Week 1 (H1 & H3)
Legaliteitsvereiste
Handelen van de overheid moet gebaseerd zijn op de wet: het legaliteitsvereiste. De wet geeft OCW
en het college van B&W bevoegdheid om te handelen.
Toekenning van bevoegdheden
Attributie: bevoegdheid wordt rechtstreeks toegekend door de wet (bijv. art. 6 lid 5 WOT).
Delegatie: bevoegdheid kan worden overgedragen aan een ander bestuursorgaan.
Bijzondere wet boven algemene wet
Bijvoorbeeld art. 40 lid 12 WPO: bezwaar tegen besluit tot niet-toelating tot openbaar onderwijs →
bevoegd gezag moet binnen 4 weken beslissen i.p.v. 6 weken.
Onderwijsrecht als rechtsgebied
Onderwijsrecht is een functioneel rechtsgebied, waarin verschillende rechtsgebieden samenkomen:
internationaal recht, publiekrecht en privaatrecht.
Recht op onderwijs
Verankerd in:
EVRM
IVRK
art. 23 lid 1 Grondwet → recht op onderwijs.
Vrijheid van onderwijs
Vastgelegd in art. 23 Grondwet.
Particuliere school
Een school zonder bekostiging van de overheid heet een particuliere school. Het oprichten van een
school kan zonder toestemming of vergunning van de overheid, omdat onderwijs geven vrij is. Wil de
school onderwijs geven volgens de Leerplichtwet (LPW), dan moet de school erkenning krijgen van
de inspectie. De inspectie controleert of de school voldoet aan de minimale kwaliteitseisen van de
WPO/WVO. De erkenningsprocedure staat in art. 1a LPW en art. 11 lid 7 WOT.
Duaal stelsel
Het Nederlandse onderwijs kent twee soorten onderwijs:
openbaar onderwijs
bijzonder onderwijs.
Openbaar onderwijs
Kenmerken:
levensbeschouwelijk neutraal (art. 23 lid 3 GW)
voor iedereen toegankelijk (art. 23 lid 4 GW).
, Dit wordt de garantiefunctie genoemd: de overheid moet ervoor zorgen dat niemand feitelijk
gedwongen is zijn kind naar een bijzondere school te sturen.
Aanbodsverplichting
Art. 23 lid 4 eerste zin GW: in elke gemeente moet openbaar onderwijs worden aangeboden. In
beginsel moet er in elke gemeente een openbare basisschool zijn binnen ongeveer 10 km. Voor
voortgezet onderwijs is dit niet altijd mogelijk vanwege de regionale functie.
Uitzondering
Art. 23 lid 4 tweede zin GW: afwijking is mogelijk, bijvoorbeeld door leerlingvervoer naar een
openbare school of door een samenwerkingsschool.
Vrijheid van inrichting
Vrijheid van inrichting geldt alleen voor bijzonder onderwijs. Voorbeelden zijn montessori- of
daltononderwijs. Ook het stellen van eigen kwaliteitsdoelen valt hieronder.
Openbare scholen mogen onderwijs wel naar eigen inzicht vormgeven. Dit heet pedagogische
autonomie. Dat betekent dat openbare scholen binnen de grenzen van de wet eigen beslissingen
mogen nemen, bijvoorbeeld:
leerlingen weigeren omdat de school vol zit
verwijzen naar passend onderwijs
een leerling verwijderen (bijvoorbeeld bij pesten).
De vrijheden die in de Grondwet zijn beschreven zijn primair geschreven voor bijzonder
onderwijs.
Toelating tot openbare school
Een leerling mag niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing (art. 46 lid 2
WPO).
Vrijheid van inrichting bij bijzonder onderwijs
Bijzondere scholen mogen eisen stellen, bijvoorbeeld aan capaciteiten of schoolgrenzen. Zo kan een
leerling alleen worden toegelaten als deze binnen een bepaalde postcode woont. Ook mogen
kledingsvoorschriften worden gesteld, maar binnen grenzen: er mag niet worden gediscrimineerd op
basis van geaardheid of politieke voorkeur.
Personeel bij bijzonder onderwijs
Bijzondere scholen hebben vrijheid van richting bij personeel. Niet toegestaan is discriminatie op
grond van geaardheid of burgerlijke staat. Wel toegestaan is onderscheid op basis van geloof,
levensbeschouwing of politieke gezindheid.
Leerlingen bij bijzonder onderwijs
Bijzonder onderwijs mag onderscheid maken op basis van geloof, levensovertuiging en geslacht.
Onderscheid op basis van geslacht is alleen toegestaan als er voor beide geslachten gelijkwaardige
voorzieningen bestaan.
Kwaliteitseisen
De onderwijsrechtelijke term voor kwaliteitseisen is deugdelijkheidseisen, een term die ook in de
Grondwet wordt gebruikt.
Schoolplan
Elke school moet een schoolplan hebben (art. 12 WPO).