Mr. Big-methode
1. Is de Mr. Big-methode rechtmatig toegepast?
2. Er volgen een aantal gezichtspunten uit art. 126j Sv:
a. Subject (degene tegen wie de bevoegdheid wordt ingezet)
b. Autoriteit (wie is bevoegd dit optreden in te zetten)
c. Geval (verdenking van een misdrijf)
d. Grond (belang van het onderzoek; art. 67 lid 3 Sv)
e. Termijn
3. Vervolgens moet er getoetst worden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit:
a. Subsidiariteit (Is er een minder vergaand alternatief mogelijk?)
b. Proportionaliteit (Staat het middel in redelijke verhouding met het doel?)
4. Heeft de verdachte een verklaring afgelegd in strijd met de verklaringsvrijheid? Aan de hand
van de aspecten van het Posbank-arrest kan dit beantwoord worden:
a. Het verloop van het opsporingstraject
b. De eventueel reeds door de verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot
de feiten waarvoor hij wordt verdacht
i. Heeft de verdachte zich hiervoor bijv. beroept op zijn zwijgrecht?
c. De mate van (psychische) druk
i. Het is belangrijk om te beoordelen hoe gevoelig iemand is voordat er druk
werd uitgeoefend
d. De mate van misleiding die is toegepast
e. In welke mate hebben de opsporingsambtenaren bemoeienis gehad met de inhoud
van de door de verdachte afgelegde verklaringen
f. De duur en intensiteit van het traject
g. De strekking en frequentie met de verdachte zelf
h. De in het vooruitzicht gestelde positieve of negatieve consequenties als de verdachte
juist wel of geen opheldering geeft over bepaalde zaken
5. Hoe heeft verslaglegging plaatsgevonden?
a. Naast schriftelijke vastlegging is auditief of audiovisueel ook belangrijk.
6. Conclusie
, Week 2
Impliciete wettelijke basis
1. Is de inzet van het opsporingsmiddel rechtmatig gebruikt?
2. Voor opsporingshandelingen zonder expliciete wettelijke basis moet er gekeken worden naar
art. 3 Politiewet 2012 en art. 141/142 Sv. Hieruit volgt de impliciete wettelijke basis. Hiervoor
zijn twee criteria opgesteld in het arrest Stille SMS:
a. Een beperkte inbreuk op de grondrechten van de verdachte
i. Kijk hier naar: plaats, duur, frequentie en eventueel het gebruik van een
technisch hulpmiddel
b. Het middel is niet zeer risicovol voor de integriteit en beheersbaarheid van de
opsporing
i. Is er overleg geweest met de OvJ? Heeft er verslaglegging plaatsgevonden?
3. Conclusie
Expliciete wettelijke basis
1. Is de inzet van het opsporingsmiddel rechtmatig gebruikt?
a. Denk hierbij aan staandehouding, fouillering, etc.
2. Wordt er voldaan aan de voorwaarden van de expliciete wettelijke basis?
a. Subject (degene tegen wie de bevoegdheid wordt ingezet)
b. Autoriteit (wie is bevoegd dit optreden in te zetten)
c. Geval (verdenking van een misdrijf)
d. Grond (belang van het onderzoek; art. 67 lid 3 Sv)
e. Termijn
3. Aangezien het gaat om een verdachte moet er sprake zijn van een ‘redelijk vermoeden’, aan
de hand van drie gezichtspunten kan dit worden beoordeeld:
a. Objectiveerbaarheid
i. Is het vermoeden gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden?
b. Individualiseerbaarheid
i. Eén of meer personen op het oog hebben
c. Concretiseerbaarheid
i. Is er een vermoeden van een bepaald strafbaar feit?
4. Conclusie