Hoofdstuk 1 – Wat is orthopedagogiek?
Wat betekent orthopedagogiek?
Orthopedagogiek gaat over opvoeden als het niet vanzelf gaat. Het kijkt naar situaties waarin een
kind vastloopt in zijn ontwikkeling en de opvoeder niet meer weet hoe hij kan helpen. De
orthopedagoog zoekt dan naar een pedagogisch antwoord: wat heeft het kind nodig om weer
verder te kunnen groeien?
Belangrijke begrippen
- Opvoedingsimpasse → de opvoeder ziet geen oplossing meer en voelt zich machteloos.
- POS (Problematische Opvoedingssituatie) → de relatie tussen kind en opvoeder is
vastgelopen; er is hulp van buiten nodig.
- Functioneel proces → de dagelijkse omgang tussen kind en opvoeder (zoals eten,
spelen, praten).
- Intentioneel proces → de opvoeder stuurt bewust: leert iets aan, stelt grenzen, geeft
richting.
- Affectief aspect → gevoelens en relaties.
- Cognitief aspect → leren en begrijpen.
- Conatief aspect → eigenheid en motivatie van het kind.
De theorie van Kok
Volgens orthopedagoog J.F.W. Kok laat een kind met zijn gedrag zien wat het nodig heeft. De
opvoeder moet leren dat gedrag te ‘lezen’ en daarop reageren. Kok noemt dat een
orthopedagogische vraagstelling:
“Help mij om … zodat ik …”
Het kind vraagt dus om een bepaalde manier van opvoeden.
De zes vraagstellingstypen van Kok
Strategieën bij opvoeden
Strategie Wat houdt het in Voorbeeld
Dagelijks opvoedgedrag:
Eerstegraadsstrategie Duidelijke regels, veilige sfeer.
warmte, grenzen, steun.
,Strategie Wat houdt het in Voorbeeld
Tweedegraadsstrategie Extra hulp of training. Therapie, ouderbegeleiding, CGT.
Persoonlijke begeleiding,
Derdegraadsstrategie Maatwerk voor het unieke kind.
traumaverwerking.
1. Diagnostiek en classificatie
2. Om te bepalen of er echt sprake is van een POS
3. Leeftijdsadequaat: past het gedrag in het ontwikkelingsstadium of bij de leeftijd? Hoe
groter het verschil tussen de leeftijdsnorm en het probleemgedrag, des te ernstiger het
probleem.
4. Duur van het probleemgedrag: sinds wanneer bestaan de problemen? Meestal geldt dat
de problematiek ernstiger is naarmate de problemen langer duren.
5. Omstandigheden: is het gedrag begrijpelijk gezien de omstandigheden of levensfase? Is
het probleemgedrag te begrijpen of te verwachten gezien de context? Onverwachte
problemen worden als ernstiger gezien dan wanneer er sprake is van een
voorgeschiedenis. Zonder aanleiding of specifieke omstandigheden wordt het
probleemgedrag als ernstiger beschouwd.
6. Sociaal-culturele setting: past het gedrag in de (sub)cultuur waartoe het kind behoort?
Zo niet, dan beschouwt men het als problematisch.
7. Hoeveelheid en frequentie van de problemen: komen de problemen vaak en veel voor?
Hoe vaker dat het geval is, des te ernstiger de situatie.
8. Intensiteit van de problemen: bij een grotere intensiteit gaat men ervan uit dat het
ernstiger is.
9. Type problemen en de mate waarin die problemen in de populatie voorkomen: komt het
gedrag voor onder de normale populatie? Wanneer het type probleem weinig voorkomt
binnen de normale populatie, kan de problematiek ernstiger zijn.
10. Soorten en hoeveelheid van problemen: als er meer problemen spelen, en deze elkaar
versterken, dan is de situatie vaak ernstiger.
11. Situatiegebondenheid: komt het gedrag in een of meer situaties voor? Als dat in
meerdere situaties het geval is, is het probleem ernstiger.
12. Factoren in de omgeving die de ontwikkeling van het kind kunnen belemmeren: zijn er
risicofactoren die de problemen kunnen verzwaren? De situatie kan ernstiger zijn als er
wel risicofactoren aanwezig zijn en maar weinig beschermende factoren.
13. Gevolgen van het gedrag: wanneer het probleemgedrag zorgt dat het kind wordt
belemmerd op andere gebieden in zijn leven, dan gaat men ervan uit dat de situatie
ernstiger is.
14. Effect van het gedrag op de veiligheid en kwaliteit van leven van het kind of anderen om
hem heen: lijdt het kind of lijden anderen om hem heen onder het gedrag en wat zijn de
gevolgen van het gedrag? Bij kinderen die bijvoorbeeld zelf niet lijden onder het gedrag
maar het gedrag wel effect heeft op anderen, kan de situatie ernstiger zijn.
Er zijn drie manieren om problemen te ordenen:
o Categorale classificatie → DSM-5: wel of geen stoornis.
o Dimensionele classificatie → glijdende schaal: hoe ernstig is het probleem?
, o Orthopedagogische classificatie → wat vraagt het kind in de opvoeding?
Hoofdstuk 4 – Problemen in de baby- en peutertijd
Ontwikkelingsopgaven baby
Baby’s moeten in deze fase vooral basisveiligheid ontwikkelen. Ze leren hun lichaam en
emoties reguleren.
Belangrijkste opgaven
• Fysiologische zelfregulatie : Slapen, eten, huilen, prikkels verwerken.
• Veilige hechting : De baby leert: “Jij bent er voor mij.”
• Objectpermanentie : Weten dat iets blijft bestaan, ook als je het niet ziet.
Ontwikkelingsopgaven peuter
Peuters ontdekken hun eigen wil en zelfstandigheid.
Belangrijkste opgaven
• Leren lopen en bewegen
• Taalontwikkeling
• Autonomie: “Ik wil het zelf doen.”
• Separatie-individuatie Kind ontdekt dat het een eigen persoon is.
Opvoedingsopgaven baby & peuter
Ouders moeten aansluiten bij wat het kind nodig heeft.
Wat ouders moeten doen
• Sensitief en responsief reageren Signalen zien en erop reageren.
• Warmte en veiligheid bieden
• Grenzen stellen op een rustige manier.
• Voorbeeldgedrag en uitdagen Spel, taal, contact.
• Goodness of fit De opvoedstijl moet passen bij het temperament van het kind.
Stress en trauma bij jonge kinderen
Baby’s en peuters kunnen stress nog niet zelf reguleren. Ze hebben een volwassene nodig om te
kalmeren.
Window of tolerance
• Optimale zone → kind kan leren en spelen.
• Hyperarousal → boos, druk, overstuur.
• Hypoarousal → terugtrekken, stil, passief.
Trauma
• Type 1: éénmalige schokkende gebeurtenis.
• Type 2: langdurige stress of herhaalde nare ervaringen.
• Ook jonge kinderen kunnen PTSS ontwikkelen.
Traumasensitief opvoeden