Anatomie & fysiologisch 2
1. Zenuwstelsel I
1.1 Onderscheid maken tussen afferent/efferent, centraal/perifeer, motorisch/sensorisch
en animaal/vegetatief 2
2. Zenuwstelsel II 4
3. Zenuwstelsel III 7
4. Zenuwstelsel IV 12
5. Zenuwstelsel V 19
Pathologisch 35
6. Neurologische symptomen, syndromen en hersentumor 35
7. CVA - hersenbloedvat ongeluk 44
8. Vocht en elektrolytenbalans 50
9. Thermobalans 57
10. Degeneratieve ziekten 62
11. Scheikunde 73
Anesthesiologie 84
12. Het preoperatieve onderzoek en keuze anesthesietechniek 84
13. Inleiding 92
14. Sturing en onderhoud van anesthesie 99
15. Uitleiding en postoperatieve pijnstilling 102
16. Neuraxiale en regionale technieken 108
1. Direct stoppen met inspuiten 110
Lipid rescue - Intralipid 111
AZT 112
17. ECG: Atriale ritmestoornissen 112
18. Neuromusculaire monitoring 118
19. Brain monitoring 121
20. Pijn en pijnbestrijding 124
,Anatomie & fysiologisch
Zie ook de oefenvragen!!!
1. Zenuwstelsel I
1.1 Onderscheid maken tussen afferent/efferent, centraal/perifeer, motorisch/sensorisch en
animaal/vegetatief
Centraal zenuwstelsel: het deel van het zenuwstelsel
“binnen benig omhulsel”: hersenen en ruggenmerg.
Zenuwcellen (neuronen) liggen voornamelijk in dit deel.
Perifere zenuwstelsel: voornamelijk uitlopers, axonen.
Animaal: met wil te beïnvloeden/bewustzijn.
Autonoom/vegatatief: buiten wil, onder te verdelen in:
- (ortho)sympathisch
- parasympatisch
- enterisch zenuwstelsel (buikbrein, spijsvertering)
Motorisch: stuurt spieren aan
Sensorisch: neemt waar, gaat uit van tast, warmte, koude, druk etc.
Afferent: aanvoer, van perifeer naar centraal
Efferent: exit, van centraal naar perifeer
1.2 Hoe een neuron is opgebouwd en wat de functie van de verschillende delen is
Een neuron is opgebouwd uit:
- Axon
Een lange uitloper die bijvoorbeeld naar een spier toe loopt en een signaal kan doorgeven.
Vervoert van het cellichaam af. Zoals van een neuron naar een neuron, of van neuron naar
spier of naar een klier.
- Myelineschede
Ter bescherming en verhoogt de doorgeef snelheid.
- Spiervezel eindplaat
Het elektrische signaal stopt hier en wordt dmv de afgifte van neurotransmitters
doorgegeven aan de volgende cel.
,- Dendrieten
Bevat vaak ook een myelineschede. Een cel kan meerdere dendrieten hebben. Een dendriet
vervoert zich richting het cellichaam.
1.3 Neuronen indelen naar soort en functie
Er zijn verschillende soorten neuronen:
- Sensorische neuronen
Zijn de zintuigen en lopen richting de cel.
- Motorische neuronen
Zorgen voor de motoriek en lopen richting een spier.
- Schakelneuronen
Schakelen tussen neuron > neuron.
1.4 Gliacellen indelen naar soort en functie
Gliacellen zijn ondersteunende cellen in het zenuwstelsel die essentieel zijn voor de werking
van hersenen, met functies zoals het beschermen, voeden en isoleren van neuronen
(zenuwcellen). Gliacellen zijn opgebouwd uit verschillende cellen:
- Oligodendrocyten
Vormen van de myelineschede (bescherming).
- Microgliacellen
Zorgen voor de fagocytose.
- Astrocyten
Zorgen voor steun, regelen ionenconcentratie, ruimen neurotransmitters op. Vormen samen
met endotheelcellen van de haarvaten de bloedhersenbarrière.
Bloedhersenbarrière> Verbinden de neuronen met de capillairen. Vetoplosbare stoffen
kunnen door de barrière, andere stoffen selectief. Cytostatica en sommige antibiotica
passeren niet. Drugs en alcohol wel.
Astrocytoom> type hersentumor uit astrocyten, stervormige cellen die hersenweefsel
ondersteunen (kwaadaardig). Klasse IV meest voorkomende vorm van hersentumoren.
- Ependymcellen
Vormen de binnenbekleding van hersenholtes en centrale ruggenmergkanaal. Geeft voeding
en vormt liquor cerebrospinalis.
, 2. Zenuwstelsel II
2.1 Uitleggen hoe de rustpotentiaal van neuronen ontstaat
Membraan rustpotentiaal
- Binnen de cel is een overschot aan negatieve lading (eiwitten).
- Binnen de cel is kalium het belangrijkste positieve ion.
- Buiten de cel is natrium het belangrijkste positieve ion.
- Neuronen hebben een membraanpotentiaal van -70 mV.
- Na+/K+ pomp
2.2 Het ontstaan van een actiepotentiaal beschrijven
Om een actiepotentiaal/impulsvorming te vormen moeten er veranderingen optreden in
membraanpotentiaal. In de een zenuw duurt een actiepotentiaal 2 milliseconde.
Actiepotentiaal heeft altijd hetzelfde verloop, duur en sterkte.
Een prikkel/stimulus die membraanpotentiaal verschuift van -70 tot -66 mV geeft geen
actiepotentiaal. “ Subliminale prikkel”
Actiepotentiaal bestaat uit:
- Instroom Na+ > depolarisatie
- Uitstroom K+ > repolarisatie
- Herstel > Na+/K+ pomp
Prikkelsterkte komt tot uitdrukking in de frequentie van actiepotentialen, niet in hoogte.
2.3 Een actiepotentiaal beschrijven en de verschillende fasen, waaruit deze is opgebouwd,
verklaren;
Impulsvorming zenuwcel - Excitatie
- Rustpotentiaal
- Extern signaal: Chemisch (transmitterstof) of Fysisch (o.a licht op netvlies)
- Invloed op: Ionenkanaal (meestal Na+)
1. Depolarisatie tot drempelwaarde van -55 mV
2. Opening Na+ kanalen, instroom Na+ en depolarisatie tot +30 mV
3. Opening K+ kanalen en inactivatie Na+ kanalen - repolarisatie
4. Na+ kanalen terug naar eerdere situatie, herstel tot membraanpotentiaal. Cel wordt
-80mV geladen. K+ kanalen gaan weer dicht. Na+ gaat weer naar buiten en de K+
gaat weer naar binnen via de natrium-kaliumpomp.