Ontwikkelings- en levensloop psychologie major / minor / keuzevak
Ontwikkelingsstoornissen (560110-B-6)
,College 1 – inleiding psychopathologie
Kernconcepten en Definities
Dit college definieert ontwikkelingspsychopathologie als de studie van
ontwikkelingsprocessen die bijdragen aan, of juist beschermen tegen,
psychopathologie. Een ontwikkelingsstoornis wordt specifiek omschreven als "het
stellen van gedrag dat ooit, maar niet langer, past binnen het ontwikkelingsniveau van
het kind". Het is een afwijking van de norm (ontwikkelingsnormen) en ontstaat in de
ontwikkelingsperiode (kindertijd/adolescentie)
Om te bepalen of gedrag "abnormaal" is, wordt gekeken naar verschillende normen,
waaronder culturele, geslachts-, leeftijds- en situationele normen. Specifieke criteria
voor abnormaliteit zijn:
• Ontwikkelingsvertraging: Het kind blijft achter in het bereiken van bepaalde
ontwikkelingsmijlpalen.
• Regressie of achteruitgang: Het kind vertoont gedrag uit een eerdere
ontwikkelingsfase of verliest reeds verworven vaardigheden.
• Extreme frequentie: Het gedrag komt ofwel extreem vaak, ofwel extreem weinig
voor in vergelijking met leeftijdsgenoten.
• Extreme intensiteit: De uiting van het gedrag is ofwel extreem krachtig, ofwel
opvallend zwak.
• Aanhoudend gedrag: De gedragsproblemen blijven gedurende een langere
periode aanwezig.
• Gedrag niet in overeenstemming met de situatie: Het gedrag van het kind is
ongepast voor de specifieke context of situatie.
• Plotse veranderingen in gedrag: Er vindt een onverwachte en abrupte
verschuiving plaats in het gedragspatroon van het kind.
• Verschillende problematische gedragingen: Er is sprake van een combinatie
van meerdere soorten problemen.
• Kwalitatief verschil met normaal: Het gedrag wijkt in de kern wezenlijk af van
wat als een normale ontwikkeling wordt beschouwd.
Prevalentie en Trends
• Algemene prevalentie: Een meta-analyse toont aan dat wereldwijd 13,4% van
de kinderen en adolescenten een mentale stoornis heeft. De APA (2007) schat dit
op 15-20%, waarvan de helft ernstig.
• Geslachtsverschillen: Sommige stoornissen komen vaker voor bij jongens (zoals
ASS, ADHD, en gedragsstoornissen), terwijl andere vaker bij meisjes worden
gezien (zoals angst, depressie en eetstoornissen).
, • Seculaire trends: Maatschappelijke veranderingen, zoals medische vooruitgang
die leidt tot meer overlevende premature geboortes, beïnvloeden de
prevalentiecijfers.
Theoretische Kaders
Het college hanteert een algemeen ontwikkelingsperspectief waarbij het individu
altijd in relatie tot zijn omgeving wordt gezien. Twee centrale modellen zijn:
• Ecologisch Model (Bronfenbrenner): Dit model beschrijft verschillende
systemen rondom het individu, van proximaal naar distaal: het Microsysteem
(gezin, school), Mesosysteem, Exosysteem, Macrosysteem (cultuur) en het
Chronosysteem (tijdsverloop).
• Transactioneel Model (Sameroff): Benadrukt de continue interactie tussen het
kind en zijn omgeving, waarbij beide elkaar beïnvloeden.
De Vijf Modellen van Ontwikkelingspsychopathologie
Het college onderscheidt vijf stromingen die psychopathologie verklaren:
1. Medisch Model:
o Organisch disfunctioneren: Psychopathologie wordt primair beschouwd
als het resultaat van biologische of lichamelijke defecten.
o Individuele focus: Het model richt zich op de processen binnen het
individu zelf.
o Classificatie en diagnose: De kern van de methodiek is het groeperen
van symptomen om tot een specifieke diagnose te komen.
o Gebruik van standaarden: Er wordt intensief gebruikgemaakt van
internationale classificatiesystemen zoals de DSM (Diagnostic and
Statistical Manual of Mental Disorders) en de ICD-10 (International
Classification of Diseases).
2. Gedragsgeoriënteerd Model: Beschouwt gedrag als het resultaat van
leerprincipes.
o Klassieke conditionering: Pavlov en Watson (het "Little Albert"
experiment).
o Operante conditionering: Skinner (beloning en straf).
o Sociaal leren: Bandura (imitatie en observationeel leren via de "Bobo
Doll" experimenten)
- In deze experimenten observeerden kinderen een volwassen model dat
agressief gedrag vertoonde tegenover een opblaasbare pop, de
zogenaamde Bobo doll. Het college benadrukt dat dit experiment
, aantoonde dat gedrag niet alleen ontstaat door directe beloning of
straf, maar ook door:
o Imitatie: Kinderen kopiëren het gedrag dat zij bij anderen zien
o Observationeel leren: Het simpelweg kijken naar het gedrag
van een model is voldoende om dat gedrag aan te leren.
3. Cognitieve Modellen: Focus op informatieverwerking en schema's.
o Piaget: Theorie over vaste ontwikkelingsstadia en processen van
assimilatie en accommodatie.
o Assimilatie: Het proces waarbij nieuwe informatie of
ervaringen worden ingepast in reeds bestaande schema's.
o Accommodatie: Het aanpassen van bestaande schema's
wanneer nieuwe informatie niet in de huidige structuren past,
waardoor er een nieuw schema ontstaat.
o Maladaptieve schema's: Tekortkomingen of vervormingen in het denken
(Kendall; SIP-model van Crick & Dodge).
4. Psychoanalytische Modellen: Focus op innerlijke conflicten en vroege
ervaringen.
o Freud: Structureel model (Id, Ego, Superego) en psychoseksuele stadia.
o Id: Dit deel van de persoonlijkheid wordt gedreven door
onmiddellijke behoeften en driften ("Ik wil het nu!").
o Ego: Het Ego fungeert als de bemiddelaar en de planner; het
probeert behoeften te bevredigen op een manier die rekening
houdt met de realiteit ("Ik moet een beetje plannen om het te
krijgen").
o Superego: Dit is het morele geweten dat oordeelt over wat goed
en fout is op basis van aangeleerde normen ("Je mag het niet
hebben. Het is niet juist")
o Erikson: Egopsychologie met acht ontwikkelingsstadia.
o Focus op identiteitsvorming: de identiteitsvorming in de
adolescentie wordt uitgelicht als een cruciale
ontwikkelingstaak die binnen dit model van Erikson valt
o Hechtingstheorie: Bowlby en Ainsworth (Vreemde Situatie Test)
onderscheiden veilige en onveilige hechting (vermijdend, ambivalent,
gedesorganiseerd).
5. Gezinssysteemtheorie: Ziet het gezin als een dynamisch geheel.