Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Werkgroepen Overdrachts- en Omzetbelasting master Notarieel Recht universiteit Leiden

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
64
Geüpload op
28-05-2026
Geschreven in
2025/2026

Werkgroepen Overdrachts- en omzetbelasting van de master Notarieel Recht aan universiteit Leiden

Voorbeeld van de inhoud

Werkgroepen O en O
Werkgroep week 1 (Belastbaar feit, verkrijging)
OPGAVE 1
a. Noem een voorbeeld van een wetsbepaling in de Wet BRV waarin een inbreuk
wordt gemaakt op het kenmerk van de overdrachtsbelasting als tijdstipbelasting.
Uitwerking: Een voorbeeld van een wetsbepaling waarop inbreuk wordt gemaakt op de
overdrachtsbelasting als tijdstipbepaling is art. 8 lid 1 BRV: ‘Indien voor de verkrijging van
een goed als bedoeld in artikel 2 een akte in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, moet worden ingeschreven, vindt de
verkrijging plaats op het tijdstip waarop de akte wordt opgemaakt.’
-​ In beginsel gaat de BRV uit van het tijdstip van de transactie, maar hier wordt in
bovenstaand artikel van afgeweken, aangezien hier wordt uitgegaan van het tijdstip
van het opmaken van de akte, en dus niet het moment van het inschrijven van de
akte.
-​ Hierdoor valt het fiscale tijdstip van de verkrijging niet altijd samen met het moment
waarop de eigendom civielrechtelijk daadwerkelijk overgaat. De strekking hiervan is
om het tijdstip voor de belastingheffing vast te doen staan zodra de tot levering
bestemde akte is verleden.
Aanvulling: Art. 8 lid 2: Op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat vindt de
verkrijging plaats. Art. 8 lid 2 wordt ook goedgekeurd. De referentieperiode van art. 4 valt er
ook onder. Tarieven: Art. 14 BRV.

b. Noem een voorbeeld van een wetsbepaling in de Wet BRV waarin een inbreuk
wordt gemaakt op het kenmerk van de overdrachtsbelasting als civielrechtelijke belasting.
Uitwerking:
Bepaling van de econoom. Art. 2 lid 2 BVR: ‘Voor de toepassing van deze wet wordt onder
verkrijging mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom. Onder
economische eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn
onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt…’

De overdrachtsbelasting is van oorsprong zeer sterk geënt op het burgerlijk recht (het civiele
recht), waarbij voor begrippen als "onroerende zaak" en "verkrijging" wordt aangesloten bij
het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2, lid 2, WBR vormt hierop een duidelijke inbreuk door de
volgende redenen:
-​ Fiscaal-economische uitbreiding: Terwijl civielrechtelijk de eigendom pas overgaat
door een formele leveringshandeling (zoals de inschrijving van een notariële akte),
stelt de wetgever voor de overdrachtsbelasting de verkrijging van de economische
eigendom gelijk aan de verkrijging van de zaak zelf.
-​ Belang-criterium: Er is sprake van een economische verkrijging wanneer een
verkrijger een "samenstel van rechten en verplichtingen" krijgt die een belang bij de
onroerende zaak vertegenwoordigen, waarbij de verkrijger ten minste enig risico van
waardeverandering loopt,. Dit is een materieel-economische benadering die afwijkt
van de strikte civielrechtelijke eigendomsverkrijging

Aanvulling: art. 4 BRV is ook een inbreuk. Aandelen zijn civiel geen OG Zaken, maar
economisch gezien wel.

c. Noem een voorbeeld van een wetsbepaling in de Wet BRV waarin een inbreuk wordt
gemaakt op het kenmerk van de overdrachtsbelasting als “objectieve en zakelijke belasting
die geen rekening houdt met persoonlijke omstandigheden”.
Uitwerking:
Art. 15 lid 1 sub p WRV: Hier wordt gekeken naar de leeftijd van de koper van de
onroerende zaak. Indien deze onder de 35 jaar is, en dit de eerste OG zaak is die wordt
gekocht, geldt de startersvrijstelling. Er wordt hier dus wel rekening gehouden met


1

,persoonlijke omstandigheden en dit is een inbreuk op het objectieve en zakelijke karakter
van de BRV. Er wordt rekening gehouden met de leeftijd en de intentie van de koper, en dit
zijn subjectieve overwegingen.

OPGAVE 2
Geef gemotiveerd aan hoe de heffing van overdrachtsbelasting verloopt in elk van de
onderstaande situaties:
a. Anton koopt van een woningcorporatie drie huurwoningen als belegging.
Uitwerking:
1.​ Er is sprake van een belastbaar feit, want er is sprake van een verkrijging + een
object, want Anton verkrijgt de 3 woningen.
2.​ Anton is belastingplichtige op grond van art. 16 WBR, aangezien hij de verkrijger van
de woningen is.
3.​ De belasting wordt berekend over de waarde in het economisch verkeer van de
woningen, of over de overeengekomen tegenprestatie als deze hoger is.
4.​ Anton is een particulier en koopt 3 woningen, maar hij heeft niet de intentie om zelf in
de woningen te gaan wonen. Hierdoor geldt het hogere tarief van 8% op grond van
art. 14 BRV overdrachtsbelasting aangezien de woningen niet als hoofdverblijf gaan
dienen.
5.​ Van deze overdrachtsbelasting moet aangifte worden gedaan door de notaris op
grond van art. 2 lid 1 WBR.

b. Bakker Bert BV koopt een bedrijfspand ten behoeve van de eigen onderneming.
1.​ Art. 2 lid 1 BRV: Er is sprake van een belastbaar feit, want er is sprake van een
verkrijging (van het pand door de onderneming) + een object (het pand zelf).
2.​ De onderneming Bakker Bart B.V. is de verkrijger van het pand en dus is de
onderneming de belastingplichtige.
3.​ De belasting wordt berekend over de waarde in het economisch verkeer van de
woningen, of over de overeengekomen tegenprestatie als deze hoger is.
4.​ Bakker Bart is geen particulier, maar een vennootschap, en dus geldt het algemene
tarief van 10,4% uit art. 14 lid 1 BRV.
5.​ Van deze overdrachtsbelasting moet aangifte worden gedaan door de notaris op
grond van art. 2 lid 1 WBR.
6.​ Voldoeningsbelasting: De overdrachtsbelasting is een voldoeningsbelasting, wat
betekent dat de BV de verschuldigde belasting zelf (meestal via de
derdengeldenrekening van de notaris) moet voldoen op het moment van de
verkrijging.

c. Cornelie koopt alle aandelen in Fietsproducties BV, een vennootschap die een
fabriekspand bezit waarin een fietsfabriek wordt geëxploiteerd.
1.​ Er is geen sprake van belastbaar feit, want het betreft geen verkrijging van een OG
zaak, maar een verkrijging van aandelen, art. 2 lid 1 BRV. Echter geldt hier een fictie,
dan inhoud dat als er een aandelenoverdracht plaatsvindt van een vennootschap
waarin onroerende zaken zitten, deze ook kan worden aangemerkt als een niet
belastbaar feit. Dit volgt uit art. 4 BRV. Er moet dan sprake zijn van een
vastgoedlichaam. 2 eisen:
-​ De bezitseis: De bezittingen van de BV moeten op het moment van de
verkrijging (of op enig moment in het jaar daaraan voorafgaand) voor meer
dan 50% bestaan uit onroerende zaken, waarbij ten minste 30% van het
totale vermogen uit in Nederland gelegen onroerende zaken bestaat.
-​ De doeleis: De onroerende zaken moeten (bezien als geheel) dienstbaar zijn
aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken
In de notariële praktijk en rechtspraak geldt dat onroerende zaken die worden gebruikt ten
behoeve van een eigen actieve onderneming (zoals een productiebedrijf) in de regel niet
worden meegeteld voor de "doeleis" van artikel 4 WBR. Omdat de BV een fietsenfabriek


2

,exploiteert en niet primair handelt in of belegt in vastgoed, is Fietsproducties BV
waarschijnlijk geen vastgoedlichaam.
-​ Conclusie op dit punt: Als de BV geen vastgoedlichaam is, is Cornelie geen
overdrachtsbelasting verschuldigd over de koop van de aandelen.

d. Dubbelwinst BV koopt de economische eigendom van een kantoorpand aan de
Zuidas. De juridische eigendom van het pand bevindt zich bij een stichting.
Uitwerking:
1.​ Er is sprake van een belastbaar feit, want er is sprake van een verkrijging (van het
pand door de onderneming) + een object (het pand zelf). Hoewel de stichting
juridisch eigenaar blijft, is er sprake van een belastbaar feit op grond van artikel 2,
lid 2, WBR. In dit artikel wordt de verkrijging van de economische eigendom voor
de overdrachtsbelasting gelijkgesteld aan de verkrijging van de onroerende zaak zelf.
Er is dus sprake van een belastbaar feit. De verkrijger is Dubbelwinst B.V.
2.​ In casu is Dubbelwinst B.V. de belastingplichtige, en het maakt niet uit dat hij een
rechtspersoon is.
3.​ Het gaat in casu om kantoorpanden, en dus niet om een woning. Hierdoor geldt het
algemene tarief van 10,4%
4.​ In casu is er geen notaris bij de transactie betrokken, en dus moet de B.V. zelf
aangifte van de overdrachtsbelasting doen.
5.​ Meldingsplicht (Art. 54 WBR): Indien er geen notariële akte wordt opgemaakt van
deze economische overdracht, is de vervreemder (de stichting) verplicht om de
transactie binnen twee weken te melden bij de Belastingdienst.

OPGAVE 3
Aisha is eigenaar van een stuk grond.
Op deze grond is destijds een recht
van erfpacht
gevestigd ten behoeve van Bob voor
de duur van 30 jaren. Het recht is niet
van het
leven afhankelijk. De canon bedraagt
€ 3.000 per jaar. Stel dat het recht van
erfpacht
teniet gaat door het enkele verloop
van de tijd waarvoor het recht is
gevestigd. Ga ervan
uit dat de waarde van de grond in volle eigendom vóór de vestiging van het recht van
erfpacht € 80.000 bedroeg en dat de waarde na afloop van dit recht € 120.000 bedraagt.
Vraag a: Is overdrachtsbelasting verschuldigd ter zake van het teniet gaan van het recht van
erfpacht door verloop van de tijd waarvoor het recht is gevestigd? Zo ja, door wie en
waarover?
Uitwerking:
Het tenietgaan van een beperkt recht door het verloop van tijd is uitgezonderd van de
fictiebepaling van art. 6 WBR. Er is hier dus geen overdrachtsbelasting verschuldigd.

Op een ander stuk grond van Aisha
is een recht van opstal gevestigd
ten behoeve van
Dylan. Ten tijde van de vestiging
van het opstalrecht was de grond
onbebouwd. Dylan
besluit tot het voor zijn eigen
rekening en risico aanbrengen van
een loods op deze


3

, grond. De bouwkosten van de loods bedragen € 120.000.
Vraag b: Is door Aisha en/of Dylan overdrachtsbelasting verschuldigd ten tijde van de
aanbreng van de loods door Dylan? Zo ja, door wie en waarover?
Uitwerking:
In casu is er geen sprake van natrekking, aangezien er een opstalrecht is gevestigd op de
grond van A. (art. 5:20 BW). Hierdoor is Dylan eigenaar van de loods, en niet Aisha. Omdat
er voor geen van de partijen sprake is van een 'verkrijging' in de zin van de
overdrachtsbelasting op het moment dat de loods wordt gebouwd, vindt er geen heffing
plaats.

Aanvulling: Dylan bouwt de loods met recht van opstal, er is dan dus geen sprake van een
verkrijging. Dylan is dus geen verkrijger en dus niet overdrachtsbelastingplichtig. HR arrest
bevestigt dit. Art. 2.1 WBR: Ook Aisha is niet belastingplichtig ten tijde van de aanbreng van
de opstal.

Stel dat het recht van opstal teniet
gaat door het enkele verloop van
de tijd waarvoor
het recht is gevestigd. De loods is
op dat moment waard € 140.000.
Vraag c: Is overdrachtsbelasting
verschuldigd ter zake van deze
gebeurtenis? Zo ja, door wie en
waarover?
Uitwerking:
Opstalrecht gaat teniet, door
natrekking wordt Aisha eigenaar
van de loods en is dus verkrijger.
Dit is een belastbaar feit. De
waarde is 140.000 euro en hier moet je over heffen, art. 6 lid 3 BRV is hier niet van
toepassing, dus we hebben die niet meer nodig, want hij valt al onder art. 3 BRV. Er vindt op
grond van de hoofdregel al heffing plaats.

OPGAVE 4
Vader Eddy heeft drie kinderen: Inez (36),
John (38) en Henry (40). Vader Eddy sluit
met Inez een koopovereenkomst met
betrekking tot zijn woning. Eddy en Inez
komen
overeen dat Inez de woning koopt voor de
prijs ad € 400.000. Tevens komen zij
overeen
dat de betaling van de koopsom en de
levering van de woning niet eerder zullen
plaatsvinden dan na het overlijden van Eddy.
De bedoeling is dat Inez pas na het
overlijden van Eddy de woning zal betrekken.
Vraag a: Is er in verband met de hierboven bedoelde koopovereenkomst sprake van een
verkrijging van economische eigendom?
Uitwerking:
-​ In casu is er geen sprake van een verkrijging van economisch eigendom bij het
sluiten van de overeenkomst, omdat een verkrijging die uitsluitend een recht op
levering niet wordt aangemerkt als de verkrijging van economisch eigendom. art. 2 lid
3 sub a WBR.



4

Documentinformatie

Geüpload op
28 mei 2026
Aantal pagina's
64
Geschreven in
2025/2026
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Dr. a. rozendal, m.d.c. gomes vale viga msc
Bevat
Alle colleges
€7,66
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
irisoudhoff

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
irisoudhoff Universiteit Leiden
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
2
Lid sinds
3 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
11
Laatst verkocht
3 maanden geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen