Hoorcollege 2 – Lange Termijn Groei – H3 (6/1)
Vragen van de groeitheorie:
Waarom groeit een economie?
Waarom is het ene land zoveel rijker dan het andere?
Groei van inkomen per hoofd impliceert hogere gemiddelde levensstandaard, maar zegt niet
alles over de welvaart in een land.
Er zijn vier groeimotoren:
1. Sparen (S) Investeren (I) Kapitaalgoederen (K)
2. Groei van de beroepsbevolking (L)
3. Technologische vooruitgang (A)
4. Andere factoren als onderwijsniveau, instituties, enz.
Eerste drie factoren zitten in het basis Solow groeimodel.
Productiefuncties
Y = F (K , L)
a 1−a
Y =K L
a−1 a
K K
MPK: a ( )
L
en MPL: 1−a ( ) zijn beide groter dan nul
L
Tweede afgeleiden duiden afnemende meeropbrengsten aan:
MPK’K: a (a−1) K a−2 L1−a en MPL’L −a (1−a) K a L−1−a zijn beide kleiner dan nul
Schaalopbrengsten
'
Y =F ( λK , λL)
Indien Y’ > λY toenemende schaalopbrengsten
Indien Y’ = λY constante schaalopbrengsten
Indien Y’ < λY afnemende schaalopbrengsten
Intensieve vorm
1
λY =F ( λK , λL ) met λ=
L
Y K Y K
L
=F
L ( )
,1 y=f ( k ) , y= , k =
L L
Helling productiefunctie is MPK, marginaal product van kapitaal. Altijd positief met afnemende
meeropbrengsten.
Kaldor’s stylized facts
1. Over de jaren zijn k en y blijven stijgen
2. K/Y laat geen systematische trend zien
3. Een stijging van y betekent dat arbeid productiever wordt, waardoor het loon stijgt
4. Y/K laat geen trend zien, kapitaal wordt niet productiever
Vragen van de groeitheorie:
Waarom groeit een economie?
Waarom is het ene land zoveel rijker dan het andere?
Groei van inkomen per hoofd impliceert hogere gemiddelde levensstandaard, maar zegt niet
alles over de welvaart in een land.
Er zijn vier groeimotoren:
1. Sparen (S) Investeren (I) Kapitaalgoederen (K)
2. Groei van de beroepsbevolking (L)
3. Technologische vooruitgang (A)
4. Andere factoren als onderwijsniveau, instituties, enz.
Eerste drie factoren zitten in het basis Solow groeimodel.
Productiefuncties
Y = F (K , L)
a 1−a
Y =K L
a−1 a
K K
MPK: a ( )
L
en MPL: 1−a ( ) zijn beide groter dan nul
L
Tweede afgeleiden duiden afnemende meeropbrengsten aan:
MPK’K: a (a−1) K a−2 L1−a en MPL’L −a (1−a) K a L−1−a zijn beide kleiner dan nul
Schaalopbrengsten
'
Y =F ( λK , λL)
Indien Y’ > λY toenemende schaalopbrengsten
Indien Y’ = λY constante schaalopbrengsten
Indien Y’ < λY afnemende schaalopbrengsten
Intensieve vorm
1
λY =F ( λK , λL ) met λ=
L
Y K Y K
L
=F
L ( )
,1 y=f ( k ) , y= , k =
L L
Helling productiefunctie is MPK, marginaal product van kapitaal. Altijd positief met afnemende
meeropbrengsten.
Kaldor’s stylized facts
1. Over de jaren zijn k en y blijven stijgen
2. K/Y laat geen systematische trend zien
3. Een stijging van y betekent dat arbeid productiever wordt, waardoor het loon stijgt
4. Y/K laat geen trend zien, kapitaal wordt niet productiever