1.1
Populatie = alle eenheden waar je in je onderzoek uitspraak over wil doen (landen, medewerkers,
burgers, etc.)
Is vaak niet mogelijk om de gehele populatie te onderzoeken, bijv. hele bevolking van Nederland.
Dus vaak pak je een deel van die populatie (= steekproef)
De kenmerken tussen de steekproef en de populatie zullen altijd wel iets verschillen, dit noemen we
de meetfout (= het natuurlijke verschil dat er bestaat tussen steekproef en populatie)
Inferenties = conclusies die je maakt op basis van een steekproef over de bredere populatie (dus
generaliseren)
Voorwaarde om dit te kunnen doen, is dat je een aselecte steekproef doet (= alle eenheden in een
populatie hebben een even grote kans om terecht te komen in de steekproef, dus niet alleen maar
studenten meenemen in je steekproef bijv.)
Inferentiële statistiek = uitkomsten van steekproeven generaliseren naar een populatie
Beschrijvende statistiek = uitkomsten van onderzoek in kaart brengen
Kenmerken van populaties zijn parameters
Kenmerken van steekproeven zijn statistieken
1.2
Verschillende soorten meetniveaus:
- Nominaal meetniveau
voorwaarden: als een variabele verschillende waarden kan aannemen; iemand is man of
vrouw, iemand stemt op PvdA of D66)
- Ordinaal meetniveau
voorwaarden: verschillende waarden, en als er een logische ordening in zit (bijv. het
opleidingsniveau van iemand)
- Interval meetniveau
voorwaarden: verschillende waarden, ordening, en als de waarden op gelijke afstand van
elkaar liggen (bijv. het IQ van mensen)
- Ratio meetniveau
voorwaarden: verschillende waarden, ordening, gelijke afstand en er moet sprake zijn van
een absoluut nulpunt (bijv. het aantal stemmers dat is komen opdagen bij een verkiezing)
Let op:
- Stellingen die aan respondenten zijn voorgelegd waarbij ze kunnen antwoorden op een 5-
puntsschaal (helemaal eens t/m helemaal oneens bijvoorbeeld)
Een vijfpuntsschaal is een ordinaal meetniveau
- Samengestelde vijfpuntsschaal (een serie van vragen of stellingen op een vijfpuntsschaal,
waarop een samengestelde score wordt berekend)
een samengestelde vijfpuntsschaal is een interval meetniveau
een 10-puntsschaal is ook een voorbeeld van een interval meetniveau
Het nominaal en ordinaal meetniveau kun je weergeven in:
- Percentages
- Frequentietabel
1
, - Staafdiagram
- Cirkeldiagram
Interval- en ratio meetniveaus kun je weergeven in:
- Gemiddelde + standaarddeviatie
- Histogram
- Polygoon
Staafdiagram = de staven staan los van elkaar weergegeven
Histogram = de staven staan tegen elkaar weergegeven
Afhankelijke variabele = de variabele die gemanipuleerd wordt door de onderzoeker, is afhankelijk
van een andere variabele
Onafhankelijke variabele = de variabele die wordt geobserveerd om het effect van de behandeling te
beoordelen, is niet afhankelijk van een andere variabele
Discrete variabele = bestaat uit aparte, ondeelbare categorieën, er kunnen geen waarden bestaan
tussen twee aangrenzende categorieën
Continue variabele = er is een oneindig aantal mogelijke waarden die tussen twee willekeurige
waargenomen waarden vallen. Een continue variabele is deelbaar in een oneindig aantal fractionele
delen
1.3
Doel centrummaten: lokaliseren van het midden van een verdeling (dmv bijv. gemiddelde of
mediaan)
Verschillende soorten centrummaten:
- Modus (= meest voorkomende waarde in een verdeling, kunnen meerdere modi zijn)
te gebruiken voor alle meetniveaus
kan het beste bij nominaal en ordinaal
- Mediaan (= middelste waarde in een verdeling)
te gebruiken bij ordinaal, interval of ratio meetniveaus
- Gemiddelde (= som van alle waarden delen door aantal waarden)
niet geschikt bij extreme scores (bijv. bij leeftijd allemaal studenten en één oude docent)
kan het beste bij interval en ratio meetniveau
1.4
Spreidingsmaten geven aan hoever de waarden van scores uit elkaar liggen.
Spreidingsmaten (om tot de standaarddiferentiatie te komen):
- Sum of squares: som van de gekwadrateerde afstand tot het gemiddelde
SS = Σ ( x −μ of M )2
- Variantie: de gemiddelde gekwadrateerde afstand tot het gemiddelde
2SS
σ = (in geval van populatie)
N
SS
s2= (in geval van een steekproef)
n−1
- Standaarddeviatie: gemiddelde afstand tot het gemiddelde
σ =√ σ 2 (bij populatie)
s= √ s2 (bij een steekproef)
Standaarddeviatie kan nooit negatief zijn!
2
, 1.5
Normaalverdeling kenmerken:
- Gemiddelde, modus en mediaan zijn gelijk aan elkaar
- Aan beide kanten van het gemiddelde liggen evenveel scores
- De meeste scores liggen rond het gemiddelde
- Extreme scores komen weinig voor
Standaarddeviatie (ookwel standaardafwijking) meet de gemiddelde afwijking van het gemiddelde
Variatie = het fenomeen dat alle waardes een beetje van het gemiddelde verschillen
Variantie = gemiddelde gekwadrateerde afstand tot het gemiddelde
3