HC aantekeningen
Parlement en regering; Wetgeving
Staat: regering, ministers
Provincie: provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de koning
Gemeente: gemeenteraad, college van burgemeesters en wethouders, burgemeester
Parlement/Staten-Generaal (art. 50 t/m art. 64 GW)
Taken en bevoegdheden Tweede Kamer:
1. Vertegenwoordiging Nederlandse volk (art. 50 GW)
2. Wetgeving (art. 81 GW)
3. Politieke controle regering (art. 42 lid 2 GW)
4. Jaarlijkse begroting goedkeuren (art. 105 GW)
Taken en bevoegdheden Eerste Kamer:
Regering/kroon: koning en ministers (art. 42 lid 1 GW)
Ministerraad: ministers (art. 45 lid 1 GW)
Kabinet: ministers en staatssecretarissen
Taken en bevoegdheden regering:
1. Dagelijks bestuur
2. Wetgeving (art. 81 GW)
3. Bestuurswetgeving: amvb (art. 89 GW)
4. Toezicht en handhaving (art. 134 GW)
5. Beschikkingen
6. Jaarlijke begroting maken (art. 105 GW)
7. Ontwikkeling internationale rechtsorde (art. 90 GW)
Trias politica (scheiding der machten)
1. Wetgevende macht
2. Uitvoerende macht
3. Rechtsprekende macht
Regering in trias politica: regering is medewetgever en hoogste bestuursorgaan
Ontwikkelingen negentiende eeuw:
1815: Nederlandse Grondwet
1840: strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid
1848: politieke ministeriele verantwoordelijkheid
1853: aprilbeweging
1866-1868: Kwestie Mijer en kwestie Luxemburg
Parlementair stelsel: Nederlandse volk kiest de leden van de Tweede Kamer. Partijen in de Tweede
Kamer gaan samenwerken om een meerderheid te vormen (coalitievorming en kabintesvormatie). De
coalitiepartij vormt de regering. Regering moet de steun hebben van de meerderheid van de Tweede
Kamer (vertrouwensregel). Regering is politieke verantwoording verschuldigt aan de Tweede Kamer.
Monisme: Tweede Kamer is heel meegaand met de regering
Dualisme: Tweede Kamer is kritisch op de regering
, Presidentieel stelsel: Amerikaanse volk kiest rechtsstreeks de president (uitvoerende macht) en het
Congres (wetgevende macht). President hangt niet af van de steum van het Congres.
Wetgeving: een belangrijke rechtsbron
1. Wet in fomele zin (vorm): wet gemaakt door Staten-Generaal en regering (art. 81 GW)
2. Wet in materiele zin (inhoud): wet die algemeen verbindende regels bevat
Wetgeving in Nederland:
1. Wet in formele zin en geen wet in materiele zin
2. Wet in formele zin en wet in materiele zin
3. Wet in materiele zin en geen wet in formele zin
Hierarchie wetgeving:
1. Statuut en Grondwet
2. Wet in formele zin
3. Algemene maatregel van bestuur
4. Ministeriele regeling
5. Provinciale verordening
6. Gemeente verordening/waterschaps verordening
Primaat van de wet: de wet is het belangrijkste
Legisme: de rechtsregels zijn op de wet gebaseerd
Codificatie: het zo volledig mogelijk en systematisch rechtsregels in de wet vaststellen
Toetsingsverbod: de Nederlandse rechter mag een wet in formele zin niet toetsen aan de Grondwet
(art. 120 GW)
Kader- of raamwetgeving: de wet in formele zin vormt de kamer of de raam voor lagere wetgeving die
gedetailleerde regels bevatten
Totstandkoming wet in formele zin
1. Voorstel vanuit regering
2. Voorstel vanuit Tweede Kamer (initiatiefwet)
Internationaal recht en fundamentele rechten
Val kabinet: het kabinet biedt zijn ontslag aan en wordt demossionair (de lopende zaken worden
afgehandeld en de controversiele zaken worden niet behandeld)
Internationaal (publiek)recht: het recht tussen staten (volkeren)
Doorwerking en verwevenheid internationaal recht: het internationaal recht werkt door in de
Nederlandse rechtsorde
Rechtssubjecten van internationaal recht:
1. Staten
2. Internationale organisaties (die meestal bij verdrag zijn opgericht)
3. Sommige volkeren
4. Natuurlijke personen en rechtspersonen
Parlement en regering; Wetgeving
Staat: regering, ministers
Provincie: provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de koning
Gemeente: gemeenteraad, college van burgemeesters en wethouders, burgemeester
Parlement/Staten-Generaal (art. 50 t/m art. 64 GW)
Taken en bevoegdheden Tweede Kamer:
1. Vertegenwoordiging Nederlandse volk (art. 50 GW)
2. Wetgeving (art. 81 GW)
3. Politieke controle regering (art. 42 lid 2 GW)
4. Jaarlijkse begroting goedkeuren (art. 105 GW)
Taken en bevoegdheden Eerste Kamer:
Regering/kroon: koning en ministers (art. 42 lid 1 GW)
Ministerraad: ministers (art. 45 lid 1 GW)
Kabinet: ministers en staatssecretarissen
Taken en bevoegdheden regering:
1. Dagelijks bestuur
2. Wetgeving (art. 81 GW)
3. Bestuurswetgeving: amvb (art. 89 GW)
4. Toezicht en handhaving (art. 134 GW)
5. Beschikkingen
6. Jaarlijke begroting maken (art. 105 GW)
7. Ontwikkeling internationale rechtsorde (art. 90 GW)
Trias politica (scheiding der machten)
1. Wetgevende macht
2. Uitvoerende macht
3. Rechtsprekende macht
Regering in trias politica: regering is medewetgever en hoogste bestuursorgaan
Ontwikkelingen negentiende eeuw:
1815: Nederlandse Grondwet
1840: strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid
1848: politieke ministeriele verantwoordelijkheid
1853: aprilbeweging
1866-1868: Kwestie Mijer en kwestie Luxemburg
Parlementair stelsel: Nederlandse volk kiest de leden van de Tweede Kamer. Partijen in de Tweede
Kamer gaan samenwerken om een meerderheid te vormen (coalitievorming en kabintesvormatie). De
coalitiepartij vormt de regering. Regering moet de steun hebben van de meerderheid van de Tweede
Kamer (vertrouwensregel). Regering is politieke verantwoording verschuldigt aan de Tweede Kamer.
Monisme: Tweede Kamer is heel meegaand met de regering
Dualisme: Tweede Kamer is kritisch op de regering
, Presidentieel stelsel: Amerikaanse volk kiest rechtsstreeks de president (uitvoerende macht) en het
Congres (wetgevende macht). President hangt niet af van de steum van het Congres.
Wetgeving: een belangrijke rechtsbron
1. Wet in fomele zin (vorm): wet gemaakt door Staten-Generaal en regering (art. 81 GW)
2. Wet in materiele zin (inhoud): wet die algemeen verbindende regels bevat
Wetgeving in Nederland:
1. Wet in formele zin en geen wet in materiele zin
2. Wet in formele zin en wet in materiele zin
3. Wet in materiele zin en geen wet in formele zin
Hierarchie wetgeving:
1. Statuut en Grondwet
2. Wet in formele zin
3. Algemene maatregel van bestuur
4. Ministeriele regeling
5. Provinciale verordening
6. Gemeente verordening/waterschaps verordening
Primaat van de wet: de wet is het belangrijkste
Legisme: de rechtsregels zijn op de wet gebaseerd
Codificatie: het zo volledig mogelijk en systematisch rechtsregels in de wet vaststellen
Toetsingsverbod: de Nederlandse rechter mag een wet in formele zin niet toetsen aan de Grondwet
(art. 120 GW)
Kader- of raamwetgeving: de wet in formele zin vormt de kamer of de raam voor lagere wetgeving die
gedetailleerde regels bevatten
Totstandkoming wet in formele zin
1. Voorstel vanuit regering
2. Voorstel vanuit Tweede Kamer (initiatiefwet)
Internationaal recht en fundamentele rechten
Val kabinet: het kabinet biedt zijn ontslag aan en wordt demossionair (de lopende zaken worden
afgehandeld en de controversiele zaken worden niet behandeld)
Internationaal (publiek)recht: het recht tussen staten (volkeren)
Doorwerking en verwevenheid internationaal recht: het internationaal recht werkt door in de
Nederlandse rechtsorde
Rechtssubjecten van internationaal recht:
1. Staten
2. Internationale organisaties (die meestal bij verdrag zijn opgericht)
3. Sommige volkeren
4. Natuurlijke personen en rechtspersonen