Verplichte jaartallen
1302: De Guldensporenslag, waarbij de Vlaamse soldaten het Franse ridderleger versloegen
1585: Na de ‘val van Antwerpen’ verloor de stad haar stapelmarkt functie
1602: Oprichting van de handelsonderneming VOC
1648: Na de Vrede van Munster en de Dertigjarige Oorlog stabiliseerde de situatie in Europa
1672: Het Rampjaar dat het einde van de Gouden Eeuw inluidde
Belangrijke namen
Leidende Vraag 1 (1050-1302):
Gwijde van Dampierre: Graaf van Vlaanderen: wou niet Vlaanderen bij Frankrijk voegen
Filips IV de Schone: Franse koning, wou Vlaanderen bij zijn rijk voegen (guldensporenslag)
Leidende Vraag 2 (1302-1602)
Filips de Goede: hertog van Bourgondië, nam maatregelen voor de centralisatiepolitiek
Maria van Bourgondië: Erfgename van Bourgondische vorst Karel de Stoute, trouwde in 1477
met Maximiliaan en voegde daarmee het Bourgondische en Habsburgse rijk samen
Maximiliaan van Oostenrijk: zoon van de keizer van het Heilige Roomse Rijk (habsburgs)
Filips de Schone: koning van Bourgondische/Habsburgse rijk, zoon van Maximiliaan en Maria
Karel V: Zoon van Filips de Schone, keizer van ‘het rijk waar de zon nooit onder gaat’, voerde
centralisatiepolitiek bij de Nederlanden en een strenge kettervervolging (bloedplakkaten)
Filips II: Zoon van Karel V, voerde dezelfde politiek als zijn vader en trad streng op tegen de
beeldenstorm door de hertog van Alva met een leger naar de Nederlanden te sturen
Hertog van Alva: Voerde strenge maatregelen tegen ketters met een centrale rechtbank
Willem van Oranje: Gevluchte edelman (stadhouder), leider van de opstand tegen Spanje
Johan de Witt: Staatsgezinde raadspensionaris, werd gedwongen af te treden (prinsgezinden)
Willem III: Stadhouder benoemd door het gemeen; wist holland tegen Fransen te beschermen
Belangrijkste gebeurtenissen
Leidende Vraag 1: Opkomst van de stedelijke burgerij (1050-1302)
→ Landbouwverbeteringen zorgen voor bevolkingsgroei en specialistaite: verstedelijking
→ Opkomst van de stedelijke burgerij: burgers kregen stadsrechten
→ De Lage Landen werd één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa met de
bisschopsstad Atrecht als handelscentrum.
→ De internationale handel leidt dankzij taal- en cultuurbarrières tot een terugkeer van de
monetaire economie: uitvinding van de wisselbrief
→ Er ontstaan in de steden steeds meer spanningen tussen het patriciaat en het gemeen, in
Vlaanderen vindt de Guldensporenslag plaats in 1302
Leidende Vraag 2: Sociaaleconomische en politieke beslissingen (1302-1602)
→ Brugge neemt de rol van Atrecht over als het grootse handelscentrum
→ Het stadsbestuur ging het 'bonum commune' dienen, geestelijken kwamen met het idee van
de Moderne devotie: eenvoud en individuele vroomheid in de kerk
, → Filips de Goede voerde centralisatiepolitiek in: centraal bestuur + vertegenwoordigers
→ Brugge hield vast aan het particularisme, Antwerpen niet, deze stad werd daarom het
nieuwe economische handelscentrum (migratie van kennis inwoners)
→ Karel V en Filips II voeren beide strenge centralisatiepolitiek en kettervervolging
→ Opstand (Willem van Oranje) tegen Spaanse gezag – verovering per stad
→ Antwerpen verliest stapelmarkt functie aan Amsterdam, de VOC wordt opgericht
Leidende vraag 3: Gouden Eeuw (1602-1700)
→ De economie van de republiek kwam massaal in bloei door conflicten en oorlogen in andere
landen en de functie van Amsterdam als stapelmarkt met bankwezen en koopmansbeurs
→ Spanje en de Republiek tekenen de Vrede van Münster, tegelijkertijd stabiliseerde de
situatie in omliggende landen zich en gingen Engeland en Frankrijk een mercantillisch beleid
voeren (invoerrechten) waardoor de economische positie van de republiek verslechtert
→ Het gemeen en de regenten komen tegenover elkaar: staatsgezinden en oranjegezinden
→ 1672: Rampjaar (oorlog Eng, FR, Munster, Keulen) luidde het eind van de Gouden eeuw in.
Economische zwaartepunten door de tijd heen en redenen daarvoor
De Lage Landen met Atrecht als handelscentrum (tot 1300):
- de hoge landbouwproductiviteit (waardoor verstedelijking goed mogelijk was)
- de plaatselijke schapenteelt die zorgde voor een grote lakennijverheid en -handel
- de goede bevaarbaarheid van het gebied (Maas, Schelde)
- het feit dat in Atrecht een bisschop zetelde die door de paus was aangesteld (contact
met Vaticaan verliep soepel, hofhouding zorgde voor werk).
Brugge (1300-1480)
- de gunstige ligging van de Brugse haven aan een binnenwater dat diep genoeg was
voor zeeschepen maakt handel makkelijk
- de wol import uit Engeland en de graanimport uit het Oostzeegebied verliep via de
Brugse haven
Antwerpen (1480-1585)
- Antwerpen verzette zich minder tegen de landsheer dan Brugge (Brugge was streng
tegen de centralisatie): dit levert hun handelsprivileges op
- Engeland werd de belangrijkste handelspartner, waardoor de Engelse wol in Antwerpen
kon worden verwerkt en in de Nederlanden doorverkocht
- Er vond veel handel met Venetië plaats, opdat de Zwitsers en Zuid-Duitsers een
belangrijke verbinding tussen Antwerpen en Venetië verzorgden
Amsterdam (1585-1672)
- Amsterdam had een stapelmarktfunctie, deze had Antwerpen verloren door oorlog
- Op de Amsterdamse koopmansbeurs kochten kooplieden aandelen in schepen en de
VOC en werd internationaal vraag en aanbod op elkaar afgestemd
- De Amsterdamse wisselbank had een betrouwbare reputatie in het bepalen van de juiste
waarde van munten en wisselbrieven