Tegen elkaar afzetten van verschillende historische en hedendaagse perspectieven op
psychopathologie, en de behandeling daarvan
Identificeren van belangrijke bijdragers aan huidige theorieën over het ontstaan en de
behandeling van psychopathologie
Bespreken van de gevaren die kleven aan het iemand diagnosticeren met een psychische stoornis
Hoorcollege/samenvatting leerdoelen/H1 Davey
Historisch gezien werd psychopathologie vaak verklaard door demonologische opvattingen, waarbij
men geloofde dat psychische stoornissen het gevolg waren van bezetenheid of bovennatuurlijke
krachten. Behandelingen omvatten exorcisme en rituelen. Met de komst van Hippocrates ontstond
het medische model, waarin stoornissen werden toegeschreven aan een onevenwicht in de
lichaamssappen (humoren). Behandelingen bestonden uit dieetwijzigingen, rust en aderlatingen.
In de 19e en 20e eeuw ontwikkelden zich verschillende psychologische perspectieven. Freud’s
psychodynamische benadering richtte zich op onbewuste conflicten en innerlijke driften, behandeld
via psychoanalyse. Tegelijkertijd benadrukte het behaviorisme, vertegenwoordigd door Watson en
Skinner, dat afwijkend gedrag het gevolg was van verkeerde conditionering. Behavioristen gebruikten
technieken zoals blootstellingstherapie en gedragsmodificatie. Het cognitieve perspectief, ontwikkeld
door Beck en Ellis, stelde dat irrationele gedachten en schema’s stoornissen veroorzaken, wat leidde
tot cognitieve gedragstherapie (CGT). De humanistische benadering van Rogers en Maslow legde de
nadruk op persoonlijke groei en zelfactualisatie, waarbij de therapie gericht was op empathische en
cliëntgerichte begeleiding. Daarnaast heeft het biologische perspectief een belangrijke plaats
gekregen, met de focus op genetische, neurochemische en hersenstructuur-gerelateerde oorzaken
van stoornissen. Behandelingen omvatten medicatie en hersenstimulatie.
Tot slot erkent het sociaal-culturele perspectief de invloed van sociale en culturele factoren, wat
leidde tot gemeenschapsgerichte interventies en systeemtherapieën. Het sociaal-culturele
perspectief in de psychologie benadrukt dat menselijk gedrag sterk wordt beïnvloed door sociale en
culturele factoren. Dit omvat normen, waarden, tradities en sociale structuren binnen een
samenleving. Mensen worden niet alleen gevormd door hun persoonlijke ervaringen, maar ook door
de sociale context waarin ze leven. Dit inzicht heeft geleid tot de ontwikkeling van interventies die
zich richten op bredere sociale netwerken en gemeenschappen, in plaats van alleen op het individu.
Voorbeelden hiervan zijn gemeenschapsgerichte interventies, die zich richten op het verbeteren van
de leefomstandigheden, het versterken van sociale steun en het bevorderen van collectieve
veerkracht. Daarnaast zijn systeemtherapieën ontstaan, zoals gezinstherapie en relatietherapie, die
problemen niet alleen zien als individuele kwesties, maar als het resultaat van verstoorde interacties
binnen sociale systemen, zoals het gezin. Deze benadering kijkt naar communicatiepatronen, rollen
en verwachtingen binnen relaties om gedrag te begrijpen en te veranderen.
Door deze bredere blik draagt het sociaal-culturele perspectief bij aan een meer omvattende en
contextuele benadering van psychologische hulpverlening.
Belangrijke bijdragers aan de huidige theorieën over psychopathologie zijn onder meer Sigmund
Freud, die de psychoanalyse introduceerde, en Aaron T. Beck, die als pionier van de cognitieve
therapie wordt beschouwd. Ook John B. Watson en B.F. Skinner leverden essentiële bijdragen met
hun onderzoek naar leergedrag en conditionering. Carl Rogers en Abraham Maslow legden de basis
voor de humanistische psychologie, terwijl Emil Kraepelin het classificatiesysteem ontwikkelde dat
later de basis werd voor de DSM. Philippe Pinel wordt eveneens genoemd vanwege zijn
hervormingen in de psychiatrische zorg, die een humanitaire benadering introduceerden.
,Het diagnosticeren van psychische stoornissen
brengt echter ook risico’s met zich mee.
Stigmatisering is een belangrijk gevaar: een
diagnose kan leiden tot sociale uitsluiting en
negatieve stereotypering. Mensen kunnen zich
bovendien identificeren met hun diagnose, wat hun
herstel belemmert door een zogenoemde self-
fulfilling prophecy. Daarnaast bestaat het gevaar
van etikettering, waarbij de unieke eigenschappen
van een individu worden genegeerd ten gunste van
een vastomlijnde diagnose. Het diagnostisch proces
is bovendien deels subjectief; interpretaties kunnen verschillen tussen clinici, wat foutieve diagnoses
kan veroorzaken. Dit kan leiden tot overbehandeling of het gebruik van onjuiste behandelmethoden,
zoals onnodige medicatie. In het huidige medische systeem bestaat ook het risico van medicalisering,
waarbij alledaagse problemen worden gezien als psychische stoornissen die behandeling vereisen.
Freud – Psychoanalyse
Psychische Structuur (Driepersoonlijkheidsmodel)
Freud stelde dat de menselijke geest bestaat uit drie delen:
Id: Het primitieve, instinctieve deel dat gericht is op onmiddellijke bevrediging van behoeften en
verlangens (bijvoorbeeld eten, agressie, seksuele driften). Het werkt volgens het plezierprincipe.
Ego: Het rationele, bewuste deel dat bemiddelt tussen het id en de buitenwereld. Het werkt
volgens het realiteitsprincipe en probeert impulsen van het id op een sociaal aanvaardbare
manier te vervullen.
Superego: Het morele geweten dat normen en waarden vertegenwoordigt. Het beoordeelt het
gedrag van het ego en veroorzaakt schuldgevoelens als iemand afwijkt van morele standaarden.
Bewustzijnsniveaus
Bewuste: Alles wat we op een bepaald moment kunnen waarnemen of denken.
Voorbewuste: Informatie die niet direct bewust is, maar gemakkelijk toegankelijk is.
Onbewuste: Onderdrukte gedachten, verlangens en herinneringen die we ons niet bewust
herinneren maar die ons gedrag sterk beïnvloeden.
Psychoseksuele Ontwikkelingsstadia
, Orale fase (0-1 jaar): Focus op mond (eten, zuigen).
Normaal gedrag: Een baby zoekt troost door te zuigen aan een speen of fles.
Probleem: Onvoldoende of te veel orale bevrediging kan leiden tot orale fixaties zoals roken,
nagelbijten of emotioneel afhankelijk gedrag op volwassen leeftijd.
Anale fase (1-3 jaar): Focus op controle over ontlasting.
Normaal gedrag: Een peuter leert zindelijk worden en ontwikkelt een gevoel van controle.
Probleem: Te strenge of te lakse zindelijkheidstraining kan leiden tot:
o Anale retentie: Overdreven netheid, perfectionisme, gierigheid.
o Anale expulsie: Slordigheid, impulsiviteit, gebrek aan zelfcontrole.
Fallische fase (3-6 jaar): Focus op geslachtsdelen en het Oedipus-/Elektracomplex.
Normaal gedrag: Een kind identificeert zich met de ouder van hetzelfde geslacht.
Probleem: Onopgeloste conflicten kunnen leiden tot moeite met autoriteit, onzekerheid in
relaties, of overdreven bravoure om aandacht te krijgen.
Latentie fase (6-12 jaar): Seksuele gevoelens worden onderdrukt; focus op school en vrienden.
Normaal gedrag: Een kind richt zich op leren en het vormen van vriendschappen.
Probleem: Een gebrek aan sociale interactie kan leiden tot problemen met vriendschappen,
moeite met samenwerken of sociaal isolement in het volwassen leven.
Genitale fase (12+ jaar): Ontwikkeling van volwassen seksualiteit en relaties.
Normaal gedrag: Een tiener ontwikkelt interesse in romantische relaties en zoekt emotionele
verbinding.
Probleem: Onvolledig doorlopen van eerdere stadia kan zorgen voor emotionele afstand,
problemen in intieme relaties of moeite met het aangaan van langdurige bindingen.
Afweermechanismen
Ontkenning: Weigeren een pijnlijke waarheid te erkennen. Iemand blijft doen alsof zijn relatie
goed is, ondanks duidelijke problemen.
Verdringing: Pijnlijke herinneringen worden naar het onbewuste geduwd. Een persoon die een
traumatische ervaring heeft gehad, kan zich er niets meer van herinneren.
Regressie: Terugvallen in kinderlijk gedrag bij stress. Een volwassene gaat schreeuwen en huilen
als hij zijn zin niet krijgt.
Reactievorming: Gedragen tegenovergesteld aan eigen gevoelens. Iemand die zich aangetrokken
voelt tot een collega, is extra gemeen tegen die persoon.
Projectie: Eigen ongewenste gevoelens toeschrijven aan anderen. Iemand die zelf oneerlijk is,
beschuldigt anderen van liegen.
Rationalisatie: Gedrag goedpraten met logische excuses. "Ik heb de test niet gehaald omdat de
leraar oneerlijk was."
Verschuiving: Gevoelens afreageren op een veiliger doelwit. Een werknemer die boos is op zijn
baas, schreeuwt thuis tegen zijn partner.
Sublimatie: Negatieve impulsen omzetten in iets positiefs. Iemand met agressieve neigingen
wordt een bokser of kunstenaar.
Kanttekening psychoanalyse
Veel van Freuds ideeën, zoals het onbewuste, het Oedipuscomplex en de psychoseksuele stadia,
zijn moeilijk empirisch te testen.
De psychoanalyse baseert zich vooral op casestudies en persoonlijke interpretaties, wat het lastig
maakt om objectief te valideren.
Het Behaviorisme
De grondlegger van het behaviorisme is John B. Watson, hoewel andere figuren zoals B.F. Skinner en
Ivan Pavlov ook een cruciale rol speelden. Het behaviorisme is een stroming binnen de psychologie
die zich richt op observeerbaar gedrag in plaats van op innerlijke mentale processen. Volgens het
, behaviorisme wordt gedrag voornamelijk aangeleerd door interacties met de omgeving, via
mechanismen als conditionering.
Gedragsmodificatie: Gedragstherapeutische methoden gebaseerd op principes van operante
conditionering, die ervan uitgaan dat aangeleerd psychopathologisch gedrag kan worden 'afgeleerd'
door gebruik te maken van normale leerprocessen.
Kernprincipes van het Behaviorisme
1. Gedrag is aangeleerd:
Het behaviorisme gaat ervan uit dat al het gedrag wordt gevormd door ervaringen en niet door
aangeboren eigenschappen of interne processen.
2. Focus op observeerbaar gedrag:
Mentale processen (zoals gedachten en emoties) worden genegeerd omdat ze niet direct
meetbaar zijn. Alleen waarneembaar gedrag wordt bestudeerd.
3. Conditionering:
Gedrag wordt aangeleerd via twee belangrijke vormen van conditionering:
Klassieke conditionering (Pavlov): Gedrag ontstaat door associaties tussen stimuli.
Operante conditionering (Skinner): Gedrag wordt beïnvloed door de gevolgen ervan
(beloningen of straffen).
4. Omgevingsinvloeden:
Gedrag wordt sterk bepaald door de omgeving, zoals opvoeding, cultuur en beloningssystemen.
Vormen van Conditionering
1. Klassieke Conditionering (Ivan Pavlov)
Bij klassieke conditionering leert een organisme een associatie tussen een neutrale stimulus (NS) en
een ongeconditioneerde stimulus (US), wat leidt tot een geconditioneerde respons (CR).
Voorbeeld: Pavlovs hond:
o US (ongeconditioneerde stimulus): Voedsel → UR (ongeconditioneerde respons):
Speekselproductie.
o NS (neutrale stimulus): Een bel → Geen respons.
o Door de bel herhaaldelijk te combineren met het voedsel wordt de bel een CS
(geconditioneerde stimulus) die speekselproductie (CR) uitlokt.
Kenmerken van klassieke conditionering
Acquisitie: Het proces waarbij de associatie tussen de NS en de UCS wordt geleerd.
Extinctie: Als de CS herhaaldelijk wordt gepresenteerd zonder de UCS, verdwijnt de CR
uiteindelijk.
Spontaan herstel: Na een pauze kan de CR tijdelijk terugkomen, zelfs na extinctie.
Stimulusgeneralisatie: Vergelijkbare stimuli als de CS roepen ook de CR op.
Stimulusdiscriminatie: Alleen de specifieke CS roept de CR op
2. Operante Conditionering (B.F. Skinner)
Gedrag wordt versterkt of verzwakt door de consequenties:
Positieve bekrachtiging: Iets prettigs toevoegen om gedrag te versterken.
Voorbeeld: Een kind krijgt snoep voor het opruimen van speelgoed.
Negatieve bekrachtiging: Iets onprettigs wegnemen om gedrag te versterken.
Voorbeeld: Een luide piep stopt zodra iemand zijn autogordel omdoet.
Positieve straf: Iets onprettigs toevoegen om gedrag te verminderen.
Voorbeeld: Een boete geven voor te hard rijden.
Negatieve straf: Iets prettigs wegnemen om gedrag te verminderen.
Voorbeeld: Een kind mag niet gamen omdat het zijn huiswerk niet heeft gemaakt.