Opbouw planten (H1)
1. Inleiding
1.1. Algemene kenmerken van planten
Algemene kenmerken:
• Primaire producenten (fotosynthese: zon → chemische energie)
• Sessiel
• Groei tegen zwaartekracht (steunweefsel)
• Transport van water, nutriënten en assimilaten
• Waterverlies via verdamping (stomata)
• Ontwikkeling via embryo met reservevoedsel
1.2. Classificatie en levenscyclus van planten
Evolutielijn:
• Groene algen → landplanten (embryofyten)
• Bryofyten → tracheofyten (xyleem + floëem)
• Varens → zaadplanten
• Gymnospermen → angiospermen (bloemen + vruchten)
• Monocotylen vs eudicotylen (zaadlobben, nervatuur)
1.2.1. Afwisseling van diploïde en haploïde generaties
Afwisseling van generaties:
• Sporofyt (2N) en gametofyt (1N) zijn beide
multicellulair
• Meiose → sporen (1N)
• Sporen → mitose → gametofyt
• Gametofyt vormt gameten via mitose
Verschil met dieren:
• Gameten ontstaan rechtstreeks via meiose
• Geen multicellulaire haploïde fase
Aanvullende termen:
• Heterosporie: sporofyt dominant + microsporen ( )
en megasporen ( )
• Eenhuizig: mannelijke en vrouwelijke bloemen op
dezelfde plant
• Tweehuizig: bloemen op verschillende planten
• Eenslachtig: bloem met óf mannelijke óf vrouwelijke
organen
• Tweeslachtig: bloem met beide
Dubbele bevruchting (angiospermen):
• Zaadcel + eicel → zygote (2N)
• Zaadcel + poolkernen → endosperm (3N)
→ Energie enkel bij effectieve bevruchting
2. Overzicht van plantenstructuur
2.1. Rigide celwanden
Cytoplasma: inhoud binnen plasmamembraan (cytosol + organellen)
Cytosol: waterige matrix voor metabolisme
Cytoskelet: eiwitnetwerk voor vorm en transport
Plasmamembraan: selectief permeabel
,Middenlamel: pectine, zorgt voor hechting tussen cellen
Primaire celwand: dun en flexibel (cellulose, hemicellulose, pectine)
Secundaire celwand: dik, vaak lignine → extra stevigheid
Celwand: bescherming, vorm en mechanische steun
2.2. Plasmodesmata laten molecuulbewegingen van cel tot cel toe
Plasmodesmata: cytoplasmatische verbindingen tussen cellen
Desmotubuli: ER-verbinding tussen cellen
Spoke-eiwitten: vormen microkanalen en reguleren transport
Callose: regelt poriegrootte (open/dicht)
Transport:
• Symplastisch: via cytoplasma en plasmodesmata
• Apoplastisch: via celwanden en intercellulaire ruimtes
Voorbeeld: tabaksmozaïekvirus opent plasmodesmata → minder
callose → snellere verspreiding
2.3. Meristemen als delende weefsels
Meristeem: zone met delende, ongedifferentieerde cellen
• Apicaal meristeem: lengtegroei (wortel/scheut)
• Axillair meristeem: zijtakken
• Lateraal meristeem: diktegroei
• Vasculair cambium: xyleem (binnen) + floëem (buiten)
• Kurkcambium: kurk (bescherming, minder verdamping)
• Dermaal weefsel: epidermis
• Grondweefsel: opslag, fotosynthese, stevigheid
• Vasculair weefsel: transport
Secundaire diktegroei: meer dikte door laterale meristemen
• Spinthout (sapwood): actief, jong xyleem
• Kernhout (heartwood): steunend, oud xyleem zonder transportfunctie
• Periderm: secundaire bescherming dat bestaat uit kurk en kurkcambium
• Schors: alles buiten cambium
3. Plant weefsels
3.1. Dermaal weefsel als bedekking
Epidermis: buitenste en primaire beschermlaag
Bovenste epidermis: bovenste beschermlaag met weinig stomata
Onderste epidermis: onderste beschermlaag met veel stomata
Trichomen: uitgroeisels van de epidermis en biedt bescherming tegen
stress/herbivoren
Sluitcellen: gespecialiseerde epidermiscellen regelen opening
Stomata: regelbare openingen die zorgen voor gasuitwisseling en
transpiratie
4. Types van plantcellen
4.1. Grondweefsel
4.1.1. Parenchym
Parenchym: levende, dunwandige cellen (turgor-afhankelijk)
die een functie hebben in fotosynthese, opslag, basisweefsel
Palisade mesofyl: dicht opeengepakte parenchymcellen aan
de bovenzijde van het blad, fotosynthese (veel chloroplasten).
,Spons mesofyl: los gerangschikte parenchymcellen met intercellulaire ruimten voor gasuitwisseling
(CO₂-opname). Bevatten peroxismen en chloroplasten.
4.1.2. Collenchym
Collenchym: levende cellen met ongelijk verdikte primaire wand. Ze bieden flexibele
stevigheid.
Hoekcollenchym: wandverdikking in celhoeken
Plaatcollenchym: wandverdikking in lagen over heel de cel
4.1.3. Sclerenchym
Sclerenchym: dode cellen met dikke, verhoute secundaire wand. Zorgt voor
mechanische stevigheid.
Vezels: langgerekte sclerenchymcellen die stevigheid bieden.
Steencellen (sclereïden): korte, harde sclerenchymcellen (bv. pitten).
Sclerenchymschede: sclerenchymcellen ter bescherming rond vaatbundels voor
bescherming en extra stevigheid.
4.1.4. Endodermis
Endodermis: 1 cellaag tussen cortex en vaatcilinder
Bandjes van Caspari: waterafstotende verdikkingen in de radiale wanden (primaire
celwand) van endodermiscellen die apoplastisch transport blokkeren en symplastisch
transport afdwingen.
4.2. Vasculair weefsel als transportsysteem
Xyleem: vaatweefsel dat water en opgeloste mineralen vanuit de wortel naar de rest van
de plant transporteert en tegelijk stevigheid geeft.
Floëem: vaatweefsel dat opgeloste organische stoffen, zoals suikers, transporteert naar
plaatsen van groei of opslag. Floëemcellen houden enkel organellen over die nodig zijn en
desintegreren de rest.
Vaatbundel: georganiseerde bundel van xyleem en floëem, vaak omgeven door een
sclerenchymschede.
4.2.1. Xyleem
Tracheïden: lange, dode, verhoute xyleemcellen die water transporteren via
stippels
Stippels (pits): dunne plekken in de secundaire celwand voor zijdelings
watertransport
Tracheeën (houtvaten): kortere, bredere xyleemcellen met perforatieplaten die
lange transportbuizen vormen
Perforatieplaat: open eindwand van een trachee waardoor water kan doorstromen naar de volgende
cel
4.2.2. Floëem
Zeefcellen: langgerekte, levende floëemcellen (vooral bij gymnospermen) met zeefvelden
waardoor transport van suikers plaatsvindt. Ze hebben weinig mitochondriën en zijn dus
afhankelijk van begeleidende cellen voor energie.
Zeefplaat: eindwand met poriën tussen 2 zeefvatelementen waardoor opgeloste stoffen
kunnen stromen.
Begeleidende cellen: levende cellen met veel mitochondriën die de stofwisseling en
energievoorziening van zeefvatelementen ondersteunen.
, Callose-afzetting (floëem): callose kan worden afgezet rond zeefplaten om de poriën tijdelijk te
sluiten bij beschadiging of stress.
Floëem-specifieke eiwitten (P-proteïnen): eiwitten in het floëem die helpen bij het snel afsluiten
van zeefplaten bij verwonding.
5. Organellen in de plantencel
5.1. Fosfolipidendubbellaag met proteïnen
Biologisch membraan: bestaat uit een fosfolipidendubbellaag met
ingebedde eiwitten en vormt een selectieve barrière voor stoffen.
Celmembraan (= plasmamembraan): begrenst de cel en regelt het
selectieve transport tussen cel en omgeving.
Vloeistof-mozaïekmodel: beschrijft het membraan als een dynamische
structuur waarin lipiden en eiwitten lateraal kunnen bewegen.
Fosfolipidendubbellaag: bestaat uit 2 lagen fosfolipiden met hydrofiele
koppen naar buiten en hydrofobe staarten naar binnen.
Glycosylglyceriden: membraanlipiden met suikergroepen die bijdragen aan structuur en
celherkenning.
Verzadigde lipiden: bevatten geen dubbele bindingen en maken het membraan minder fluïde.
Onverzadigde lipiden: bevatten dubbele bindingen en verhogen de membraanfluïditeit, vooral bij
lage temperatuur.
Geïntegreerde membraaneiwitten: steken door de volledige dubbellaag en functioneren vaak als
kanalen of transporters.
Perifere membraaneiwitten: liggen los aan het membraanoppervlak en zijn gebonden via niet-
covalente interacties.
Verankerde membraaneiwitten: zijn via een lipideanker aan 1 zijde van het membraan bevestigd.
6. Het endomembraan systeem
Endomembraansysteem: is een netwerk van membranen (nucleus, ER, Golgi, vesikels) dat instaat
voor synthese, transport en verwerking van moleculen.
6.1. De nucleus
Nucleus: is een membraan-omgeven organel dat de genetische informatie bevat en
genexpressie reguleert.
Nucleair genoom: bestaat uit DNA dat samen met eiwitten chromatine vormt en
condenseert tot chromosomen bij celdeling.
Chromatine: is het DNA-eiwitcomplex waarin genetische informatie verpakt zit.
Chromosomen: zijn sterk gecondenseerde chromatinestructuren zichtbaar tijdens
celdeling.
Nucleaire envelop: is een dubbel membraan dat de nucleus scheidt van het cytoplasma.
Nucleaire poriecomplex (NPC): reguleert het transport van moleculen tussen nucleus en
cytoplasma.
Heterochromatine: is sterk gecondenseerd en transcriptioneel inactief.
Euchromatine: is minder gecondenseerd en transcriptioneel actief.
Nucleolus: is de plaats waar rRNA wordt gemaakt en ribosomale subeenheden worden
gevormd.
Transcriptie: is het proces waarbij DNA wordt afgelezen om RNA te vormen.
Translatie: is het proces waarbij ribosomen mRNA omzetten in een polypeptide.
Polyribosomen: zijn meerdere ribosomen die tegelijk één mRNA vertalen.
Translocon: is een kanaal in het ER waardoor nieuwe eiwitten het lumen binnengaan.
Lumen (ER): is de interne ruimte van het ER waar eiwitten verder worden verwerkt.