RECHTERLIJKE ORGANISATIE (HOORCOLLEGES SEMESTER 1)...........................................................................2
De rechter in de rechtsstaat (HC 1)..................................................................................................................2
De rechterlijke onafhankelijkheid (HC 2).........................................................................................................5
De onpartijdigheid van de rechter (HC 3)........................................................................................................8
De inrichting van de rechterlijke macht (HC 4 + 5)........................................................................................11
De inrichting van de gerechten die niet behoren tot de rechterlijke macht en het OM (HC 6).....................15
De rechtspositie van de rechter (HC 7)..........................................................................................................17
De bestuursstructuur van de rechterlijke organisatie (HC 8)........................................................................21
Rechtspraak en rechtsvorming (HC 9 + 10)...................................................................................................23
De toegang tot de rechter (HC 12)................................................................................................................28
Kabinetsformatie en kamerontbinding (HC 12).............................................................................................29
VERGELIJKEND STAATSRECHT (HC SEMESTER 2)............................................................................................ 32
Verenigde Staten...........................................................................................................................................32
Verenigd Koninkrijk........................................................................................................................................38
Europese Unie................................................................................................................................................42
Duitsland.......................................................................................................................................................43
Frankrijk.........................................................................................................................................................48
POLITIEK STAATSRECHT................................................................................................................................ 52
De Koning (WG 1)..........................................................................................................................................52
Ministerraad, minister-president, minister en staatssecretaris (WG 2)........................................................54
De Staten-Generaal, kamerlid en politieke partij (WG 3 + 4)........................................................................55
Ministeriële verantwoordelijkheid (WG 5)....................................................................................................58
Controle op de regering door het parlement (WG 6)....................................................................................60
Vertrouwensbeginsel, ontbinding en kabinetsformatie (WG 7)....................................................................62
WETGEVING................................................................................................................................................. 64
Het Statuut (WG 8)........................................................................................................................................64
De Grondwet (WG 9).....................................................................................................................................67
Wet in formele zin en zelfstandige AMvB (WG 10).......................................................................................70
Delegatie van wetgevende bevoegdheid (WG 11)........................................................................................72
Binding van het Koninkrijk aan verdragen (WG 12)......................................................................................75
Doorwerking van internationale rechtsnormen en EU-recht (WG 13)..........................................................77
Normenhiërarchie, rechterlijke toetsing en toetsingsverbod (WG 14 + 15)..................................................79
DECENTRALISATIE........................................................................................................................................ 83
Algemene aspecten van decentralisatie (WG 16).........................................................................................83
De raad en het college; verordenende bevoegdheid (WG 17)......................................................................86
De burgemeester; openbare-ordehandhaving (WG 18)................................................................................88
GRONDRECHTEN.......................................................................................................................................... 91
Grondrechten: algemene inleiding (WG 19)..................................................................................................91
Beperking van grondwettelijke grondrechten (WG 20).................................................................................94
Internationale grondrechten/EVRM/EU-Handvest (WG 21 + 22).................................................................97
Uitingsvrijheid en vrijheid van vergadering & betoging (WG 23).................................................................99
Vrijheid van godsdienst & levensovertuiging en de vrijheid van onderwijs (WG 24)..................................102
Het gelijkheidsbeginsel en het recht op privacy (WG 25)............................................................................104
1
,Rechterlijke organisatie (hoorcolleges semester 1)
De rechter in de rechtsstaat (HC 1)
Hoofdfuncties overheid
- Wetgeving; stellen van algemene regels
- Besturen; uitvoeren en handhaven van wetten, beleid bepalen
- Rechtspraak;
o Concrete beslissing; in een geschil nemen met betrekking tot een (algemene) wet
o Rechtmatigheidsoordeel; rechter spreekt zich uit over de rechtmatigheid van het
(overheids)handelen. De rechter oordeelt nooit over de doelmatigheid of het beleid
o Bindende beslissing; vonnis gaat in kracht van gewijsde en krijgt executoriale titel.
Vgl. bestuursbesluiten: niet bindend, want beroep bij rechter staat nog open
o Volgens de wet; rechter oordeelt niet over de innerlijke waarde en billijkheid van de
wet. Hij vervangt de wet niet door zijn persoonlijke overtuigingen
o Overheidsfunctie; rechtspraak geschiedt door de overheid (art. 112, 113 en 117 lid 1
Gw)
Rechtspraak volgens art. 6 EVRM
- Geschil; dat er sprake moet zijn van een geschil volgt niet uit art. 6 EVRM, maar uit de
uitspraken van het EHRM. Een geschil is wanneer de ene partij iets stelt en de ander dit
weerspreekt.
je hebt pas recht op een eerlijke en onpartijdige rechter (art. 6 EVRM) als er sprake is van
een geschil. Art. 17 Gw is ruimer dan art. 6 EVRM.
- Bindende beslissing
o Van de Hurk (niet voorgeschreven): op grond van de wet kon de Kroon rechtelijke
uitspraken vernietigen. Van de Hurk stapte naar het EHRM onder schending van art. 6
EVRM. Volgens het EHRM voldeed de vernietigingsprocedure van de Kroon niet aan
art. 6 EVRM, omdat rechterlijke beslissingen bindend dienen te zijn. Vernietiging door
de Kroon is niet mogelijk.
- Rechtmatigheidsoordeel; door een onafhankelijke en onpartijdige overheidsrechter
- Bij de wet ingesteld; de rechter moet bij de wet zijn ingesteld
o Benthem: naar aanleiding van deze uitspraak is het administratief kroonberoep
afgeschaft. De burger kon in het bestuursrecht in beroep gaan tegen
bestuursbesluiten bij de Kroon. De Kroon kreeg hiertoe advies van de Raad van State.
Benthem was het hier niet mee eens en wou dat een onafhankelijke en onpartijdige
rechter een beslissing nam. Volgens het EHRM kon dit niet, omdat de Kroon geen
onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie is. De rechter dient te oordelen
op rechtmatigheid en niet op beleidmatigheid en doelmatigheid.
Machtenscheiding
De machtenscheiding zorgt ervoor dat de vrijheid van burgers worden gewaarborgd door de
staatsmacht te verdelen, zodat er geen sprake kan zijn van machtsmisbruik. De machtenscheiding is
vastgelegd algemene bepaling van de Grondwet.
- Drie afzonderlijke gelijkwaardige zelfstandige onafhankelijke functies en instanties
(functionele machtenscheiding):
1. Wetgevende macht; wetgeving, regering
2. Uitvoerende macht; besturen, parlement
3. Rechtsprekende macht; rechtspreken, rechtspraak
- Geen absolute scheiding: ze zijn met elkaar verbonden (vooral parlement (SG + regering) en
regering, want regering zit ook in parlement)
2
, o Regering heeft uitvoerende én wetgevende taak (amvb’s)
o SG heeft wetgevende én uitvoerende taak (vaststellen begroting etc.)
o Regering en wetgever heeft ook invloed op rechterlijke macht, want bij koninklijk
besluit benoemd, inrichting bepaalt door wet, etc)
- Checks and balances: machtenscheiding zorgt er voor dat de machten elkaar controleren
(bijv. rechters worden benoemd door de regering, Hoge Raad op voordracht van de Tweede
Kamer)
o Het is wel risicovol om te veel nadruk te leggen op controlemechanismen. Dit zie je
aan bijvoorbeeld de politieke druk. De politiek bemoeit zich steeds meer met de
rechtspraak, waardoor de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het gedrang kan
komen.
Organisatorische machtenscheiding
Naast de functionele machtenscheiding kennen we ook de organisatorische machtenscheiding.
Toebedeling aan verschillende ambten en instellingen, om een duidelijke scheiding te maken:
- Wetgevende macht: Staten-Generaal
- Uitvoerende macht: regering
- Rechtsprekende macht: rechtbanken en gerechtshoven
Zelfstandigheid rechtspraak
Elementen:
- Rechterlijke macht is onafhankelijk; benoeming voor het leven
- Competentie van de rechter is een element in de zelfstandigheid van de rechter
- Rechter bepaalt zelf zijn bevoegdheid tot het beslechten van een geschil
- Onverenigbare functies: rechters kunnen niet ook in parlement of regering zitten (uiting van
machtenscheiding)
- Rechters bepalen zelf hun werkwijze
Rechtsstaat
Rechtsstaat is een belangrijk element van de democratische samenleving en staat voor regulering van
overheidsmacht. Geeft grenzen aan overheidsoptreden. Rechtsstaat biedt bescherming tegen
machtsmisbruik en waarborgt dat de overheid verantwoordelijk en transparant handelt.
Wat wordt er verstaan onder rechtsstaat?
Grondwet
Toelichting art. 117 Grondwet:
- Legaliteitsbeginsel; elk overheidshandelen moet berusten op een voorafgaande wettelijke
regeling (democratisch vastgestelde wet). Dit geldt voor alle drie de machten.
Legaliteitsbeginsel zorgt voor rechtsgelijkheid en rechtszekerheid
- Machtenscheiding; regelgeving, uitvoering en rechtspreken mogen niet bij hetzelfde ambt
liggen.
- Democratie; de belangrijkste wetgeving moet door volksvertegenwoordiging tot stand komen
- Onafhankelijke rechter die de rechten van burgers beschermt en de naleving van wetten
waarborgt
- Bescherming van klassieke grondrechten; doel van klassieke grondrechten is bescherming
tegen excessief overheidshandelen. Klassieke grondrechten vragen van overheid om iets niet
te doen
EHRM
- Legaliteitsbeginsel
3
, - Eerlijk proces voor burgers
- Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
- Machtenscheiding
EU
- Legaliteitsbeginsel
- Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
- Verbod van willekeur
- Onafhankelijke en onpartijdige rechter
- Rechterlijke toetsing
4