Hoorcollege 6 – Budgetvergelijking Gezinnen, Bedrijven,
Overheid en Buitenland – H6 (15/1)
Intertemporele budgetrestrictie
Een vergelijking die heden, verleden en toekomst met elkaar verbind voor sectoren. Deze bevat
zowel stroomgrootheden (inkomens en bestedingen), als voorraadgrootheden (schulden en
vermogen).
Intertemporele budgetrestrictie consument
Twee perioden: heden en toekomst, met inkomens en consumptie respectievelijk Y 1, C1 en Y2, C2.
De reële rente (zowel debet als credit) wordt weergegeven met r.
Algemene gedaante: C 2=a C 1+ β
Y2
De maximale waarde voor C1: Y 1 + waarin de minimale C2 is nul is.
(1+r )
De maximale waarde voor C2: Y 1∗ (1+r )+ Y 2 waarin de minimale C1 nul is.
Uit de twee punten volgt:
a=−( 1+r ) β=Y 1∗( 1+ r ) +Y 2
Budgetvergelijking vanuit standpunt periode 2:
C 1∗( 1+r ) +C 2=Y 1∗( 1+r )+Y 2
Budgetvergelijking vanuit standpunt periode 1:
C2 Y2
C 1+ =Y 1 +
( 1+r ) ( 1+ r )
Vermogen = afstand tussen het x-intercept en oorsprong in de grafiek.
Sparen kan altijd, lenen kan worden geweigerd: punten rechts van endowment kunnen
onbereikbaar zijn.
Investeringen
Investeren in fysiek kapitaal wordt gedaan indien dit meer oplevert dan een financiële belegging.
Oftewel:
F ( K ) > K∗( 1+r )
Des te hoger r, des te productiever moet de kapitaalgoederenvoorraad zijn:
{ F ( K )−K }
>r
K
Oftewel: het netto rendement fysieke investering moet groter zijn dan het rendement financiële
belegging. R kan worden geïnterpreteerd als oppurtuniteitskost of als rente op een lening ter
financiering van de investering in fysiek kapitaal.
Overheid en Buitenland – H6 (15/1)
Intertemporele budgetrestrictie
Een vergelijking die heden, verleden en toekomst met elkaar verbind voor sectoren. Deze bevat
zowel stroomgrootheden (inkomens en bestedingen), als voorraadgrootheden (schulden en
vermogen).
Intertemporele budgetrestrictie consument
Twee perioden: heden en toekomst, met inkomens en consumptie respectievelijk Y 1, C1 en Y2, C2.
De reële rente (zowel debet als credit) wordt weergegeven met r.
Algemene gedaante: C 2=a C 1+ β
Y2
De maximale waarde voor C1: Y 1 + waarin de minimale C2 is nul is.
(1+r )
De maximale waarde voor C2: Y 1∗ (1+r )+ Y 2 waarin de minimale C1 nul is.
Uit de twee punten volgt:
a=−( 1+r ) β=Y 1∗( 1+ r ) +Y 2
Budgetvergelijking vanuit standpunt periode 2:
C 1∗( 1+r ) +C 2=Y 1∗( 1+r )+Y 2
Budgetvergelijking vanuit standpunt periode 1:
C2 Y2
C 1+ =Y 1 +
( 1+r ) ( 1+ r )
Vermogen = afstand tussen het x-intercept en oorsprong in de grafiek.
Sparen kan altijd, lenen kan worden geweigerd: punten rechts van endowment kunnen
onbereikbaar zijn.
Investeringen
Investeren in fysiek kapitaal wordt gedaan indien dit meer oplevert dan een financiële belegging.
Oftewel:
F ( K ) > K∗( 1+r )
Des te hoger r, des te productiever moet de kapitaalgoederenvoorraad zijn:
{ F ( K )−K }
>r
K
Oftewel: het netto rendement fysieke investering moet groter zijn dan het rendement financiële
belegging. R kan worden geïnterpreteerd als oppurtuniteitskost of als rente op een lening ter
financiering van de investering in fysiek kapitaal.