iets in het geheugen • Indien toekomstige gebeurtenis of contra-
beschikbaar is, hoe makkelijker je het feitelijke hypothetische vraagstelling:
meeneemt in je verdere beslissingsproces informatie niet feitelijk beschikbaar
o Invloed media o Bv kans dat pt PTSS ontwikkelt die gepest
wordt
De validiteit van dit oordeel is afhankelijk van hoe
accuraat het geheugen is • Je kunt antwoord niet uit geheugen halen
Geheugen is feilbaar en makkelijk te beïnvloeden → gebeurtenis mentaal simuleren
• Bekendheid/vertrouwdheid met zaken • Hoe makkelijker het simuleren gaat, hoe
• Opvallendheid/levendigheid van waarschijnlijker je die gebeurtenis vindt
o Bv is het mogelijk dat pesten kan leiden tot
gebeurtenis (saillantie) zich slecht voelen, herbeleven, gevoelens
o Bv automutilatie: direct denken aan BPS van irritatie?
1
Bias: vertekening in oordelen, ‘voor’-oordelen, oordelen voordat alle relevante informatie gekend is
, o Recency effect
• → Overschatting van waarschijnlijkheid van
de diagnose
Verankering en aanpassingsheuristiek Positieve teststrategie (en confirmation bias)
= Van een willekeurige beginwaarde wordt te weinig = Bij vermoedens testen afnemen waarvan verwacht
afgeweken in het eindoordeel wordt dat het hypothese bevestigd (↔ testen die
• Anker: bv verwijsbrief of oordeel collega alternatief kunnen bieden
• Problematisch: indien anker een • Neiging om te zoeken naar informatie die
disproportioneel grote invloed heeft op hypothese bevestigt (confirmeren). Men
uiteindelijke oordeel ten koste van staat niet open voor ongelijk te hebben
relevantere informatie die pas later • ↔ falsifiëren: welke informatie spreekt
beschikbaar komt het tegen?
• Bv experiment cliënt/sollicitant • Kan leiden tot confirmation bias: alleen
• → Informatie die reeds in begin van info zien die bij eigen idee past, niet
contact, of zelfs voor aanvang, het oordeel informatie die ertegen gaat
beïnvloedt • Mogelijks self-fulfilling prophecy: je vindt
Als T laten we ons vaak te veel leiden door eerste wat je verwacht te vinden
indruk. Doorheen heel therapeutisch proces moeten • Gevaar: overconfidence: denken dat men
we ontvankelijk blijven voor nieuwe informatie vaker bij het juiste eind zit dan in
werkelijkheid
Examen: wat leer je uit uitslag van test? Niet alleen kijken naar wat hypothese bevestigt, maar ook weerlegt!
AANDACHT HEURISTIEKEN
Representativiteitsheuristiek Prototypes
= moeilijke vraag vervangen door een makkelijke = Clinici laten zich bij het diagnosticeren vaak leiden
vraag door prototypes: voorbeelden die voor hen
• Hoe waarschijnlijk is het dat iets tot een karakteristieke of typische representaties zijn van
categorie behoort → in hoeverre dat iets een stoornis
lijkt op een typisch geval of een • Gebaseerd op eerdere ervaringen
representatief voorbeeld van die categorie • ↔ DSM
• Via patroonherkenning tot antwoord • Risico: iedereen ziet andere pt, waardoor
o Bv automutilatie → Borderline ook iedereen andere prototypes ontwikkelt
• ↔ DSM
• Gevaren in diagnostisch proces
o Meenemen van ongeldige
informatie, namelijk
verwachtingen
o Geldige en relevante informatie
onvoldoende meenemen in
oordeel
o Missen of verkeerd diagnosticeren
van atypische gevallen. Klachten
die niet passen bij prototypisch
beeld van stoornis, worden vaak
afgedaan als niet relevant (bv AN bij
jongen ).
KLINISCHE INTUÏTIE
- Automatische respons op klinische situatie
- Gebaseerd op ingeblikte kennis (via uitgebreid, expliciet leren – uit handboeken, later uit klinische
praktijk)
- Gepaard met sterke overtuiging het te weten
1
,↔ klinische blik
Het is geen heuristiek. Maar het kan wel leiden tot oordeelsfouten. Je moet intuïtie wel in vraag stellen!
- Correctheid afhankelijk van hoe correct de onderliggende kennis is, want maakt gebruik van (feilbaar)
geheugen
- Voornamelijk nuttig bij hypothesevorming, om dit dan bewust te gaan toetsen
1. Dus niet gebruiken om hypothese te toetsen, bevestigen of weerleggen
In praktijk gaat het vaak hand in hand met empirische aanpak
= vermogen van clinici om hun eerder opgedane ervaringen te gebruiken in een nieuwe situatie
Wanneer nuttig?
- Intuïtie kan ‘niet pluis’-gevoel zijn, waarschuwing dat er iets onverwachts gebeurt en dat je alert moet
zijn
1. Voorbeeld: boulimie-patiënte braakt niet meer, heeft wel nog eetbuien maar blijft afvallen → klinische intuïtie zegt
dat iets niet pluis is en er wordt doorgevraagd ➔ C blijkt diabetes te hebben en voor haar eetbuien geen insuline in te
spuiten waardoor glucose in urine
- Helpt om sneller te beslissen als er tijdsdruk is
- Kan een winst zijn voor het klinisch proces
BETER OORDELEN EN BESLISSEN
Wat kan een clinicus doen om oordeelsfouten te minimaliseren?
SYSTEMATISCH WERKEN
Systematische en statistische methoden verhogen betrouwbaarheid
- In praktijk: niet altijd zo sterk aanwezig
1. Clinici zien patiënten liever niet in statistische termen (‘ontmenselijken’)
2. Algemene wetmatigheden en gekoppelde ‘evidence-based’ behandeling zou niet van
toepassing zijn op die ene cliënt
3. Meer geloof in de kracht van de therapeutische relatie
- In theorie: zou inderdaad betrouwbaarheid verhogen, maar voor veel situaties zijn nog geen
statistische modellen beschikbaar
Systematisch werken vereist...
- Wetenschappelijk onderzoek kennen: diagnostisch onderzoek als single case study, volgens stappen
van de empirische cyclus + argumentatie. Repliceerbaarheid door stappen te expliciteren in verslag
- Wetenschappelijke methoden gebruiken: betrouwbare en valide instrumenten gebruiken én ermee
kunnen werken
NORMATIEVE MODELLEN UIT DE LOGICA EN KANSREKENING
Psychologische besliskunde onderzoekt hoe men het best gefundeerd kan beslissen → normatieve modellen
Normatieve besliskunde stelt
- Uitkomst van beslissing optimaliseren door alle mogelijke info verzamelen
- Dan op een logische correcte wijze een conclusie trekken
- Uit de informatie die je weegt en combineert op een volgens de kansrekening correcte wijze
2
, Logica Kansrekening
Deductie: geldige redenering Belangrijke beslissing: welke informatie over cliënt verzamelen en op
Bv. Alle depressieve mensen hebben welke manier?
negatieve stemming → Karel is
Risico:
depressief, dus heeft negatieve
stemming • Onderzoeksmiddelen gebruiken alleen maar omdat die toevallig
Geldt ook andersom: Bv. Karel heeft beschikbaar zijn (niet kijken naar kwaliteit of nut)
geen negatieve stemming → geen • Denken dat meer informatie altijd beter is
depressie
• Valkuil: gedachte dat uit test éénduidig en definitief antwoord
2 logicafouten/redeneerfouten
komt. Het gaat om scores met bepaalde
in klinische praktijk
betrouwbaarheidsmarge
• Inductie: afleiden van
Belangrijke aandachtspunten: als je bepaalt hoe groot de kans is dat jouw
een wetmatigheid uit
cliënt aan een stoornis lijdt (achteraf-kans), moet je rekening houden
een aantal
met aantal zaken (Bayes):
voorbeelden
1) Prevalentie van een stoornis in een populatie:
o Bv. A, B en C zijn
somber en hebben een = Hoe groot in het algemeen de kans is op die stoornis (vooraf-kans)
depressie, dus alle • Laag: indien positieve test, dan is de kans op stoornis hoger dan
sombere mensen voor testafname, maar nog steeds redelijk laag
hebben depressie →
• Hoog: indien positieve test, dan zegt die test niet super veel,
ONGELDIG omdat de vooraf kans op de stoornis al zo hoog is
• Abductie: terug- • → Zelfde testuitslag in verschillende populaties leiden tot
redeneren vanuit de verschillende kansen op stoornis
conclusie naar de
2) Psychometrische kenmerken van een test:
premissen = Sensitiviteit/specificiteit test:
o Bv. als persoon
autistisch is, dan maakt • Sensitiviteit: positieve testscore in aanwezigheid van de stoornis
die persoon slecht • Specificiteit: negatieve testscore in afwezigheid van de stoornis
contact. Jan maakt VALKUIL: deze redenering niet kunnen maken of gewoon negeren, en
slecht contact, dus is
positief testresultaat interpreteren als aanwezigheid van stoornis
autistisch →
• Geen enkele test is 100% betrouwbaar en valide
ONGELDIG
• Base rate van stoornis speelt ook een rol
o Dit negeren: base rate neglect
o Bij heel lage prevalentie/vooraf-kans wordt achteraf-
kans nooit hoog → indien deze negeren, leidt dit tot
overdiagnostiek (Zie uitgewerkt voorbeeld hieronder)
Kans dat de cliënt de stoornis heeft met een positieve testscore:
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 91
→ = 0,34
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛+𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑣𝑎𝑙𝑠 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 91+178
De kans dat de cliënt de stoornis niet heeft bij een negatieve test:
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 712
→ = 0,97
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑣𝑎𝑙𝑠 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛+𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 19+712
3
DIAGNOSTIEK IN DE KLINISCHE PRAKTIJK
Doel van psychodiagnostiek = begrijpen wat er aan de hand is → impliceert voortdurend oordelen en beslissen
(vb. normaal gedrag of pathologisch? Welke stoornis? Hoe ontstaan, in stand gehouden, ...?)
- Het gaat niet enkel over behandelen, een noodzakelijke voorwaarde voor goede behandeling is goede
diagnostiek
- Hiervoor is kennis van zaken nodig: diagnostische classificaties, psychopathologische theorieën,
testen, vorm van psychodiagnostisch onderzoek, ...
Hoe diagnostisch onderzoek zo vormgeven dat kans op goed verloop zo groot mogelijk?
- Aandacht voor valkuilen en voorspelbare fouten (heuristieken, biases)
- Onderzoeken op basis van psychologisch besliskundige theorieën
... om in the end zelf kritisch naar ons eigen functioneren te kijken tijdens een psychodiagnostisch onderzoek
en zo oordeelsfouten te vermijden
HEURISTIEK EN BIASES IN DE KLINISCHE PRAKTIJK
Beslissingen nemen in klinische praktijk = complex: vaak is er onzekere en onvolledige informatie ter
beschikking en ben je genoodzaakt om heuristieken te gebruiken
= op ervaring gebaseerde, verkorte beslisroutes die vaak (maar niet altijd) tot correcte uitkomsten leiden
Satisficen (= heuristiek gebruiken) Maximizen
Stoppen met zoeken naar informatie en met hun Zorgen voor maximaal correcte beslissing
beslissingsproces van zodra tevreden met uitkomst • Vaak onmogelijk in klinische setting
• Uitkomst ‘goed genoeg’ vinden
• Niet per se de best haalbare
Heuristieken leiden tot efficiëntie (+), maar kunnen tot biases 1 leiden (-)
- Geheugenheuristieken: denkroutes/beslisroutes die gebruik maken van herinnering
- Aandachtsheuristieken: denkroutes/beslisroutes die gebruik maken van informatie die je aandacht
trekt
GEHEUGEN HEURISTIEKEN
Beschikbaarheidsheuristiek Simulatieheuristiek
= Oordeel hangt af van hoe makkelijk informatie = Oordeel hangt af van hoe makkelijk je een
voor jou beschikbaar is in geheugen hypothetisch scenario mentaal kunt simuleren
• Hoe makkelijker iets in het geheugen • Indien toekomstige gebeurtenis of contra-
beschikbaar is, hoe makkelijker je het feitelijke hypothetische vraagstelling:
meeneemt in je verdere beslissingsproces informatie niet feitelijk beschikbaar
o Invloed media o Bv kans dat pt PTSS ontwikkelt die gepest
wordt
De validiteit van dit oordeel is afhankelijk van hoe
accuraat het geheugen is • Je kunt antwoord niet uit geheugen halen
Geheugen is feilbaar en makkelijk te beïnvloeden → gebeurtenis mentaal simuleren
• Bekendheid/vertrouwdheid met zaken • Hoe makkelijker het simuleren gaat, hoe
• Opvallendheid/levendigheid van waarschijnlijker je die gebeurtenis vindt
o Bv is het mogelijk dat pesten kan leiden tot
gebeurtenis (saillantie) zich slecht voelen, herbeleven, gevoelens
o Bv automutilatie: direct denken aan BPS van irritatie?
1
Bias: vertekening in oordelen, ‘voor’-oordelen, oordelen voordat alle relevante informatie gekend is
, o Recency effect
• → Overschatting van waarschijnlijkheid van
de diagnose
Verankering en aanpassingsheuristiek Positieve teststrategie (en confirmation bias)
= Van een willekeurige beginwaarde wordt te weinig = Bij vermoedens testen afnemen waarvan verwacht
afgeweken in het eindoordeel wordt dat het hypothese bevestigd (↔ testen die
• Anker: bv verwijsbrief of oordeel collega alternatief kunnen bieden
• Problematisch: indien anker een • Neiging om te zoeken naar informatie die
disproportioneel grote invloed heeft op hypothese bevestigt (confirmeren). Men
uiteindelijke oordeel ten koste van staat niet open voor ongelijk te hebben
relevantere informatie die pas later • ↔ falsifiëren: welke informatie spreekt
beschikbaar komt het tegen?
• Bv experiment cliënt/sollicitant • Kan leiden tot confirmation bias: alleen
• → Informatie die reeds in begin van info zien die bij eigen idee past, niet
contact, of zelfs voor aanvang, het oordeel informatie die ertegen gaat
beïnvloedt • Mogelijks self-fulfilling prophecy: je vindt
Als T laten we ons vaak te veel leiden door eerste wat je verwacht te vinden
indruk. Doorheen heel therapeutisch proces moeten • Gevaar: overconfidence: denken dat men
we ontvankelijk blijven voor nieuwe informatie vaker bij het juiste eind zit dan in
werkelijkheid
Examen: wat leer je uit uitslag van test? Niet alleen kijken naar wat hypothese bevestigt, maar ook weerlegt!
AANDACHT HEURISTIEKEN
Representativiteitsheuristiek Prototypes
= moeilijke vraag vervangen door een makkelijke = Clinici laten zich bij het diagnosticeren vaak leiden
vraag door prototypes: voorbeelden die voor hen
• Hoe waarschijnlijk is het dat iets tot een karakteristieke of typische representaties zijn van
categorie behoort → in hoeverre dat iets een stoornis
lijkt op een typisch geval of een • Gebaseerd op eerdere ervaringen
representatief voorbeeld van die categorie • ↔ DSM
• Via patroonherkenning tot antwoord • Risico: iedereen ziet andere pt, waardoor
o Bv automutilatie → Borderline ook iedereen andere prototypes ontwikkelt
• ↔ DSM
• Gevaren in diagnostisch proces
o Meenemen van ongeldige
informatie, namelijk
verwachtingen
o Geldige en relevante informatie
onvoldoende meenemen in
oordeel
o Missen of verkeerd diagnosticeren
van atypische gevallen. Klachten
die niet passen bij prototypisch
beeld van stoornis, worden vaak
afgedaan als niet relevant (bv AN bij
jongen ).
KLINISCHE INTUÏTIE
- Automatische respons op klinische situatie
- Gebaseerd op ingeblikte kennis (via uitgebreid, expliciet leren – uit handboeken, later uit klinische
praktijk)
- Gepaard met sterke overtuiging het te weten
1
,↔ klinische blik
Het is geen heuristiek. Maar het kan wel leiden tot oordeelsfouten. Je moet intuïtie wel in vraag stellen!
- Correctheid afhankelijk van hoe correct de onderliggende kennis is, want maakt gebruik van (feilbaar)
geheugen
- Voornamelijk nuttig bij hypothesevorming, om dit dan bewust te gaan toetsen
1. Dus niet gebruiken om hypothese te toetsen, bevestigen of weerleggen
In praktijk gaat het vaak hand in hand met empirische aanpak
= vermogen van clinici om hun eerder opgedane ervaringen te gebruiken in een nieuwe situatie
Wanneer nuttig?
- Intuïtie kan ‘niet pluis’-gevoel zijn, waarschuwing dat er iets onverwachts gebeurt en dat je alert moet
zijn
1. Voorbeeld: boulimie-patiënte braakt niet meer, heeft wel nog eetbuien maar blijft afvallen → klinische intuïtie zegt
dat iets niet pluis is en er wordt doorgevraagd ➔ C blijkt diabetes te hebben en voor haar eetbuien geen insuline in te
spuiten waardoor glucose in urine
- Helpt om sneller te beslissen als er tijdsdruk is
- Kan een winst zijn voor het klinisch proces
BETER OORDELEN EN BESLISSEN
Wat kan een clinicus doen om oordeelsfouten te minimaliseren?
SYSTEMATISCH WERKEN
Systematische en statistische methoden verhogen betrouwbaarheid
- In praktijk: niet altijd zo sterk aanwezig
1. Clinici zien patiënten liever niet in statistische termen (‘ontmenselijken’)
2. Algemene wetmatigheden en gekoppelde ‘evidence-based’ behandeling zou niet van
toepassing zijn op die ene cliënt
3. Meer geloof in de kracht van de therapeutische relatie
- In theorie: zou inderdaad betrouwbaarheid verhogen, maar voor veel situaties zijn nog geen
statistische modellen beschikbaar
Systematisch werken vereist...
- Wetenschappelijk onderzoek kennen: diagnostisch onderzoek als single case study, volgens stappen
van de empirische cyclus + argumentatie. Repliceerbaarheid door stappen te expliciteren in verslag
- Wetenschappelijke methoden gebruiken: betrouwbare en valide instrumenten gebruiken én ermee
kunnen werken
NORMATIEVE MODELLEN UIT DE LOGICA EN KANSREKENING
Psychologische besliskunde onderzoekt hoe men het best gefundeerd kan beslissen → normatieve modellen
Normatieve besliskunde stelt
- Uitkomst van beslissing optimaliseren door alle mogelijke info verzamelen
- Dan op een logische correcte wijze een conclusie trekken
- Uit de informatie die je weegt en combineert op een volgens de kansrekening correcte wijze
2
, Logica Kansrekening
Deductie: geldige redenering Belangrijke beslissing: welke informatie over cliënt verzamelen en op
Bv. Alle depressieve mensen hebben welke manier?
negatieve stemming → Karel is
Risico:
depressief, dus heeft negatieve
stemming • Onderzoeksmiddelen gebruiken alleen maar omdat die toevallig
Geldt ook andersom: Bv. Karel heeft beschikbaar zijn (niet kijken naar kwaliteit of nut)
geen negatieve stemming → geen • Denken dat meer informatie altijd beter is
depressie
• Valkuil: gedachte dat uit test éénduidig en definitief antwoord
2 logicafouten/redeneerfouten
komt. Het gaat om scores met bepaalde
in klinische praktijk
betrouwbaarheidsmarge
• Inductie: afleiden van
Belangrijke aandachtspunten: als je bepaalt hoe groot de kans is dat jouw
een wetmatigheid uit
cliënt aan een stoornis lijdt (achteraf-kans), moet je rekening houden
een aantal
met aantal zaken (Bayes):
voorbeelden
1) Prevalentie van een stoornis in een populatie:
o Bv. A, B en C zijn
somber en hebben een = Hoe groot in het algemeen de kans is op die stoornis (vooraf-kans)
depressie, dus alle • Laag: indien positieve test, dan is de kans op stoornis hoger dan
sombere mensen voor testafname, maar nog steeds redelijk laag
hebben depressie →
• Hoog: indien positieve test, dan zegt die test niet super veel,
ONGELDIG omdat de vooraf kans op de stoornis al zo hoog is
• Abductie: terug- • → Zelfde testuitslag in verschillende populaties leiden tot
redeneren vanuit de verschillende kansen op stoornis
conclusie naar de
2) Psychometrische kenmerken van een test:
premissen = Sensitiviteit/specificiteit test:
o Bv. als persoon
autistisch is, dan maakt • Sensitiviteit: positieve testscore in aanwezigheid van de stoornis
die persoon slecht • Specificiteit: negatieve testscore in afwezigheid van de stoornis
contact. Jan maakt VALKUIL: deze redenering niet kunnen maken of gewoon negeren, en
slecht contact, dus is
positief testresultaat interpreteren als aanwezigheid van stoornis
autistisch →
• Geen enkele test is 100% betrouwbaar en valide
ONGELDIG
• Base rate van stoornis speelt ook een rol
o Dit negeren: base rate neglect
o Bij heel lage prevalentie/vooraf-kans wordt achteraf-
kans nooit hoog → indien deze negeren, leidt dit tot
overdiagnostiek (Zie uitgewerkt voorbeeld hieronder)
Kans dat de cliënt de stoornis heeft met een positieve testscore:
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 91
→ = 0,34
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛+𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑣𝑎𝑙𝑠 𝑝𝑜𝑠𝑖𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 91+178
De kans dat de cliënt de stoornis niet heeft bij een negatieve test:
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 712
→ = 0,97
𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑣𝑎𝑙𝑠 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛+𝑎𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑐𝑜𝑟𝑟𝑒𝑐𝑡 𝑛𝑒𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒𝑛 19+712
3