HC aantekeningen 2.3
Levensloop
Levensloop: geboorte kind; overlijden dierbaren; studiesucces; inkomenszekerheid; vermogen; werk
en carrière; gezondheid en ziekte; eigen huis; vrijheid; veiligheid.
Sociale zekerheid: de inkomenszekerheid bij inkomensderving (ingrijpende gebeurtenis tijdens
levensloop) (art. 20 Gw)
Ontwikkelingen sociale zekerheidsstelsel: in de negentiende eeuw leefde de Nederlandse burger een
armoedig bestaan en was de rol van de overheid zeer beperkt (Armenwet 1854). In het begin van de
20ste eeuw kreeg de overheid pas een rol in het sociale zekerheidsstelsel.
Verzorgingsstaat: de overheid heeft een (verzorgende) taak bij het opvangen van sociale risico’s en
de rol van de overheid verandert gedurende de loop van de jaren.
Collectiviteit en solidariteit: na de Tweede Wereldoorlog en door internationale verdragen kwam er
politieke en maatschappelijke bereidheid om aan het sociale zekerheidsstelsel bij te dragen en kwam
er een grote rol van de overheid.
Betaalbaarheid sociale zekerheidsstelsel: de belasting- en premiedruk in het sociale zekerheidsstelsel
is hoog.
Privatisering: de taken en bevoegdheden in het sociale zekerheidsstelsel worden steeds meer
overgedragen aan private partijen (werkgevers, zorgverzekeraars, zorgkantoren).
re-integratie: de uitbetaling van de uitkering werd eerst centraal gezet, maar nu wordt de re-
integratie van de uitkeringsgerechtigde centraal gezet.
Verandering handhaving en fraudebestrijding: de handhaving en bestrijding van fraude is steeds meer
belangrijker geworden.
Sociale minimum: de ondergrens van de bestaanszekerheid is het sociale minimum
(bijstand/Participatiewet) (waarborgfunctie).
Participatiemaatschappij: de burger moet in beginsel uit eigen kracht en zelfredzaam zijn
inkomensderving opvangen, maar als dat niet lukt dan wordt zijn inkomensderving opgevangen door
het sociale zekerheidsstelsel.
Ethiek: het kritisch nadenken over wat moreel goed is om te doen (moraal op papier).
Moraal/moraliteit: de normen, waarden en gedragingen die we normaal vinden.
Morele sensitiviteit:
Esmah Lahlah: een bestuurder van de gemeente Tilburg die bepaalt dat we niet tegenover maar naast
de burger moeten staan en uitvoeringsbesluiten met empathie moeten beoordelen.
7 vinkjes: het boek van Joris Luierdijk die bepaalt dat het kans op een succesvol leven aan 7 vinkjes
moet voldoen.
,Driedeling sociale zekerheidsstelsel:
1. Werknemersverzekeringen
2. Volksverzekeringen
3. Sociale voorzieningen
Basis driedeling sociale zekerheidsstelsel:
1. De kring van verzekerden
2. De financiering
3. De uitvoering
4. De voorwaarden (hoogte en duur)
De positie van het sociaal zekerheidsrecht binnen het bestuursrecht en de rechtsgang
Positie van het sociaal zekerheidsrecht binnen het bestuursrecht
Bestuursrecht: het recht dat geldt tussen de overheid en burgers of bedrijven (art. 107 lid 2 Gw).
Geschiedenis bestuursrecht: het Nederlandse bestuursrecht was eerst verspreid in verschillende
bijzondere bestuursrechtelijke rechtsgebieden met eigen regels en eigen procedures. De bijzondere
bestuursrechtelijke wetten verschilden onderling, terwijl er voor die verschillen meestal geen
rechtvaardiging was. De verschillende bijzondere bestuursrechtelijke wetten kenden meerdere
mogelijkheden en verschillen ten aanzien van rechtsbescherming of zelfs helemaal geen.
Algemeen bestuursrecht: het algemene bestuursrecht betreft regels in de algemene
bestuursrechtelijke wetten die voor het gehele bestuursrecht gelden. De (hoofd)regels van het
algemene bestuursrecht zijn nu vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (codificering
algemeen bestuursrecht).
Redenen codificering algemeen bestuursrecht:
1. Het opbouwen van een gelaagde structuur van algemeen naar bijzonder.
2. Het brengen van meer eenheid in de bestuursrechtelijke wetten.
3. Het systematiseren en vereenvoudigen van bestuursrechtelijke wetten.
4. Het vastleggen in de wet van normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (abbb).
5. Het treffen van voorzieningen voor zaken die naar hun aard een algemene regeling
behoeven.
Verhouding Awb en sociaal zekerheidsrecht: in de Awb staan de procedureregels voor het nemen van
een besluit en de daarbij behorende normen voor alle bestuursorgaan van Nederland, inclusief
bestuursorganen die zich bezighouden met de uitvoering van het sociaal zekerheidsrecht. De
rechtsbescherming voor burgers en de regels hierbij voor het bestuursorgaan. De procedureregels
staan niet allemaal in de Awb, maar ook in het sociaalzekerheidsrecht.
Bijzonder bestuursrecht: het bijzonder bestuursrecht betreft de regels in de bijzondere
bestuursrechtelijke wetten die voor bijzondere delen van het bestuursrecht gelden, zoals extra of
afwijkende procedureregels van de Awb. Deze bestuursrechtelijke wetten hebben betrekking op een
specifieke overheidstaak, zoals sociale zorg (sociaal zekerheidsrecht). Het bijzonder bestuursrecht
gaat voor het algemeen bestuursrecht, tenzij de afwijking onnodig is.
Algemene beginselen van behoorlijke bestuur (abbb): de normen die gelden bij de voorbereiding en
besluitvorming voor bestuursorganen
, 1. Zorgvuldigheidsbeginsel: de voorbereiding van een besluit door een bestuursorgaan moet
zorgvuldig plaatsvinden, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden
meegewogen bij het nemen van een besluit (art. 3:2 Awb) (voorbereiding besluit).
2. Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel: een besluit moet de terechte verwachtingen van
de burger nakomen (inhoud besluit)
3. Gelijkheidsbeginsel: een bestuursorgaan moet bij het nemen van een besluit gelijke gevallen
gelijk behandelen (art. 1 Gw) (inhoud besluit)
4. Verbod van detournement de pouvoir: een bestuursorgaan mag een besluit niet nemen voor
een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gebruikt (art. 3:3 Awb) (inhoud besluit)
5. Evenredigheidsbeginsel (willekeurverbod): een besluit moet alle belangen afwegen en mag
niet onevenredige gevolgen hebben voor de burger ten aanzien van het doel van het besluit
(art. 3:4 lid 2 Awb) (inhoud besluit)
6. Motiveringsbeginsel: een besluit moet een daadkrachtige en kenbare motivering bevatten
(art. 3:46 jo. 3:47 Awb) (inhoud besluit)
Rechtsgang van het sociaal zekerheidsrecht:
1. Bezwaar tegen besluit: de belanghebbende kan tegen een besluit bezwaar instellen voordat
beroep wordt ingesteld (art. 8:1 jo. 7:1 lid 1 Awb). Het bestuursorgaan toetst ex nunc de
rechtmatigheid en de doelmatigheid van het bezwaarschrift.
2. Voor
3. Beroep tegen beslissing op bezwaar (bob): de belanghebbende kan tegen een beslissing op
bezwaar beroep instellen (art. 8:1 Awb). De bestuursrechter toetst ex tunc de rechtmatigheid
van het beroepsschrift.
4. Hoger beroep tegen uitspraak/vonnis bestuursrechter: de belanghebbende kan tegen een
uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep instellen (art. 8:104 lid 1 Awb). De Centrale
Raad van Beroep (CRvB) toetst het beroepsschrift niet inhoudelijk, maar alleen de procedure.
Rechtsbescherming: de bestuursorganen en bestuursrechters moeten vaker dan eerst aannemen dat
een termijnoverschrijding verschoonbaar is door meer rekening te houden met bijzondere
omstandigheden (menselijke maat). De wet laat een minder strikte benadering van de verschoonbare
termijnoverschrijding maar zeer beperkt toe (ECLI:NL:CBB:2024:31).
Verschuiving rechtmatigheid naar doelmatigheid: de burgers in Nederland moeten erop kunnen
rekenen dat de overheid de wet uitvoert, maar ook dienstbaar is en oog heeft voor de menselijke
maat door met name de Toeslagenaffaire (laagdrempelig, persoonlijk contact, begrijpelijk
gemotiveerde besluiten en meer ruimte voor de afweging van omstandigheden).
WW-uitkering deel 1
Werkloosheidswet (WW): de WW-uitkering wordt uitbetaald als het recht op WW bestaat en het
recht op WW geldend kan worden gemaakt door het naleven van verplichtingen.
(Cumulatieve) voorwaarden recht op WW:
1. De werknemer moet een werknemer zijn in de zin van art. 3 lid 1 WW en is dus verplicht van
rechtswege verzekerd zijn. De werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke
dienstbetrekking (loondienst) (arbeidsovereenkomst) of publiekrechtelijke dienstbetrekking
(ambtelijke aanstelling) staat (art. 3 lid 1 WW), tenzij de werknemer geen
arbeidsovereenkomst heeft, maar wel verzekerd is (art. 4 lid 1 jo. 5 WW), zoals artiesten en
topsporters; de werknemer wel arbeidsovereenkomst heeft, maar niet verzekerd is (art. 6 lid
1 WW), zoals oppassers en schoonmakers.
Levensloop
Levensloop: geboorte kind; overlijden dierbaren; studiesucces; inkomenszekerheid; vermogen; werk
en carrière; gezondheid en ziekte; eigen huis; vrijheid; veiligheid.
Sociale zekerheid: de inkomenszekerheid bij inkomensderving (ingrijpende gebeurtenis tijdens
levensloop) (art. 20 Gw)
Ontwikkelingen sociale zekerheidsstelsel: in de negentiende eeuw leefde de Nederlandse burger een
armoedig bestaan en was de rol van de overheid zeer beperkt (Armenwet 1854). In het begin van de
20ste eeuw kreeg de overheid pas een rol in het sociale zekerheidsstelsel.
Verzorgingsstaat: de overheid heeft een (verzorgende) taak bij het opvangen van sociale risico’s en
de rol van de overheid verandert gedurende de loop van de jaren.
Collectiviteit en solidariteit: na de Tweede Wereldoorlog en door internationale verdragen kwam er
politieke en maatschappelijke bereidheid om aan het sociale zekerheidsstelsel bij te dragen en kwam
er een grote rol van de overheid.
Betaalbaarheid sociale zekerheidsstelsel: de belasting- en premiedruk in het sociale zekerheidsstelsel
is hoog.
Privatisering: de taken en bevoegdheden in het sociale zekerheidsstelsel worden steeds meer
overgedragen aan private partijen (werkgevers, zorgverzekeraars, zorgkantoren).
re-integratie: de uitbetaling van de uitkering werd eerst centraal gezet, maar nu wordt de re-
integratie van de uitkeringsgerechtigde centraal gezet.
Verandering handhaving en fraudebestrijding: de handhaving en bestrijding van fraude is steeds meer
belangrijker geworden.
Sociale minimum: de ondergrens van de bestaanszekerheid is het sociale minimum
(bijstand/Participatiewet) (waarborgfunctie).
Participatiemaatschappij: de burger moet in beginsel uit eigen kracht en zelfredzaam zijn
inkomensderving opvangen, maar als dat niet lukt dan wordt zijn inkomensderving opgevangen door
het sociale zekerheidsstelsel.
Ethiek: het kritisch nadenken over wat moreel goed is om te doen (moraal op papier).
Moraal/moraliteit: de normen, waarden en gedragingen die we normaal vinden.
Morele sensitiviteit:
Esmah Lahlah: een bestuurder van de gemeente Tilburg die bepaalt dat we niet tegenover maar naast
de burger moeten staan en uitvoeringsbesluiten met empathie moeten beoordelen.
7 vinkjes: het boek van Joris Luierdijk die bepaalt dat het kans op een succesvol leven aan 7 vinkjes
moet voldoen.
,Driedeling sociale zekerheidsstelsel:
1. Werknemersverzekeringen
2. Volksverzekeringen
3. Sociale voorzieningen
Basis driedeling sociale zekerheidsstelsel:
1. De kring van verzekerden
2. De financiering
3. De uitvoering
4. De voorwaarden (hoogte en duur)
De positie van het sociaal zekerheidsrecht binnen het bestuursrecht en de rechtsgang
Positie van het sociaal zekerheidsrecht binnen het bestuursrecht
Bestuursrecht: het recht dat geldt tussen de overheid en burgers of bedrijven (art. 107 lid 2 Gw).
Geschiedenis bestuursrecht: het Nederlandse bestuursrecht was eerst verspreid in verschillende
bijzondere bestuursrechtelijke rechtsgebieden met eigen regels en eigen procedures. De bijzondere
bestuursrechtelijke wetten verschilden onderling, terwijl er voor die verschillen meestal geen
rechtvaardiging was. De verschillende bijzondere bestuursrechtelijke wetten kenden meerdere
mogelijkheden en verschillen ten aanzien van rechtsbescherming of zelfs helemaal geen.
Algemeen bestuursrecht: het algemene bestuursrecht betreft regels in de algemene
bestuursrechtelijke wetten die voor het gehele bestuursrecht gelden. De (hoofd)regels van het
algemene bestuursrecht zijn nu vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (codificering
algemeen bestuursrecht).
Redenen codificering algemeen bestuursrecht:
1. Het opbouwen van een gelaagde structuur van algemeen naar bijzonder.
2. Het brengen van meer eenheid in de bestuursrechtelijke wetten.
3. Het systematiseren en vereenvoudigen van bestuursrechtelijke wetten.
4. Het vastleggen in de wet van normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (abbb).
5. Het treffen van voorzieningen voor zaken die naar hun aard een algemene regeling
behoeven.
Verhouding Awb en sociaal zekerheidsrecht: in de Awb staan de procedureregels voor het nemen van
een besluit en de daarbij behorende normen voor alle bestuursorgaan van Nederland, inclusief
bestuursorganen die zich bezighouden met de uitvoering van het sociaal zekerheidsrecht. De
rechtsbescherming voor burgers en de regels hierbij voor het bestuursorgaan. De procedureregels
staan niet allemaal in de Awb, maar ook in het sociaalzekerheidsrecht.
Bijzonder bestuursrecht: het bijzonder bestuursrecht betreft de regels in de bijzondere
bestuursrechtelijke wetten die voor bijzondere delen van het bestuursrecht gelden, zoals extra of
afwijkende procedureregels van de Awb. Deze bestuursrechtelijke wetten hebben betrekking op een
specifieke overheidstaak, zoals sociale zorg (sociaal zekerheidsrecht). Het bijzonder bestuursrecht
gaat voor het algemeen bestuursrecht, tenzij de afwijking onnodig is.
Algemene beginselen van behoorlijke bestuur (abbb): de normen die gelden bij de voorbereiding en
besluitvorming voor bestuursorganen
, 1. Zorgvuldigheidsbeginsel: de voorbereiding van een besluit door een bestuursorgaan moet
zorgvuldig plaatsvinden, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden
meegewogen bij het nemen van een besluit (art. 3:2 Awb) (voorbereiding besluit).
2. Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel: een besluit moet de terechte verwachtingen van
de burger nakomen (inhoud besluit)
3. Gelijkheidsbeginsel: een bestuursorgaan moet bij het nemen van een besluit gelijke gevallen
gelijk behandelen (art. 1 Gw) (inhoud besluit)
4. Verbod van detournement de pouvoir: een bestuursorgaan mag een besluit niet nemen voor
een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gebruikt (art. 3:3 Awb) (inhoud besluit)
5. Evenredigheidsbeginsel (willekeurverbod): een besluit moet alle belangen afwegen en mag
niet onevenredige gevolgen hebben voor de burger ten aanzien van het doel van het besluit
(art. 3:4 lid 2 Awb) (inhoud besluit)
6. Motiveringsbeginsel: een besluit moet een daadkrachtige en kenbare motivering bevatten
(art. 3:46 jo. 3:47 Awb) (inhoud besluit)
Rechtsgang van het sociaal zekerheidsrecht:
1. Bezwaar tegen besluit: de belanghebbende kan tegen een besluit bezwaar instellen voordat
beroep wordt ingesteld (art. 8:1 jo. 7:1 lid 1 Awb). Het bestuursorgaan toetst ex nunc de
rechtmatigheid en de doelmatigheid van het bezwaarschrift.
2. Voor
3. Beroep tegen beslissing op bezwaar (bob): de belanghebbende kan tegen een beslissing op
bezwaar beroep instellen (art. 8:1 Awb). De bestuursrechter toetst ex tunc de rechtmatigheid
van het beroepsschrift.
4. Hoger beroep tegen uitspraak/vonnis bestuursrechter: de belanghebbende kan tegen een
uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep instellen (art. 8:104 lid 1 Awb). De Centrale
Raad van Beroep (CRvB) toetst het beroepsschrift niet inhoudelijk, maar alleen de procedure.
Rechtsbescherming: de bestuursorganen en bestuursrechters moeten vaker dan eerst aannemen dat
een termijnoverschrijding verschoonbaar is door meer rekening te houden met bijzondere
omstandigheden (menselijke maat). De wet laat een minder strikte benadering van de verschoonbare
termijnoverschrijding maar zeer beperkt toe (ECLI:NL:CBB:2024:31).
Verschuiving rechtmatigheid naar doelmatigheid: de burgers in Nederland moeten erop kunnen
rekenen dat de overheid de wet uitvoert, maar ook dienstbaar is en oog heeft voor de menselijke
maat door met name de Toeslagenaffaire (laagdrempelig, persoonlijk contact, begrijpelijk
gemotiveerde besluiten en meer ruimte voor de afweging van omstandigheden).
WW-uitkering deel 1
Werkloosheidswet (WW): de WW-uitkering wordt uitbetaald als het recht op WW bestaat en het
recht op WW geldend kan worden gemaakt door het naleven van verplichtingen.
(Cumulatieve) voorwaarden recht op WW:
1. De werknemer moet een werknemer zijn in de zin van art. 3 lid 1 WW en is dus verplicht van
rechtswege verzekerd zijn. De werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke
dienstbetrekking (loondienst) (arbeidsovereenkomst) of publiekrechtelijke dienstbetrekking
(ambtelijke aanstelling) staat (art. 3 lid 1 WW), tenzij de werknemer geen
arbeidsovereenkomst heeft, maar wel verzekerd is (art. 4 lid 1 jo. 5 WW), zoals artiesten en
topsporters; de werknemer wel arbeidsovereenkomst heeft, maar niet verzekerd is (art. 6 lid
1 WW), zoals oppassers en schoonmakers.