Hoorcollege 11 – Inflatie, Werkloosheid en
Geaggregeerd Aanbod AS – H13 (2/2)
Keynesianen tegenover Neoklassieken:
Keynesianen prijzen liggen vast korte termijn
Neoklassieken prijzen zijn flexibel lange termijn
Cambridge vergelijking: M = k * PY
Eenmalige stijging van het geldaanbod leidt tot:
Korte termijn: prijzen liggen vast, de productie reageert op verandering in de vraag.
Lange termijn: veranderingen in de geldhoeveelheid leiden niet tot veranderingen in de productie,
alleen van het prijsniveau. Monetaire neutraliteit.
Philips Curve
Negatieve relatie tussen werkloosheid en inflatie. Afruil: verlaging van U gaat gepaard met een
hogere inflatie. X-as = werkloosheid & Y-as = inflatie.
Okun’s Law
Negatieve relatie tussen werkloosheid en output. X-as = verandering werkloosheid & Y-as =
verandering Y
Aggregate Supply Curve
Combinatie van beide (dalende) lijnen tot een (stijgende) lijn.
Problemen met de Philips Curve
Theoretische problemen
Op de lange termijn: neutraliteit van geld (geen geld illusie) nominale variabelen hebben geen
effect op de reële variabelen. Op lange termijn dus:
Y =Y ∧U =U
Verder zijn de Philips Curve en aanbodcurve verticaal; er is geen afruil tussen inflatie en
werkloosheid / output.
Empirische problemen
Negatief verband tussen werkloosheid en inflatie ging niet langer op in de jaren ’70.
Ten tijde van de oliecrisissen ging een hoge werkloosheid gepaard met een sterke stijging van de
inflatie: stagflatie, combinatie van stagnatie (hoge werkloosheid) en inflatie
Geaggregeerd Aanbod AS – H13 (2/2)
Keynesianen tegenover Neoklassieken:
Keynesianen prijzen liggen vast korte termijn
Neoklassieken prijzen zijn flexibel lange termijn
Cambridge vergelijking: M = k * PY
Eenmalige stijging van het geldaanbod leidt tot:
Korte termijn: prijzen liggen vast, de productie reageert op verandering in de vraag.
Lange termijn: veranderingen in de geldhoeveelheid leiden niet tot veranderingen in de productie,
alleen van het prijsniveau. Monetaire neutraliteit.
Philips Curve
Negatieve relatie tussen werkloosheid en inflatie. Afruil: verlaging van U gaat gepaard met een
hogere inflatie. X-as = werkloosheid & Y-as = inflatie.
Okun’s Law
Negatieve relatie tussen werkloosheid en output. X-as = verandering werkloosheid & Y-as =
verandering Y
Aggregate Supply Curve
Combinatie van beide (dalende) lijnen tot een (stijgende) lijn.
Problemen met de Philips Curve
Theoretische problemen
Op de lange termijn: neutraliteit van geld (geen geld illusie) nominale variabelen hebben geen
effect op de reële variabelen. Op lange termijn dus:
Y =Y ∧U =U
Verder zijn de Philips Curve en aanbodcurve verticaal; er is geen afruil tussen inflatie en
werkloosheid / output.
Empirische problemen
Negatief verband tussen werkloosheid en inflatie ging niet langer op in de jaren ’70.
Ten tijde van de oliecrisissen ging een hoge werkloosheid gepaard met een sterke stijging van de
inflatie: stagflatie, combinatie van stagnatie (hoge werkloosheid) en inflatie