Het recht is een ‘’black box voor buitenstaanders’’
Het recht is echter tevens een ‘’steeds belangrijkere invloedfactor’’ in onze
samenleving
Het is daarom van belang voor bestuurskundigen,
organisatiewetenschappers, bedrijfskundigen, politicologen etc. om te
beschikken over enige juridische basiskennis
Voorbeelden:
- Starten van onderneming -> welke vorm?
- Bouwen van nieuw bedrijfspand -> vergunningen?
- Ontslaan van werknemers bij economische tegenslag -> hoe werkt
dat? Wat mag wel/niet? Ontslagvergunning?
- Strafvervolging van onderneming bij milieudelict? -> door wie? Wie
vervolgt/beslist?
- Overheidsmaatregelen tijdens coronapandemie -> wat mag de
overheid doen? Hoe ver mogen ze gaan?
Hoofdstuk 1 van studieboek
Wat betekent de term ‘’recht’’?
Onderscheid tussen ‘’positief recht’’ en ‘’natuurrecht’’?
o Positief recht: normen die op bepaald moment in bepaald
territoriaal gebied gelden, en waarvan je de naleving kan
vorderen bij een overheidsrechter
Bijvoorbeeld je verkoopt een fiets, en de koper gaat weg
zonder te betalen -> dan kan je vorderen bij
overheidsrechter
o Natuur: universeel, algemene ideeën over rechtvaardigheid en
moraal, geldt altijd overal, normen kan je niet vorderen bij de
overheidsrechter
Bv. idee dat ieder mens gelijk behandeld moet worden
Wij kijken naar het positief recht met dit boek
Rechtsbronnen:
- Wetgeving
= Regels officieel door overheid gemaakt
, o Allerlei regelingen die worden gemaakt (zowel landelijk als
gemeentelijk)
- Verdragen tussen Nederland en andere staten + algemene besluiten
van internationale organisaties (die ook in NL gelden)
o Bv. EVRM, staan normen in die gelden voor Nederland
o Bv. verordeningen en richtlijnen van Europese Unie
- Jurisprudentie (gerechtelijke uitspraken)
= Uitspraken van rechters die belangrijk worden voor toekomstige
zaken
o Cohen/Lindenbaum 1919, uitspraak hoge raad -> rechter heeft
hier zelf een rechtsregel verder uitgediept, latere rechters die
lijn gevolgd
- Ongeschreven recht (gewoonterecht + ongeschreven
rechtsbeginselen)
= Regels die niet letterlijk in wet staan, maar wel juridisch erkend
o Gewoonterecht = gewoontes die zo algemeen en belangrijk
zijn dat rechters ze accepteren als rechtsregel
Voorbeeld gewoonterecht: verloving in Turkse
gemeenschap, als jongen de ouders van de vrouw een
bruidsschat geven, als het niet doorgaat dan moet dit
weer teruggegeven worden -> kan je op beroepen bij NL
rechter
Nog een voorbeeld: als je een koe verkoopt aan een
andere boer, als koe overlijdt kan koop ongedaan maken
-> kan je op beroepen bij NL rechter
o Ongeschreven rechtsbeginselen
Voorbeeld ongeschreven rechtsbeginselen: beginsel van
fair play door overheid, bedrijven, etc. -> moeten eerlijk
handelen
Rechtsvinding
= Welke rechtsnorm of rechtsnormen in een concreet geval gelden, kan
bepaald worden door:
- Subsumptie
= Een concrete situatie valt direct onder een bestaande wettelijke
regel
, o Onderwerping, voorbeeld studiefinanciering krijg je gewoon als
je 18 bent en studeert aan VU -> feiten worden onder de
wettelijke regel geplaatst
- Toepassing van voorrangsregels (o.a. lex superior derogat legi
inferiori)
= Als twee regels elkaar tegenspreken, bepaalt men welke regel
voorgaat
o Hogere wet gaat boven lagere wet (bv. regel van overheid
boven regel van gemeente).
o Of als je regels van hetzelfde niveau hebt -> dan gaat
bijzondere regeling voor de algemene regeling (bv. dierenwet
tegenover hondenwet)
- Toepassing van interpretatieregels (o.a. grammaticale methode)
= Als een wet onduidelijk is, probeert rechter betekenis van tekst uit
te leggen
o Grammaticale methode: kijken naar betekenis van woorden,
zinsbouw of leestekens
o Teleologische methode: kijken naar doel van wet, waarom
bestaat regel?
- Toepassing van redeneerwijzen (o.a. analogieredenering)
= Rechter redeneert verder vanuit bestaande regels naar nieuwe
situaties
o Analogieredenering: regel wordt toegepast op een
vergelijkbare situatie
o Bv. elektriciteitsarrest -> diefstal is toe-eigenen van een goed,
maar elektriciteit is geen goed zei advocaat -> rechter scherpt
interpretatie aan zodat het ook elektriciteit omvat, rechter
besloot elektriciteit ook onder goed kan vallen hoewel niet
letterlijk in wet stond
Welke methode of methoden van rechtsvinding zijn geschikt in
welke situatie?
, Hoofstuk 2 van studieboek
Het begrip ‘’rechtsstaat’’
= Staat waarin overheid zich aan recht moet houden en burgers
beschermd door wetten en rechten
Wat kenmerkt een rechtsstaat:
- Grondrechten
o Klassieke grondrechten: bv. recht op privacy, vrijheid van
meningsuiting, gelijkheidsbeginsel -> kan je je als burger op
beroepen bij rechter
o Sociale grondrechten: bv. dat overheid moet zorgen voor
voldoende werkgelegenheid, goed onderwijs, goede
gezondheidszorg, goed OV, etc. -> instructienormen en
doelen voor overheid, maar kan je je niet op beroepen bij
rechter
- Legaliteitseis
o Dat overheid slechts in eigendommen en vrijheden van
burgers mag ingrijpen als daar voor een wettelijke grondslag is
-> bv. wel hondenbelasting maar geen kattenbelasting
- Trias politica
- Gebondenheid aan de wet
o Ook overheid moet zich aan wet houden
- Onafhankelijke rechtspraak
o Rechters moeten zonder druk van overheid/anderen eerlijk
kunnen oordelen
- Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen
o In principe kan iedereen vervolgd worden als hij wet
overtreedt
o Uitzonderingen: diplomaten met immuniteit,
overheidsinstanties (strafrechtelijke immuniteit van de
overheid), gemeente/overheidsambtenaren (alleen bij
uitoefening van overheidstaak!)
o Voorbeeld bij overheidsinstanties: vuurwerkramp Enschede
- Rechtszekerheid