Toegepast onderzoeken – opzetten, uitvoeren en rapporteren Samenvatting
Hoofdstuk 1 Onderzoeksperspectieven en –methoden
Wat is onderzoek
Een onderzoek moet aan vijf voorwaarden worden voldoen om van een wetenschappelijk onderzoek te spreken:
betrouwbaarheid (nauwkeurig), validiteit (meten wat men wil meten), repliceerbaarheid (is het herhaalbaar),
objectiviteit, en ethische verantwoordheid (geen schade aan de betrokkenen).
Wetenschappelijk onderzoek: gericht op het verkrijgen van meer theoretisch inzicht.
Toegepast onderzoek: gericht op het verbeteren van de praktijk.
Verschillende onderzoeksperspectieven, -methoden en –technieken
Historisch gezien zijn er twee brede wetenschapsfilosofische perspectieven op onderzoek te onderscheiden:
1. Inductie: op grond van specifieke waarnemingen komt men tot een algemene theorie.
2. Deductie: op grond van een algemene theorie komt men tot een specifieke verwachting (hypothese).
Ook kunnen er twee wetenschapsfilosofische stromingen onderscheiden worden:
1. Interpretatieve stroming: bestudeert ervaringen van mensen, de beleefde waarheid staat centraal.
2. Empirisch-analytisch (positivistische) stroming: verzamelt feiten op basis van zintuiglijke waarnemingen.
In de onderzoeksliteratuur wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen twee centrale onderzoeksmethoden:
1. Kwalitatief: rijke, diepgaande informatie wordt verzameld, zoals een lang interview over iemands tevredenheid.
2. Kwantitatief: gericht op beschrijven of toetsen, dat in meetbare eenheden is uit te drukken.
Onderzoekstechnieken:
1. Interviews: kwalitatieve techniek, omdat er de mogelijkheid is om door te vragen.
2. Surveymethode: ook wel enquête- of vragenlijstonderzoek genoemd (kwantitatief).
3. Mixedmethodstudies: studies die van zowel kwalitatieve als kwantitatieve methoden gebruikmaken.
4. Multimethodstudies: studies die verschillende kwalitatieve of verschillende kwantitatieve technieken gebruiken.
(Zie figuur 1.1 p. 18 voor overzicht van veelgebruikte onderzoekstechnieken)
Zowel bij interpretatieve als bij positivistische perspectieven kunnen casestudies en experimenten gebruikt worden.
Experiment: vindt zoveel mogelijk geïsoleerd plaats. Aantal variabelen dat men onderzoekt is beperkt.
Casestudy: vindt zoveel mogelijk plaats in de natuurlijke omgeving. Aantal variabelen is uitgebreid.
,Hoofdstuk 2 De empirische, professionele en toegepastonderzoekcyclus
Fasen Empirische cyclus Toegepastonderzoekcyclus Professionele cyclus (vb)
1 Observatie Probleemdefinitie opstellen Selectie
2 Theorie bestuderen en Bronnen bestuderen en Prestatie
hypothesen opstellen onderzoeksmodel bouwen
3 Voorspellingen doen Plan van aanpak ontwerpen Beoordeling
4 Onderzoeksdata verzamelen Onderzoek uitvoeren / Beloning / ontwikkeling
interveniëren
5 Evaluatie Conclusies trekken en evalueren -
De empirische cyclus
Dit type onderzoek heeft altijd een kennisprobleem als uitgangspunt. In de eerste fase wordt het object van studie
geobserveerd of verkend om tot de eerste verwachtingen te komen tussenfase, de inductie: op basis van vele
specifieke observaties is er tot een algemene theorie gekomen. De tweede fase heeft als doel de algemene
verwachtingen te kunnen formuleren waarmee het kennisprobleem kan worden opgelost tussenfase, de
deductie: het uit een theorie afleiden van een veronderstelling of toetsbare voorspelling. In fase drie worden
SMART-geformuleerde voorspellingen toetsbaar gemaakt tussenfase, de toetsing: hier wordt bepaald welke data
er verzameld gaan worden door een onderzoeksopzet te maken waarmee de voorspellingen getoetst kunnen
worden. In fase vier worden de data verzameld door de onderzoekers tussenfase, analyse: de verzamelde data
wordt geanalyseerd om de voorspellingen te toetsen. Fase vijf is evaluatie.
De professionele cyclus
De optimalisatie van de praktijkuitvoering staat centraal. Fasering en inhoud van de cyclus hangt sterk af van het
beroepenveld dat men bekijkt, waardoor het een specifiekere cyclus is dan de empirische cyclus. In de eerste fase is
er sprake van werving en selectie. In de tweede fase gaan de geselecteerde medewerkers aan de slag binnen de
organisatie. In de derde fase wordt de prestatie van de medewerker beoordeeld, waaruit een beloning of een
ontwikkelpunt kan komen.
De cyclus voor toegepast onderzoek
Dit is een kruising van de empirische en de professionele cyclus. Het gaat erom een concreet probleem op te lossen,
maar niet door kennis toe te passen, maar door wetenschappelijk onderzoek te doen. In de eerste fase vindt een
probleemanalyse plaats om het probleem helder te krijgen. In de tweede fase wordt er relevante literatuur
verzameld en bestudeerd voor het onderzoeksdoel, waaruit een conceptueel model wordt opgesteld. In de derde
fase wordt een onderzoeksplan ontworpen door te bepalen m.b.v. welke onderzoeksmethoden de hypothese
getoetst kan worden. In de vierde fase worden de data verzameld en geanalyseerd. Hiernaast wordt er soms in deze
fase een verbeteringstraject geïmplementeerd. In de vijfde fase worden conclusies getrokken ten aanzien van de
onderzoeksvraag, op basis van de resultaten uit de vorige fase. Tot slot vindt er een evaluatie plaats.
Toegepast onderzoek en empirisch onderzoeken kunnen erg op elkaar lijken. Het lastige bij empirisch onderzoek is
echter het onderbouwen volgens wetenschappelijke criteria. Twee voorbeelden zijn organisatiediagnose en
actieonderzoek (draagt bij aan implementeren van verandering): hieruit volgt ervaring dat kennis oplevert, maar
wetenschappers zullen die kennis volgens de regels van de wetenschap moeten kunnen verantwoorden.
Opdrachtgevers bij toegepast onderzoek
Vooral bij toegepast onderzoek is sprake van een opdrachtgever. Wie de verantwoordelijkheid heeft over het
onderzoek hangt grotendeels af van de rol die de onderzoeker/adviseur inneemt. De meeste voorkomende zijn:
, 1. De expertrol, waarin de onderzoeker weinig contact heeft met de opdrachtgever en hem op basis van eigen
expertise een advies geeft.
2. De partnerrol, waarin de organisatieonderzoeker en opdrachtgever een gelijkwaardige positie innemen.
3. De handlangerrol, waarin de onderzoeker voor het karretje van de opdrachtgever wordt gespannen en er vrij
weinig overleg plaatsvindt.
Hoofdstuk 1 Onderzoeksperspectieven en –methoden
Wat is onderzoek
Een onderzoek moet aan vijf voorwaarden worden voldoen om van een wetenschappelijk onderzoek te spreken:
betrouwbaarheid (nauwkeurig), validiteit (meten wat men wil meten), repliceerbaarheid (is het herhaalbaar),
objectiviteit, en ethische verantwoordheid (geen schade aan de betrokkenen).
Wetenschappelijk onderzoek: gericht op het verkrijgen van meer theoretisch inzicht.
Toegepast onderzoek: gericht op het verbeteren van de praktijk.
Verschillende onderzoeksperspectieven, -methoden en –technieken
Historisch gezien zijn er twee brede wetenschapsfilosofische perspectieven op onderzoek te onderscheiden:
1. Inductie: op grond van specifieke waarnemingen komt men tot een algemene theorie.
2. Deductie: op grond van een algemene theorie komt men tot een specifieke verwachting (hypothese).
Ook kunnen er twee wetenschapsfilosofische stromingen onderscheiden worden:
1. Interpretatieve stroming: bestudeert ervaringen van mensen, de beleefde waarheid staat centraal.
2. Empirisch-analytisch (positivistische) stroming: verzamelt feiten op basis van zintuiglijke waarnemingen.
In de onderzoeksliteratuur wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen twee centrale onderzoeksmethoden:
1. Kwalitatief: rijke, diepgaande informatie wordt verzameld, zoals een lang interview over iemands tevredenheid.
2. Kwantitatief: gericht op beschrijven of toetsen, dat in meetbare eenheden is uit te drukken.
Onderzoekstechnieken:
1. Interviews: kwalitatieve techniek, omdat er de mogelijkheid is om door te vragen.
2. Surveymethode: ook wel enquête- of vragenlijstonderzoek genoemd (kwantitatief).
3. Mixedmethodstudies: studies die van zowel kwalitatieve als kwantitatieve methoden gebruikmaken.
4. Multimethodstudies: studies die verschillende kwalitatieve of verschillende kwantitatieve technieken gebruiken.
(Zie figuur 1.1 p. 18 voor overzicht van veelgebruikte onderzoekstechnieken)
Zowel bij interpretatieve als bij positivistische perspectieven kunnen casestudies en experimenten gebruikt worden.
Experiment: vindt zoveel mogelijk geïsoleerd plaats. Aantal variabelen dat men onderzoekt is beperkt.
Casestudy: vindt zoveel mogelijk plaats in de natuurlijke omgeving. Aantal variabelen is uitgebreid.
,Hoofdstuk 2 De empirische, professionele en toegepastonderzoekcyclus
Fasen Empirische cyclus Toegepastonderzoekcyclus Professionele cyclus (vb)
1 Observatie Probleemdefinitie opstellen Selectie
2 Theorie bestuderen en Bronnen bestuderen en Prestatie
hypothesen opstellen onderzoeksmodel bouwen
3 Voorspellingen doen Plan van aanpak ontwerpen Beoordeling
4 Onderzoeksdata verzamelen Onderzoek uitvoeren / Beloning / ontwikkeling
interveniëren
5 Evaluatie Conclusies trekken en evalueren -
De empirische cyclus
Dit type onderzoek heeft altijd een kennisprobleem als uitgangspunt. In de eerste fase wordt het object van studie
geobserveerd of verkend om tot de eerste verwachtingen te komen tussenfase, de inductie: op basis van vele
specifieke observaties is er tot een algemene theorie gekomen. De tweede fase heeft als doel de algemene
verwachtingen te kunnen formuleren waarmee het kennisprobleem kan worden opgelost tussenfase, de
deductie: het uit een theorie afleiden van een veronderstelling of toetsbare voorspelling. In fase drie worden
SMART-geformuleerde voorspellingen toetsbaar gemaakt tussenfase, de toetsing: hier wordt bepaald welke data
er verzameld gaan worden door een onderzoeksopzet te maken waarmee de voorspellingen getoetst kunnen
worden. In fase vier worden de data verzameld door de onderzoekers tussenfase, analyse: de verzamelde data
wordt geanalyseerd om de voorspellingen te toetsen. Fase vijf is evaluatie.
De professionele cyclus
De optimalisatie van de praktijkuitvoering staat centraal. Fasering en inhoud van de cyclus hangt sterk af van het
beroepenveld dat men bekijkt, waardoor het een specifiekere cyclus is dan de empirische cyclus. In de eerste fase is
er sprake van werving en selectie. In de tweede fase gaan de geselecteerde medewerkers aan de slag binnen de
organisatie. In de derde fase wordt de prestatie van de medewerker beoordeeld, waaruit een beloning of een
ontwikkelpunt kan komen.
De cyclus voor toegepast onderzoek
Dit is een kruising van de empirische en de professionele cyclus. Het gaat erom een concreet probleem op te lossen,
maar niet door kennis toe te passen, maar door wetenschappelijk onderzoek te doen. In de eerste fase vindt een
probleemanalyse plaats om het probleem helder te krijgen. In de tweede fase wordt er relevante literatuur
verzameld en bestudeerd voor het onderzoeksdoel, waaruit een conceptueel model wordt opgesteld. In de derde
fase wordt een onderzoeksplan ontworpen door te bepalen m.b.v. welke onderzoeksmethoden de hypothese
getoetst kan worden. In de vierde fase worden de data verzameld en geanalyseerd. Hiernaast wordt er soms in deze
fase een verbeteringstraject geïmplementeerd. In de vijfde fase worden conclusies getrokken ten aanzien van de
onderzoeksvraag, op basis van de resultaten uit de vorige fase. Tot slot vindt er een evaluatie plaats.
Toegepast onderzoek en empirisch onderzoeken kunnen erg op elkaar lijken. Het lastige bij empirisch onderzoek is
echter het onderbouwen volgens wetenschappelijke criteria. Twee voorbeelden zijn organisatiediagnose en
actieonderzoek (draagt bij aan implementeren van verandering): hieruit volgt ervaring dat kennis oplevert, maar
wetenschappers zullen die kennis volgens de regels van de wetenschap moeten kunnen verantwoorden.
Opdrachtgevers bij toegepast onderzoek
Vooral bij toegepast onderzoek is sprake van een opdrachtgever. Wie de verantwoordelijkheid heeft over het
onderzoek hangt grotendeels af van de rol die de onderzoeker/adviseur inneemt. De meeste voorkomende zijn:
, 1. De expertrol, waarin de onderzoeker weinig contact heeft met de opdrachtgever en hem op basis van eigen
expertise een advies geeft.
2. De partnerrol, waarin de organisatieonderzoeker en opdrachtgever een gelijkwaardige positie innemen.
3. De handlangerrol, waarin de onderzoeker voor het karretje van de opdrachtgever wordt gespannen en er vrij
weinig overleg plaatsvindt.