BIJZONDERE CONTRACTEN
EXAMEN
- Wat is te kennen? Het boek (lijst op bb over wat u niet moet kennen) en de hoorcolleges (focus op inzicht,
verbanden en toepassing) + oefencolleges
- Staat op bb niet kennen, maar wordt het wel besproken in de hoorcolleges, is het te kennen ten belope van
de hoorcolleges
- er staat veel in het wetboek
- 3 onderdelen: juist/fout en waarom + inzichtsvragen + toepassingsvragen
DEEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: algemeen
Contractvrijheid
= vrij om al dan niet te contracteren, tegen welke voorwaarden, prijs, …
Algemeen contractenrecht
= regels met betrekking tot verbintenissen die uit contracten voortvloeien
- geïncorporeerd in boek 5 BW
- Lex generalis
HOOFDSTUK 2: benoemde contracten, onbenoemde contracten en kwalificatie van contracten
A. AFDELING 1: ONDERSCHEID TUSSEN BENOEMDE EN ONBENOEMDE CONTRACTEN
Benoemde contracten
= een contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Welke regels zijn van toepassing? regime?
- 1: wettelijk set regels (aanvullend recht) + contract (voor zover niet dwR): krijgen een regime als
uitgangspunt van aanvullend recht (de default ligt al klaar)
→ voor de meest gangbare contracten is er een set van regels voorzien op basis van de vermoedelijke
wil van de partijen
- 2: Derde laag/subsidiair (5.13 BW): algemene regels van het verb & contractenrecht (met art. 5.71 BW) -
doen geen afbreuk aan de andere regels
- Staan in de eerste plaats in het oud burgerlijk wetboek (deel 3)
- Bv. koop, huur, lastgeving, bewaargeving, …
Onbenoemde contracten/sui generis
= een contract dat niet aan een specifieke regeling is onderworpen
Regels van toepassing? regime?
- 1: Contract zelf ∼ wilsautonomie als uitgangspunt
1
, - 2: Gemene verb & contractenrecht (met art. 5.71 BW) (wanneer partijen hun contract niet volledig zelf
hebben uitgewerkt)
- 3: Regels benoemd contract per analogie bv. voor een leasing (lijkt op huur)
→ hebben een “eigen aard”
Art. 5.71. Inhoud van het contract
Een contract verbindt niet alleen tot hetgeen daarin overeengekomen is, maar ook tot alle gevolgen die door de wet,
de goede trouw of de gebruiken eraan, volgens de aard en de strekking ervan, worden toegekend.
Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, en voor zover de aard en de strekking ervan zich daartoe lenen,
gelden de bedingen van een raamcontract ook voor de uitvoeringscontracten.
Ruime invulling - art. 5.13 BW
○ Onbenoemde contracten: alle contracten die geen specifieke regeling hebben en bijgevolg louter aan het
algemeen contractenrecht zijn onderworpen
○ Benoemde contracten: alle contracten die hetzij door het (oud) BW hetzij door een andere wet uitdrukkelijk
zijn geregeld
Enge invulling - art. 1107 oud BW
○ Onbenoemde contracten: contracten die niet uitdrukkelijk in het (oud) BW zijn geregeld (maar evt. wel in
andere bijzondere wetgeving)
○ Benoemde contracten: contracten die uitdrukkelijk in het (oud) BW zijn geregeld
Gemengde contracten (5.67 BW) - mix van verschillende benoemde contracten
Contracten van voor 1 januari 2025 worden beheerst door het oud BW en dus ook de opzegging (bv. een contract
2020 moet in 2026 worden opgezegd volgens de regels van het oud BW)
Oude recht is voor dit vak niet te kennen, boek 1 en boek 5 nieuw BW zijn van belang
- We bespreken het huidige recht
- + contract per contract de belangrijkste wijzigingen
Boek 7 (bijzondere contracten): doel is herstructurering, integratie, vereenvoudiging en coherentie
bep. contracten staan nog niet in BW: arbeidscontract, zekerhedencontract, huwelijkscontract, …
OVERZICHT
Deel I: contracten mbt overdracht van eigendom
- Koop (+ruil) (= centrale contract inzake de overdracht van goederen)
- Kanscontracten ( = uitkomst ligt op voorhand niet vast)
Deel II: contracten mbt gebruik & genot v/e goed
- Huur
- Lening
Deel III: dienstencontracten
- Aanneming
- Bewaargeving
- Lastgeving (vooral stellen van vertegenwoordigingsdaden)
Deel IV: vaststellingscontracten (dading)
Drie belangrijkste: koop, huur en aanneming ( sowieso hierover vragen op examen!)
2
,Ratio achter het bestaan van benoemde contracten (ruime zin)
1. Bescherming zwakke contractpartij
Wilsautonomie (cf 5.3 en 5.14 BW) en sociale welvaartmij, cf. Napoleon: partijen zijn vrij om al dan niet te
contracteren, zo ja, dan zijn ze verantwoordelijk
= uitgangspunt contractenrecht/privaatrecht
- probleem? Mensen zijn feitelijk niet gelijk, bv. Huur: huurder is doorgaans de zwakkere partij, de wetgever
gaat hier ook van uit
- dwingende bepalingen op straffe van nietigheid
- Tendens voor aandacht voor de zwakkere partij, bv. Aandacht voor zorgvuldigheidsnorm/goede trouw
Consumentenrecht sensu lato
= recht ter bescherming in de verhouding onderneming/consument (onder impuls van europa) - B2C
- Dwingend recht
- gemrechtelijke bescherming (zorgvheidsnorm: goede trouw, contr en precontr infoplicht; gekwalificeerde
benadeling/misbruik omstandigheden 5.37 BW enz)
Consumentenrecht sensu stricto
- Bv WER, consumentenkoop
- Boek 6 WER: verboden bedingen, herroepingsrecht, … = afdwingbare materie/onderdeel met scherpe
tanden
- Afdwingbaarheidsparadox
Boek VI WER (marktpraktijken + consumentenbescherming)
Art I.1 WER (algemeen) - definities
- Consument (I.1, 2° WER)
- nat persoon buiten handels/bedrijf/ambacht/beroepsactiviteit
- nooit een RP!
- Onderneming (I.1, 1° WER) (doch zie boek VI)
- Natuurlijke persoon met een zelfstandige beroepsactiviteit, bv. Kapper, slager, advocaat, architect,
…
- Élke rechtspersoon is een onderneming, ongeacht winstoogmerk (tenzij bv Staat, ocmw) =
uitgangspunt
- Elke andere organisatie zonder Rspersh tenzij geen winst/uitkeringsoogmerk en geen uitkeringen
verricht
- Voorwerp
- Producten: (roerende en onroerende) goederen en diensten + OR (I.1, 4° WER)
- Goederen: lichamelijke roerende zaken (I.1, 6° WER)
- Lichamelijk: zintuiglijk waarneembaar
- Roerend: “beweegbaar” goed
- Diensten: prestaties (ikv profess activ/statut doel) (I.1, 5° WER)
MAAR Art I.8 (moo boek VI)
- 39°: onderneming
= iedere nat pers of Rspers die op duurzame wijze economisch doel nastreeft (winstoogmerk, dus geen
vzw ⇔ art 1.1 WER)
3
, = beperkter begrip
- 33°: verkoopovk
= iedere ovk waarbij onderneming de eigd v goederen aan consument overdraagt of verbindt over te dragen
en consument prijs daarvan betaalt of verbindt te betalen, miv elke ovk die zowel goederen als diensten
betreft;
→ zowel eng als ruim begrip
- Eng: er is sprake van een eigendomsoverdracht van goederen en lichamelijke roerende zaken)
- Ruim: “miv elke ovk die zowel goederen als diensten betreft” - bij gemengde contracten is het ook
een verkoop
- 34°: dienstenovk
= iedere andere ovk dan Vkovk waarbij onderneming de consument een dienst levert of verbindt dienst te
leveren en consument prijs daarvan betaalt of verbindt te betalen.
Bv. makelaar die een woning verkoopt
- 47°: product
= miv digitale diensten en digitale inhoud
Onrechtmatige bedingen: gelden als uitgangspunt voor producten + diensten
= lijst van bedingen in het WER die verboden zijn, zijn automatisch nietig
Ovk op afstand + buiten onderneming:
- Koop van goederen
- Diensten (ook ORG!)
Wet 4/4/2019 - B2B
- v/a 1/12/20: regeling onrechtmatige bedingen
- Onderneming cf I.8, 39 °WER
- Producten
- Zwarte lijst (VI.91/4 WER) vs grijze lijst (VI.91/5 WER)
- Zwarte lijst: automatisch nietig
- Grijze lijst: mag in principe niet, tenzij partijen kunnen verklaren waarom het geen
probleem is (weerlegbaar vermoeden van onrechtmatigheid)
Onrechtmatige bedingen (5.52 BW)
”Elk beding waarover niet kan worden onderhandeld en dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en
plichten van partijen is onrechtmatig en wordt voor niet geschreven gehouden. Bij de beoordeling van het kennelijk
onevenwicht wordt rekening gehouden met alle omstandigheden rond het sluiten van het contract. Het eerste lid is
noch van toepassing op de bepaling van de hoofdprestaties van het contract, noch op de gelijkwaardigheid van deze
hoofdprestaties.”
= restrictief, veel beperkingen op het toepassingsgebied
- = Lex generalis, maw WER primeert op 5.52 BW
- Ongeacht B2B, B2C, C2C maar let op bv. WER als lex specialis
- Geldt enkel voor bedingen waarover niet kan worden onderhandeld (niet noodzakelijk toetredingscontract)
- Geldt niet mbt (gelijkwaardigheid) hoofdprestaties (evt misbruik van omstandigheden)
2. Creatie van het wettelijk ‘fall back’-regime
= een afzonderlijke wettelijke regeling voor contracten die frequent voorkomen voor het geval de partijen in hun
contract zelf geen grondige regeling hebben uitgewerkt
4
,waarom?
- duidelijkheid en rechtszekerheid
- een evenwichtige regeling van de rechtsverhouding tussen contractpartijen tot stand te brengen
Doelen afzonderlijke regeling:
(1) Interpretatieve of faciliterende functie
(2) Complementaire functie: lacunes in gemene verbintenissenrecht aan te vullen op een wijze waarvan de
wetgever veronderstelt dat de partijen deze zelf zouden overeenkomen
(3) Corrigerende functie: correctie voor eventueel onbillijke resultaten die uit het gemeen contractenrecht
kunnen leiden
B. AFDELING 2: KWALIFICATIE VAN CONTRACTEN
Kwalificatie
= het juridisch benoemen van een contract of het onderbrengen van een contract in een juridische categorie
Uitgangspunt: Partijen vrij overeen te komen (stilzwijgend/uitdrukkelijk) ∼
wilsautonomie
- Rechter gaat in de eerste plaats kijken of de partijen het contract zelf hebben gekwalificeerd en moet deze
kwalificatie dus ook respecteren, tenzij dat de inhoud onverenigbaar is met de partijcommunicatie, dan kan
de rechter herkwalificeren
- Geen kwalificatie? Rechter gaat zelf kwalificeren obv de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
Partijen?
- Geen kwalificatie gegeven → rechter kwalificeert obv gemsch bedoeling
- Wel kwalificatie gegeven → Rechter confrontatie met gemsch bedoeling
- de feitelijke elementen zijn onverenigbaar met de gegeven kwalificatie → herkwalificatie
- niet onverenigbaar → partijkwalificatie (5.68 en cf 5.69 BW) (de rechter dient het contract dan
als rechtsfeit te aanvaarden!)
⇔ Conversie (5.68 BW ‘onverenigbaar met dwRtel regels of openbare orde’)
Kwalificatie van gemengde contracten:
(1) onbenoemd/sui generis: de gemengde contracten zijn zo “gemixt/verweven” dan we niet meer kunnen
spreken van een benoemd contracten (“we kennen het niet meer”)
(2) combinatietheorie/cumulatietheorie: de regels van de benoemde contracten die in het gemengd contract
vertegenwoordigd zijn, moeten naast elkaar worden toegepast op de verschillende respectieve onderdelen
van het gemengd contract
= duidelijk onderscheid tussen elementen bv. koop/aanneming, er zijn 2 duidelijke onderdelen: op het
stukje koop worden de regels van koop toegepast en op het stukje aanneming de regels van aanneming
→ theorie leidt tot moeilijkheden wanneer de onderdelen sterk verweven zijn met elkaar
(3) absorptieleer: één element is dominant/belangrijker dan het andere, het dominante deel gaat het andere
deel absorberen, het contract krijgt de kwalificatie van het dominante element
- bv. bouwen van een huis op een stuk grond: degene die bouwt zal enerzijds materiaal leveren en
anderzijds diensten leveren, nl. het huis bouwen
5
, - verschillende criteria om te achterhalen welk contracttype overheersend is: expliciete/impliciete
wil v/d partijen of economische criteria (bv. welk deel heeft de hoogste economische waarde?)
Uitgangspunt? combinatietheorie/cumulatietheorie, maar dit is niet altijd even gemakkelijk
Bv. aanneming en lastgeving zijn elks op een andere manier te beëindigen, in zo’n geval is de absorptieleer van
toepassing indien er sprake is van een dominant deel, anders zal binnen de absorptie weer een cumul plaatsvinden.
Bv. als u een huis verkoopt, kan u beroep doen op een makelaar die het huis kan verkopen in uw naam en voor uw
rekening. Hier spreken we van een combinatie van aanneming en lastgeving
Cumulatietheorie → absorptietheorie → sui-generis theorie
HOOFDSTUK 3: verhouding met buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht
Wet 1/2/24 houdende Boek 6 BW
Eerbiedigende werking
Samenloop contractuele AH en BCA (6.2 en 6.3 BW)
- Principe: samenloop (ipv samenloopverbod)
- Waarborging contractueel evenwicht:
- Samenloop = aanvullend recht (tenzij (wet of) contract), partijen kunnen dit uitsluiten (95% van de
gevallen wordt dit gedaan)
- Inroepbaarheid verweermiddelen:
- Contract
- Wet
- Bijzondere verjaringsregels
TENZIJ:
- fysieke of psychische integriteit
- opzet
Rechtstreekse aanspraak tegen hulppersoon van medecontractant (6.2 en 6.3 BW)
→ hulppersoon voert contractuele verbintenissen geheel of gedeeltelijk voor iemand uit
- Begrip: ‘hulp’ in uitvoering geheel of deel contractuele verbintenissen
- Aansprakelijkheid medecontractant (art. 5.229 BW)
- Geen contractuele aansprakelijkheid (art. 5,103 BW)
- Principe: BC aansprakelijkheid (ipv quasi-immuniteit)
- Waarborging contractueel evenwicht:
- Aanvullend recht (tenzij (wet of) contract)
- Inroepbaarheid verweermiddelen hoofdcontract (zoals bij samenloop)
- Inroepbaarheid verweermiddelen ‘eigen’ contract (zoals bij samenloop)
TENZIJ:
- fysieke of psychische integriteit
- opzet
DEEL 2: KOOP
6
,HOOFDSTUK 1: begrip ‘koop’
koop
= eigendomsoverdracht van een goed tegen een prijs in geld (definitie 1582 oud BW)
= wederkerig contract waarbij de ene partij, de verkoper, de eigendom van een goed overdraagt aan een andere
partij, de koper, die tegen de verkoper ertoe verbindt hiervoor een prijs in geld te betalen
2 (objectief) essentiële elementen (1582 oud BW):
- Eigdoverdr v/e goed
- Prijs in geld
- Consensueel 1583 oud BW (wilsovereenstemming over essentiële elementen)
- ook mogelijkheid tot subjectieve elementen ( = element dat partijen zelf beslissen dat ze belangrijk
zijn) die uitdrukkelijk moeten worden vermeld
- Zijn ze vermeld? Dan moet er ook aan voldaan zijn om van een koop te kunnen spreken,
bv. Kleur van een auto
HOOFDSTUK 2: juridisch kader, een gefragmenteerd kooprecht
Regime: 1582 ev oud BW ( = algemeen regime)
B2C - een bijzonder regime kan soms een andere kwalificatie hanteren:
- WER
- Wet Conskoop LRG (1649bis ev oud BW) (digitaal 1701/1 ev oud BW) bij lichamelijke roerende
goederen, van toepassing op het front van kwaliteit en kwantiteit
→ beide regimes zijn van dwingend recht en moet de rechter ambtshalve toetsen
CV: wie/wat ( = hoedanigheid) zijn de partijen? afhankelijk vh antwoord kunnen er bijzondere regels van toepassing
zijn
B2B ( 2 ondernemingen):
- (LRG+internat) = Weens Koopverdrag - lichamelijke roerende goederen in een internationale context
Bv. autofabrikant koopt gordel in Fr, wielen in DE en is gevestigd in België
= aanvullend recht
- Art. VI.91/1 ev WER
Wet Breyne - vooral bij aanneming van toepassing, maar sommige gevallen ook bij koop
Wet Productaansprakelijkheid (LRG)
WEZENSKENMERKEN VAN KOOP
1) essentieel bestanddeel 1: eigendomsoverdracht van een goed
koop als translatief contract of eigendomsoverdragende rechtshandeling
(1) koopcontract betreft noodzakelijkerwijs een goed (lichamelijk/onlichamelijk of roerend/onroerend) of een
zaak, ook voorafbestaand zakelijk gebruiksrecht
⇔ aannemingscontract: doel van contract ligt in de prestatie van een dienst door de ene contractspartij
ten behoeve van de andere
(2) de verkoper draagt het eigendomsrecht over van het goed
⇔ contract tot vestiging van een zakelijk recht: er wordt enkel een zakelijk gebruiksrecht toegestaan
7
, (3) de verkoper is beschikkingsbevoegd over het verkochte goed
Goed (= dare verbintenis) (vs dienst/prestatie = facere verbintenis)
→ heel wat gevallen is de afgrenzing tussen een goed en een aanneming ( = dienstenovereenkomst) niet zo
evident
→ quid als gemengd? Zowel componenten van koop als van diensten
ls het goed dat geleverd moet worden een goed dat niet bestaat of niet volledig, dan is er nog een dienstencomponent
nodig, wat zorgt voor het gemengde karakter
- Bv. het kopen van een oven + de plaatsing ervan = algemene regels van gemengde contracten
- Te leveren/vervaardigen + grondstoffen = gemengde ovk. (degene die de dienst levert, moet ook het goed
leveren)
→ Specificiteitscriterium: hoe specifieker het goed, hoe meer het goed op maat is, hoe meer de
dienstencomponent doorweegt en wordt bijgevolg het contract als aanneming beschouwd
- ligt de nadruk op het goed, dan is dit het dominante element, dan gaat het om een koop
(afwijkend: consumentenkoop: 1649bis §3 oud BW + WER)
Voorbeeld: een nieuwe wagen bestellen, koop of dienst? Een koop, het loutere feit dat er een
keuzemogelijkheid, doet daaraan nog geen afbreuk, als dit standaardkeuzes (het één of het ander) zijn (bv.
Niet auto verlengen of cabrio maken terwijl die dat niet is)
- Diensten nav koop = gemengde ovk
→ economisch criterium (geval per geval, waar de klemtoon ligt): hoeveel kost de leveringsdienst en
hoeveel kost het goed zelf? Wat duurder is, weegt door
Bv. goed zelf is duurder, dan spreken van van een koop
(afwijkend: conskoop: 1649ter §4 oud BW + WER)
Eigdomsoverdracht
- Essentie: translatieve RH / dare (5.45 en 5.79 BW)
→ de eigendomsoverdracht vindt onmiddellijk plaats (ook al is het goed nog niet geleverd en de prijs
nog niet betaald) en is consensueel, ze moeten het eens zijn over het goed en de prijs
- Uitvoering dare = (ook) consensueel (1583 jo 5.79 en 3.14 § 2 BW)
→ toestemming is voldoende om die dare verbintenis uit te voeren, ongeacht of u al het genot krijgt
van het goed, al betaald heeft, … ( onmiddellijke overgang = uitgangspunt)
- Tenzij specialiteitsbeginsel (art. 3.8 BW) zich verzet (toekomstige goederen + genusgoederen die
specificatie/individualisatie vereisen) (KAN NIET)
- Toekomstige goederen = eigendom kan pas overgaan, als het goed bestaat (belemmering
van het “kunnen” moet weg zijn)
→ het eigendomsrecht wordt op dat moment onmiddellijk overgedragen, zonder dat het
goed wordt geleverd of de prijs wordt betaald (art. 3.14, §2, vierde lid BW)
- Genusgoederen (art. 3.44 BW) die specificatie vereisen bv. ik bestel 1000 kg grind, de
eigendom gaat pas over wanneer er concreet bepaald is om welke 1000 kg het gaat
→ eigendomsoverdracht veronderstelt een individueel bepaalbaar goed of geheel van
goederen, vanaf dat het goed door meting, telling, … is gespecificeerd, vindt de
eigendomsoverdracht plaats, ook al is het goed nog niet geleverd
- Tenzij anders bedongen ( ⇔ art 4 Wet Breyne) = eigendomsvoorbehoud
→ onmiddellijke eigendomsoverdracht = niet essentieel
8
, → tussen partijen is zo’n clausule principieel geldig, maar voor tegenwerpbaarheid aan derden
geldt een ‘ruchtbaarheid’ of publiciteitsvereiste
- Bv. pas als het volledige goed is afbetaald, bent u eigenaar van het goed of pas wanneer
het goed wordt geleverd
Waarom? sterke positie van de verkoper behouden = zekerheidsfunctie als essentie/ratio, koper
kan immers op die manier niet over het goed beschikken, zelfs al is het misschien al geleverd
- Risico (juncto eigd tenzij bedongen):
In principe gaat samen met de eigendom van het goed ook het risico over, tenzij partijen de
eigendomsoverdracht en de risico-overdracht van elkaar hebben losgekoppeld
- Res perit domino (5.80 lid 2 BW; zie ook art 5.227, 5.266en 5.267 BW). Let op art VI.44 WER bij
B2C voor goederen
- 5.80 BW maakt van eigendom en risico een “koppeltje”: als de eigendom overgaat, dan gaat het
risico ook mee over, bv. Brand na een blikseminslag, na het ogenblik waarop de eigendom is
overgegaan moet de koper niettemin de prijs betalen, ook al werd het goed nog niet geleverd
- Let op! Betekent ook dat als er een eigendomsvoorbehoud is voorzien, het risico ook nog niet
overgaat
- VI. 44 WER: het risico van verlies of beschadiging van roerende lichamelijke goederen gaat pas
over op de consument zodra hij de goederen fysiek in bezit heeft gekregen (=
consumentenbescherming)
CV: Wanneer gaat die eigendom over (+ risico)? Hoe werkt die overdracht tav derden?
Verkoop andermans goed (1599 oud BW - nietigheid)
Bv. ik verkoop het huis van een ander: verbintenisrechtelijk mogelijk, maar zakenrechtelijk niet, want ik “heb” het
huis niet → ik kan niet meer rechten overdragen/ toestaan dan dat ik heb = beschikkingsbeginsel
- Anticipatieve vrijwaring voor uitwinning ( = ontbinding van de uitvoering vragen)
- Relatieve nietigheid
- Enkel koper wordt beschermd en kan bijgevolg de nietigheid vragen (ongeacht ter goeder trouw
of ter kwader trouw – dit laatste enkel relevant moo schadevergoeding)
- Ter kwader trouw enkel schadevergoeding vragen, maar wat als verkoper te goeder trouw
was? Het feit dat uw andermans goed heeft verkocht, is een fout in de zin van 6.5 BW en
leidt tot schadevergoeding, de goede trouw is niet van belang
→ nietigheid is een geldigheidsgebrek
- ⇔ geen risico op uitwinning (meer)
- Let op! Bv. twee partners die gehuwd zijn die beide eigenaar zijn, en één partner verkoopt het
gehele goed. De koper betaald niet en ze dagvaarden beide de koper, dan gaat de tweede
echtgenoot ermee akkoord en kan die bijgevolg de nietigheid niet meer vragen
- Niet van toepassing:
- Onbevoegde vertegenwoordiging, sterkmaking ed
- Onbevoegde vertegenwoordiging bv. een makelaar verkoopt mijn huis in mijn naam en
voor mijn rekening zonder recht op vertegenwoordiging
- Sterkmaking bv. Eigenaar is nog altijd vrij om al dan niet te bevestigen, bevestigd die
niet, dan komt er geen koop tot stand en is de persoon die zich sterkgemaakt heeft
aansprakelijk
- Verkoop van soortgoederen
- Wel van toepassing, bv:
9
, - Vergissing, bv. Verkoop van een perceel grond en een stuk van de buurman mee door een fout van
de landmeter
- Verkoop onverdeeld goed (let op declaratieve verdeling) - verkoop van een goed dat in mede
eigendom is
Bv. vrouw verkoopt haar woning, onwetend dat haar neef medeeigenaar was voor 50%, het gaat
hier deels om de verkoop van andermans goed
→ 1599 OBW is van toepassing, maar men gaat er over het algemeen van uit dat wanneer de
koper volledige eigenaar wil worden, geen koop tot stand kan komen
Derdenwerking
tussen partijen gaat die eigendom onmiddellijk over, ten aanzien van derden niet noodzakelijk – de werking van
contracten tav derden wordt door 2 beginselen beheerd: relativiteitsbeginsel + tegenwerpbaarheidsbeginsel (de
rechtsgevolgen tussen de partijen, het feit dat A en B een contract hebben gesloten, is een rechtsfeit dat wel ten
aanzien van derden geldt)
→ bijkomende voorwaarde voor eigendomsoverdracht van roerende en onroerende goederen: loutere feit
van de contractsluiting geldt niet meer voor de tegenwerpbaarheid
ORG ( = onroerende goederen)
→ algemeen systeem met bijkomende publiciteitsvoorwaarden
= bescherming voor derden in de vorm van mogelijkheid tot kennisname
- Art 3.30 BW (oud 1 HypW): overschrijving op kantoor Rechtszekerheid ( = overheidsdienst)
→ eigendomsoverdracht wordt in de praktijk meestal uitgesteld tot op het ogenblik van de ondertekening
van de authentieke akte. Zolang de authentieke akte niet is verleden en overgeschreven in de register van
het kantoor Rechtszekerheid, kunnen de SE’s van de koper zich niet op het goed verhalen
- vestig/overdr/aanw OR ZR - overdracht van een onroerend zakelijk recht
- door een rechtshandeling
- onder levenden
- Art 3.31 § 2 BW (oud 2 HypW)
- authentieke akte!
- tegenpartij werkt niet mee → vonnis als auth akte 5.236 BW
= publiciteitssyteem voor de overdracht van onroerende rechten
- Wie beschermt deze regeling?
3e te goeder trouw (cf 3.22 BW) met concurrent recht (zakel zekerhR, zakel hfdR en beslag) dat
tegenwerpbaar is
= iemand die tav van de koper een ander recht op datzelfde goed claimt, een recht dat het recht van de
koper geheel of gedeeltelijk wegduwt (geen algemene schuldeiser!)
- Werkelijke eigenaar vs schijnbare eigenaar ( discrepantie tussen schijn en werkelijkheid)
Vb. als A zijn huis verkoopt aan B, zonder naar de notaris te gaan en dus zonder authentieke akte
- in de verhouding tussen A en B is B reeds eigenaar
- tav derden is A eigenaar, want zonder authentieke akte kan er geen overschrijving plaatsvinden
Voorbeeld: A verkoopt zijn grond op tijdstip 1 aan B en A verkoopt vervolgens dezelfde grond op tijdstip 2 aan C
→ uit 3.4 BW: oudste recht wint, dus het huis is verkocht aan B, het is niet langer mogelijk om de eigendom
aan C over te dragen
→ maar correctie adhv publiciteit regels: we gaan kijken wie eerst zijn recht tegenwerpelijk heeft gemaakt,
gaat B eerst naar de notaris, dan is B de eigenaar. Stel C gaat sneller naar de notaris en schrijft sneller zijn akte
10
EXAMEN
- Wat is te kennen? Het boek (lijst op bb over wat u niet moet kennen) en de hoorcolleges (focus op inzicht,
verbanden en toepassing) + oefencolleges
- Staat op bb niet kennen, maar wordt het wel besproken in de hoorcolleges, is het te kennen ten belope van
de hoorcolleges
- er staat veel in het wetboek
- 3 onderdelen: juist/fout en waarom + inzichtsvragen + toepassingsvragen
DEEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: algemeen
Contractvrijheid
= vrij om al dan niet te contracteren, tegen welke voorwaarden, prijs, …
Algemeen contractenrecht
= regels met betrekking tot verbintenissen die uit contracten voortvloeien
- geïncorporeerd in boek 5 BW
- Lex generalis
HOOFDSTUK 2: benoemde contracten, onbenoemde contracten en kwalificatie van contracten
A. AFDELING 1: ONDERSCHEID TUSSEN BENOEMDE EN ONBENOEMDE CONTRACTEN
Benoemde contracten
= een contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Welke regels zijn van toepassing? regime?
- 1: wettelijk set regels (aanvullend recht) + contract (voor zover niet dwR): krijgen een regime als
uitgangspunt van aanvullend recht (de default ligt al klaar)
→ voor de meest gangbare contracten is er een set van regels voorzien op basis van de vermoedelijke
wil van de partijen
- 2: Derde laag/subsidiair (5.13 BW): algemene regels van het verb & contractenrecht (met art. 5.71 BW) -
doen geen afbreuk aan de andere regels
- Staan in de eerste plaats in het oud burgerlijk wetboek (deel 3)
- Bv. koop, huur, lastgeving, bewaargeving, …
Onbenoemde contracten/sui generis
= een contract dat niet aan een specifieke regeling is onderworpen
Regels van toepassing? regime?
- 1: Contract zelf ∼ wilsautonomie als uitgangspunt
1
, - 2: Gemene verb & contractenrecht (met art. 5.71 BW) (wanneer partijen hun contract niet volledig zelf
hebben uitgewerkt)
- 3: Regels benoemd contract per analogie bv. voor een leasing (lijkt op huur)
→ hebben een “eigen aard”
Art. 5.71. Inhoud van het contract
Een contract verbindt niet alleen tot hetgeen daarin overeengekomen is, maar ook tot alle gevolgen die door de wet,
de goede trouw of de gebruiken eraan, volgens de aard en de strekking ervan, worden toegekend.
Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, en voor zover de aard en de strekking ervan zich daartoe lenen,
gelden de bedingen van een raamcontract ook voor de uitvoeringscontracten.
Ruime invulling - art. 5.13 BW
○ Onbenoemde contracten: alle contracten die geen specifieke regeling hebben en bijgevolg louter aan het
algemeen contractenrecht zijn onderworpen
○ Benoemde contracten: alle contracten die hetzij door het (oud) BW hetzij door een andere wet uitdrukkelijk
zijn geregeld
Enge invulling - art. 1107 oud BW
○ Onbenoemde contracten: contracten die niet uitdrukkelijk in het (oud) BW zijn geregeld (maar evt. wel in
andere bijzondere wetgeving)
○ Benoemde contracten: contracten die uitdrukkelijk in het (oud) BW zijn geregeld
Gemengde contracten (5.67 BW) - mix van verschillende benoemde contracten
Contracten van voor 1 januari 2025 worden beheerst door het oud BW en dus ook de opzegging (bv. een contract
2020 moet in 2026 worden opgezegd volgens de regels van het oud BW)
Oude recht is voor dit vak niet te kennen, boek 1 en boek 5 nieuw BW zijn van belang
- We bespreken het huidige recht
- + contract per contract de belangrijkste wijzigingen
Boek 7 (bijzondere contracten): doel is herstructurering, integratie, vereenvoudiging en coherentie
bep. contracten staan nog niet in BW: arbeidscontract, zekerhedencontract, huwelijkscontract, …
OVERZICHT
Deel I: contracten mbt overdracht van eigendom
- Koop (+ruil) (= centrale contract inzake de overdracht van goederen)
- Kanscontracten ( = uitkomst ligt op voorhand niet vast)
Deel II: contracten mbt gebruik & genot v/e goed
- Huur
- Lening
Deel III: dienstencontracten
- Aanneming
- Bewaargeving
- Lastgeving (vooral stellen van vertegenwoordigingsdaden)
Deel IV: vaststellingscontracten (dading)
Drie belangrijkste: koop, huur en aanneming ( sowieso hierover vragen op examen!)
2
,Ratio achter het bestaan van benoemde contracten (ruime zin)
1. Bescherming zwakke contractpartij
Wilsautonomie (cf 5.3 en 5.14 BW) en sociale welvaartmij, cf. Napoleon: partijen zijn vrij om al dan niet te
contracteren, zo ja, dan zijn ze verantwoordelijk
= uitgangspunt contractenrecht/privaatrecht
- probleem? Mensen zijn feitelijk niet gelijk, bv. Huur: huurder is doorgaans de zwakkere partij, de wetgever
gaat hier ook van uit
- dwingende bepalingen op straffe van nietigheid
- Tendens voor aandacht voor de zwakkere partij, bv. Aandacht voor zorgvuldigheidsnorm/goede trouw
Consumentenrecht sensu lato
= recht ter bescherming in de verhouding onderneming/consument (onder impuls van europa) - B2C
- Dwingend recht
- gemrechtelijke bescherming (zorgvheidsnorm: goede trouw, contr en precontr infoplicht; gekwalificeerde
benadeling/misbruik omstandigheden 5.37 BW enz)
Consumentenrecht sensu stricto
- Bv WER, consumentenkoop
- Boek 6 WER: verboden bedingen, herroepingsrecht, … = afdwingbare materie/onderdeel met scherpe
tanden
- Afdwingbaarheidsparadox
Boek VI WER (marktpraktijken + consumentenbescherming)
Art I.1 WER (algemeen) - definities
- Consument (I.1, 2° WER)
- nat persoon buiten handels/bedrijf/ambacht/beroepsactiviteit
- nooit een RP!
- Onderneming (I.1, 1° WER) (doch zie boek VI)
- Natuurlijke persoon met een zelfstandige beroepsactiviteit, bv. Kapper, slager, advocaat, architect,
…
- Élke rechtspersoon is een onderneming, ongeacht winstoogmerk (tenzij bv Staat, ocmw) =
uitgangspunt
- Elke andere organisatie zonder Rspersh tenzij geen winst/uitkeringsoogmerk en geen uitkeringen
verricht
- Voorwerp
- Producten: (roerende en onroerende) goederen en diensten + OR (I.1, 4° WER)
- Goederen: lichamelijke roerende zaken (I.1, 6° WER)
- Lichamelijk: zintuiglijk waarneembaar
- Roerend: “beweegbaar” goed
- Diensten: prestaties (ikv profess activ/statut doel) (I.1, 5° WER)
MAAR Art I.8 (moo boek VI)
- 39°: onderneming
= iedere nat pers of Rspers die op duurzame wijze economisch doel nastreeft (winstoogmerk, dus geen
vzw ⇔ art 1.1 WER)
3
, = beperkter begrip
- 33°: verkoopovk
= iedere ovk waarbij onderneming de eigd v goederen aan consument overdraagt of verbindt over te dragen
en consument prijs daarvan betaalt of verbindt te betalen, miv elke ovk die zowel goederen als diensten
betreft;
→ zowel eng als ruim begrip
- Eng: er is sprake van een eigendomsoverdracht van goederen en lichamelijke roerende zaken)
- Ruim: “miv elke ovk die zowel goederen als diensten betreft” - bij gemengde contracten is het ook
een verkoop
- 34°: dienstenovk
= iedere andere ovk dan Vkovk waarbij onderneming de consument een dienst levert of verbindt dienst te
leveren en consument prijs daarvan betaalt of verbindt te betalen.
Bv. makelaar die een woning verkoopt
- 47°: product
= miv digitale diensten en digitale inhoud
Onrechtmatige bedingen: gelden als uitgangspunt voor producten + diensten
= lijst van bedingen in het WER die verboden zijn, zijn automatisch nietig
Ovk op afstand + buiten onderneming:
- Koop van goederen
- Diensten (ook ORG!)
Wet 4/4/2019 - B2B
- v/a 1/12/20: regeling onrechtmatige bedingen
- Onderneming cf I.8, 39 °WER
- Producten
- Zwarte lijst (VI.91/4 WER) vs grijze lijst (VI.91/5 WER)
- Zwarte lijst: automatisch nietig
- Grijze lijst: mag in principe niet, tenzij partijen kunnen verklaren waarom het geen
probleem is (weerlegbaar vermoeden van onrechtmatigheid)
Onrechtmatige bedingen (5.52 BW)
”Elk beding waarover niet kan worden onderhandeld en dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en
plichten van partijen is onrechtmatig en wordt voor niet geschreven gehouden. Bij de beoordeling van het kennelijk
onevenwicht wordt rekening gehouden met alle omstandigheden rond het sluiten van het contract. Het eerste lid is
noch van toepassing op de bepaling van de hoofdprestaties van het contract, noch op de gelijkwaardigheid van deze
hoofdprestaties.”
= restrictief, veel beperkingen op het toepassingsgebied
- = Lex generalis, maw WER primeert op 5.52 BW
- Ongeacht B2B, B2C, C2C maar let op bv. WER als lex specialis
- Geldt enkel voor bedingen waarover niet kan worden onderhandeld (niet noodzakelijk toetredingscontract)
- Geldt niet mbt (gelijkwaardigheid) hoofdprestaties (evt misbruik van omstandigheden)
2. Creatie van het wettelijk ‘fall back’-regime
= een afzonderlijke wettelijke regeling voor contracten die frequent voorkomen voor het geval de partijen in hun
contract zelf geen grondige regeling hebben uitgewerkt
4
,waarom?
- duidelijkheid en rechtszekerheid
- een evenwichtige regeling van de rechtsverhouding tussen contractpartijen tot stand te brengen
Doelen afzonderlijke regeling:
(1) Interpretatieve of faciliterende functie
(2) Complementaire functie: lacunes in gemene verbintenissenrecht aan te vullen op een wijze waarvan de
wetgever veronderstelt dat de partijen deze zelf zouden overeenkomen
(3) Corrigerende functie: correctie voor eventueel onbillijke resultaten die uit het gemeen contractenrecht
kunnen leiden
B. AFDELING 2: KWALIFICATIE VAN CONTRACTEN
Kwalificatie
= het juridisch benoemen van een contract of het onderbrengen van een contract in een juridische categorie
Uitgangspunt: Partijen vrij overeen te komen (stilzwijgend/uitdrukkelijk) ∼
wilsautonomie
- Rechter gaat in de eerste plaats kijken of de partijen het contract zelf hebben gekwalificeerd en moet deze
kwalificatie dus ook respecteren, tenzij dat de inhoud onverenigbaar is met de partijcommunicatie, dan kan
de rechter herkwalificeren
- Geen kwalificatie? Rechter gaat zelf kwalificeren obv de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
Partijen?
- Geen kwalificatie gegeven → rechter kwalificeert obv gemsch bedoeling
- Wel kwalificatie gegeven → Rechter confrontatie met gemsch bedoeling
- de feitelijke elementen zijn onverenigbaar met de gegeven kwalificatie → herkwalificatie
- niet onverenigbaar → partijkwalificatie (5.68 en cf 5.69 BW) (de rechter dient het contract dan
als rechtsfeit te aanvaarden!)
⇔ Conversie (5.68 BW ‘onverenigbaar met dwRtel regels of openbare orde’)
Kwalificatie van gemengde contracten:
(1) onbenoemd/sui generis: de gemengde contracten zijn zo “gemixt/verweven” dan we niet meer kunnen
spreken van een benoemd contracten (“we kennen het niet meer”)
(2) combinatietheorie/cumulatietheorie: de regels van de benoemde contracten die in het gemengd contract
vertegenwoordigd zijn, moeten naast elkaar worden toegepast op de verschillende respectieve onderdelen
van het gemengd contract
= duidelijk onderscheid tussen elementen bv. koop/aanneming, er zijn 2 duidelijke onderdelen: op het
stukje koop worden de regels van koop toegepast en op het stukje aanneming de regels van aanneming
→ theorie leidt tot moeilijkheden wanneer de onderdelen sterk verweven zijn met elkaar
(3) absorptieleer: één element is dominant/belangrijker dan het andere, het dominante deel gaat het andere
deel absorberen, het contract krijgt de kwalificatie van het dominante element
- bv. bouwen van een huis op een stuk grond: degene die bouwt zal enerzijds materiaal leveren en
anderzijds diensten leveren, nl. het huis bouwen
5
, - verschillende criteria om te achterhalen welk contracttype overheersend is: expliciete/impliciete
wil v/d partijen of economische criteria (bv. welk deel heeft de hoogste economische waarde?)
Uitgangspunt? combinatietheorie/cumulatietheorie, maar dit is niet altijd even gemakkelijk
Bv. aanneming en lastgeving zijn elks op een andere manier te beëindigen, in zo’n geval is de absorptieleer van
toepassing indien er sprake is van een dominant deel, anders zal binnen de absorptie weer een cumul plaatsvinden.
Bv. als u een huis verkoopt, kan u beroep doen op een makelaar die het huis kan verkopen in uw naam en voor uw
rekening. Hier spreken we van een combinatie van aanneming en lastgeving
Cumulatietheorie → absorptietheorie → sui-generis theorie
HOOFDSTUK 3: verhouding met buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht
Wet 1/2/24 houdende Boek 6 BW
Eerbiedigende werking
Samenloop contractuele AH en BCA (6.2 en 6.3 BW)
- Principe: samenloop (ipv samenloopverbod)
- Waarborging contractueel evenwicht:
- Samenloop = aanvullend recht (tenzij (wet of) contract), partijen kunnen dit uitsluiten (95% van de
gevallen wordt dit gedaan)
- Inroepbaarheid verweermiddelen:
- Contract
- Wet
- Bijzondere verjaringsregels
TENZIJ:
- fysieke of psychische integriteit
- opzet
Rechtstreekse aanspraak tegen hulppersoon van medecontractant (6.2 en 6.3 BW)
→ hulppersoon voert contractuele verbintenissen geheel of gedeeltelijk voor iemand uit
- Begrip: ‘hulp’ in uitvoering geheel of deel contractuele verbintenissen
- Aansprakelijkheid medecontractant (art. 5.229 BW)
- Geen contractuele aansprakelijkheid (art. 5,103 BW)
- Principe: BC aansprakelijkheid (ipv quasi-immuniteit)
- Waarborging contractueel evenwicht:
- Aanvullend recht (tenzij (wet of) contract)
- Inroepbaarheid verweermiddelen hoofdcontract (zoals bij samenloop)
- Inroepbaarheid verweermiddelen ‘eigen’ contract (zoals bij samenloop)
TENZIJ:
- fysieke of psychische integriteit
- opzet
DEEL 2: KOOP
6
,HOOFDSTUK 1: begrip ‘koop’
koop
= eigendomsoverdracht van een goed tegen een prijs in geld (definitie 1582 oud BW)
= wederkerig contract waarbij de ene partij, de verkoper, de eigendom van een goed overdraagt aan een andere
partij, de koper, die tegen de verkoper ertoe verbindt hiervoor een prijs in geld te betalen
2 (objectief) essentiële elementen (1582 oud BW):
- Eigdoverdr v/e goed
- Prijs in geld
- Consensueel 1583 oud BW (wilsovereenstemming over essentiële elementen)
- ook mogelijkheid tot subjectieve elementen ( = element dat partijen zelf beslissen dat ze belangrijk
zijn) die uitdrukkelijk moeten worden vermeld
- Zijn ze vermeld? Dan moet er ook aan voldaan zijn om van een koop te kunnen spreken,
bv. Kleur van een auto
HOOFDSTUK 2: juridisch kader, een gefragmenteerd kooprecht
Regime: 1582 ev oud BW ( = algemeen regime)
B2C - een bijzonder regime kan soms een andere kwalificatie hanteren:
- WER
- Wet Conskoop LRG (1649bis ev oud BW) (digitaal 1701/1 ev oud BW) bij lichamelijke roerende
goederen, van toepassing op het front van kwaliteit en kwantiteit
→ beide regimes zijn van dwingend recht en moet de rechter ambtshalve toetsen
CV: wie/wat ( = hoedanigheid) zijn de partijen? afhankelijk vh antwoord kunnen er bijzondere regels van toepassing
zijn
B2B ( 2 ondernemingen):
- (LRG+internat) = Weens Koopverdrag - lichamelijke roerende goederen in een internationale context
Bv. autofabrikant koopt gordel in Fr, wielen in DE en is gevestigd in België
= aanvullend recht
- Art. VI.91/1 ev WER
Wet Breyne - vooral bij aanneming van toepassing, maar sommige gevallen ook bij koop
Wet Productaansprakelijkheid (LRG)
WEZENSKENMERKEN VAN KOOP
1) essentieel bestanddeel 1: eigendomsoverdracht van een goed
koop als translatief contract of eigendomsoverdragende rechtshandeling
(1) koopcontract betreft noodzakelijkerwijs een goed (lichamelijk/onlichamelijk of roerend/onroerend) of een
zaak, ook voorafbestaand zakelijk gebruiksrecht
⇔ aannemingscontract: doel van contract ligt in de prestatie van een dienst door de ene contractspartij
ten behoeve van de andere
(2) de verkoper draagt het eigendomsrecht over van het goed
⇔ contract tot vestiging van een zakelijk recht: er wordt enkel een zakelijk gebruiksrecht toegestaan
7
, (3) de verkoper is beschikkingsbevoegd over het verkochte goed
Goed (= dare verbintenis) (vs dienst/prestatie = facere verbintenis)
→ heel wat gevallen is de afgrenzing tussen een goed en een aanneming ( = dienstenovereenkomst) niet zo
evident
→ quid als gemengd? Zowel componenten van koop als van diensten
ls het goed dat geleverd moet worden een goed dat niet bestaat of niet volledig, dan is er nog een dienstencomponent
nodig, wat zorgt voor het gemengde karakter
- Bv. het kopen van een oven + de plaatsing ervan = algemene regels van gemengde contracten
- Te leveren/vervaardigen + grondstoffen = gemengde ovk. (degene die de dienst levert, moet ook het goed
leveren)
→ Specificiteitscriterium: hoe specifieker het goed, hoe meer het goed op maat is, hoe meer de
dienstencomponent doorweegt en wordt bijgevolg het contract als aanneming beschouwd
- ligt de nadruk op het goed, dan is dit het dominante element, dan gaat het om een koop
(afwijkend: consumentenkoop: 1649bis §3 oud BW + WER)
Voorbeeld: een nieuwe wagen bestellen, koop of dienst? Een koop, het loutere feit dat er een
keuzemogelijkheid, doet daaraan nog geen afbreuk, als dit standaardkeuzes (het één of het ander) zijn (bv.
Niet auto verlengen of cabrio maken terwijl die dat niet is)
- Diensten nav koop = gemengde ovk
→ economisch criterium (geval per geval, waar de klemtoon ligt): hoeveel kost de leveringsdienst en
hoeveel kost het goed zelf? Wat duurder is, weegt door
Bv. goed zelf is duurder, dan spreken van van een koop
(afwijkend: conskoop: 1649ter §4 oud BW + WER)
Eigdomsoverdracht
- Essentie: translatieve RH / dare (5.45 en 5.79 BW)
→ de eigendomsoverdracht vindt onmiddellijk plaats (ook al is het goed nog niet geleverd en de prijs
nog niet betaald) en is consensueel, ze moeten het eens zijn over het goed en de prijs
- Uitvoering dare = (ook) consensueel (1583 jo 5.79 en 3.14 § 2 BW)
→ toestemming is voldoende om die dare verbintenis uit te voeren, ongeacht of u al het genot krijgt
van het goed, al betaald heeft, … ( onmiddellijke overgang = uitgangspunt)
- Tenzij specialiteitsbeginsel (art. 3.8 BW) zich verzet (toekomstige goederen + genusgoederen die
specificatie/individualisatie vereisen) (KAN NIET)
- Toekomstige goederen = eigendom kan pas overgaan, als het goed bestaat (belemmering
van het “kunnen” moet weg zijn)
→ het eigendomsrecht wordt op dat moment onmiddellijk overgedragen, zonder dat het
goed wordt geleverd of de prijs wordt betaald (art. 3.14, §2, vierde lid BW)
- Genusgoederen (art. 3.44 BW) die specificatie vereisen bv. ik bestel 1000 kg grind, de
eigendom gaat pas over wanneer er concreet bepaald is om welke 1000 kg het gaat
→ eigendomsoverdracht veronderstelt een individueel bepaalbaar goed of geheel van
goederen, vanaf dat het goed door meting, telling, … is gespecificeerd, vindt de
eigendomsoverdracht plaats, ook al is het goed nog niet geleverd
- Tenzij anders bedongen ( ⇔ art 4 Wet Breyne) = eigendomsvoorbehoud
→ onmiddellijke eigendomsoverdracht = niet essentieel
8
, → tussen partijen is zo’n clausule principieel geldig, maar voor tegenwerpbaarheid aan derden
geldt een ‘ruchtbaarheid’ of publiciteitsvereiste
- Bv. pas als het volledige goed is afbetaald, bent u eigenaar van het goed of pas wanneer
het goed wordt geleverd
Waarom? sterke positie van de verkoper behouden = zekerheidsfunctie als essentie/ratio, koper
kan immers op die manier niet over het goed beschikken, zelfs al is het misschien al geleverd
- Risico (juncto eigd tenzij bedongen):
In principe gaat samen met de eigendom van het goed ook het risico over, tenzij partijen de
eigendomsoverdracht en de risico-overdracht van elkaar hebben losgekoppeld
- Res perit domino (5.80 lid 2 BW; zie ook art 5.227, 5.266en 5.267 BW). Let op art VI.44 WER bij
B2C voor goederen
- 5.80 BW maakt van eigendom en risico een “koppeltje”: als de eigendom overgaat, dan gaat het
risico ook mee over, bv. Brand na een blikseminslag, na het ogenblik waarop de eigendom is
overgegaan moet de koper niettemin de prijs betalen, ook al werd het goed nog niet geleverd
- Let op! Betekent ook dat als er een eigendomsvoorbehoud is voorzien, het risico ook nog niet
overgaat
- VI. 44 WER: het risico van verlies of beschadiging van roerende lichamelijke goederen gaat pas
over op de consument zodra hij de goederen fysiek in bezit heeft gekregen (=
consumentenbescherming)
CV: Wanneer gaat die eigendom over (+ risico)? Hoe werkt die overdracht tav derden?
Verkoop andermans goed (1599 oud BW - nietigheid)
Bv. ik verkoop het huis van een ander: verbintenisrechtelijk mogelijk, maar zakenrechtelijk niet, want ik “heb” het
huis niet → ik kan niet meer rechten overdragen/ toestaan dan dat ik heb = beschikkingsbeginsel
- Anticipatieve vrijwaring voor uitwinning ( = ontbinding van de uitvoering vragen)
- Relatieve nietigheid
- Enkel koper wordt beschermd en kan bijgevolg de nietigheid vragen (ongeacht ter goeder trouw
of ter kwader trouw – dit laatste enkel relevant moo schadevergoeding)
- Ter kwader trouw enkel schadevergoeding vragen, maar wat als verkoper te goeder trouw
was? Het feit dat uw andermans goed heeft verkocht, is een fout in de zin van 6.5 BW en
leidt tot schadevergoeding, de goede trouw is niet van belang
→ nietigheid is een geldigheidsgebrek
- ⇔ geen risico op uitwinning (meer)
- Let op! Bv. twee partners die gehuwd zijn die beide eigenaar zijn, en één partner verkoopt het
gehele goed. De koper betaald niet en ze dagvaarden beide de koper, dan gaat de tweede
echtgenoot ermee akkoord en kan die bijgevolg de nietigheid niet meer vragen
- Niet van toepassing:
- Onbevoegde vertegenwoordiging, sterkmaking ed
- Onbevoegde vertegenwoordiging bv. een makelaar verkoopt mijn huis in mijn naam en
voor mijn rekening zonder recht op vertegenwoordiging
- Sterkmaking bv. Eigenaar is nog altijd vrij om al dan niet te bevestigen, bevestigd die
niet, dan komt er geen koop tot stand en is de persoon die zich sterkgemaakt heeft
aansprakelijk
- Verkoop van soortgoederen
- Wel van toepassing, bv:
9
, - Vergissing, bv. Verkoop van een perceel grond en een stuk van de buurman mee door een fout van
de landmeter
- Verkoop onverdeeld goed (let op declaratieve verdeling) - verkoop van een goed dat in mede
eigendom is
Bv. vrouw verkoopt haar woning, onwetend dat haar neef medeeigenaar was voor 50%, het gaat
hier deels om de verkoop van andermans goed
→ 1599 OBW is van toepassing, maar men gaat er over het algemeen van uit dat wanneer de
koper volledige eigenaar wil worden, geen koop tot stand kan komen
Derdenwerking
tussen partijen gaat die eigendom onmiddellijk over, ten aanzien van derden niet noodzakelijk – de werking van
contracten tav derden wordt door 2 beginselen beheerd: relativiteitsbeginsel + tegenwerpbaarheidsbeginsel (de
rechtsgevolgen tussen de partijen, het feit dat A en B een contract hebben gesloten, is een rechtsfeit dat wel ten
aanzien van derden geldt)
→ bijkomende voorwaarde voor eigendomsoverdracht van roerende en onroerende goederen: loutere feit
van de contractsluiting geldt niet meer voor de tegenwerpbaarheid
ORG ( = onroerende goederen)
→ algemeen systeem met bijkomende publiciteitsvoorwaarden
= bescherming voor derden in de vorm van mogelijkheid tot kennisname
- Art 3.30 BW (oud 1 HypW): overschrijving op kantoor Rechtszekerheid ( = overheidsdienst)
→ eigendomsoverdracht wordt in de praktijk meestal uitgesteld tot op het ogenblik van de ondertekening
van de authentieke akte. Zolang de authentieke akte niet is verleden en overgeschreven in de register van
het kantoor Rechtszekerheid, kunnen de SE’s van de koper zich niet op het goed verhalen
- vestig/overdr/aanw OR ZR - overdracht van een onroerend zakelijk recht
- door een rechtshandeling
- onder levenden
- Art 3.31 § 2 BW (oud 2 HypW)
- authentieke akte!
- tegenpartij werkt niet mee → vonnis als auth akte 5.236 BW
= publiciteitssyteem voor de overdracht van onroerende rechten
- Wie beschermt deze regeling?
3e te goeder trouw (cf 3.22 BW) met concurrent recht (zakel zekerhR, zakel hfdR en beslag) dat
tegenwerpbaar is
= iemand die tav van de koper een ander recht op datzelfde goed claimt, een recht dat het recht van de
koper geheel of gedeeltelijk wegduwt (geen algemene schuldeiser!)
- Werkelijke eigenaar vs schijnbare eigenaar ( discrepantie tussen schijn en werkelijkheid)
Vb. als A zijn huis verkoopt aan B, zonder naar de notaris te gaan en dus zonder authentieke akte
- in de verhouding tussen A en B is B reeds eigenaar
- tav derden is A eigenaar, want zonder authentieke akte kan er geen overschrijving plaatsvinden
Voorbeeld: A verkoopt zijn grond op tijdstip 1 aan B en A verkoopt vervolgens dezelfde grond op tijdstip 2 aan C
→ uit 3.4 BW: oudste recht wint, dus het huis is verkocht aan B, het is niet langer mogelijk om de eigendom
aan C over te dragen
→ maar correctie adhv publiciteit regels: we gaan kijken wie eerst zijn recht tegenwerpelijk heeft gemaakt,
gaat B eerst naar de notaris, dan is B de eigenaar. Stel C gaat sneller naar de notaris en schrijft sneller zijn akte
10