C1- Vragenlijsten
Correlationele data = gegevens die worden verzameld om de statistische
relatie of associatie te meten tussen twee of meer variabelen die van
nature voorkomen, zonder dat de onderzoeker deze variabelen controleert
of manipuleert.
Hoofdoel is patronen identificeren en de sterkte en richting van
verband bepalen.
De onderzoeker observeert en meet variabelen zoals ze in hun
natuurlijke omgeving voorkomen, er worden geen variabelen
gemanipuleerd.
De gegevens laten zien of variabelen in een consistent patroon
veranderen.
Belangrijk is dat een correlatie niet aantoont dat de ene variabele de
andere veroorzaakt, omdat er ook andere factoren mee kunnen
spelen.
Voorwaarden causaliteit:
o Covariance = er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het
gevolg
o Temporal precedence = de oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan
het gevolg
o Internal validity = alternatieve verklaringen voor de gevonden
relatie moeten zijn uitgesloten.
Correlationele data op verschillende manieren gegenereerd:
o Doelgericht: onderzoeker maakt bewust de keuze om data te
verzamelen, zoals vragenlijsten/observaties/experimenten.
Onderzoekers verzamelen gegevens om: de sociale werkelijkheid te
beschrijven, relaties te bestuderen & eventuele resultaten te generaliseren
naar een doelpopulatie.
- Doelen van onderzoek (inferentiële doelen) kunnen verschillen:
Beschrijven, causaliteit of voorspellen. LET OP! Causale verbanden
kunnen in principe alleen vastgesteld worden m.b.v. gerandomiseerd
experiment. Maar het doel van het onderzoek kan nog steeds het
vaststellen van een causaal verband zijn.
o Toevallig: data die we zelf genereren (bestaande gegevens), zoals
sociale media.
In correlationeel onderzoek wordt vaak een vragenlijst als meetinstrument
gebruikt. Maar maakt ook gebruik van observaties of bestaande gegevens.
In sociaalwetenschappelijk onderzoek wordt de vragenlijst als
meetinstrument gebruikt:
o Survey onderzoek: meningen, gedrag of persoonlijkheidskenmerken
bestuderen op groepsniveau.
o Mixed methods onderzoek: bv. combinatie van interview en
vragenlijst.
o Experimenteel onderzoek: voorafgaande het experiment, na
manipulatie gevoelens of ervaringen uitvragen.
,Vragenlijsten kunnen op verschillende manieren afgenomen worden:
Internet, smartphone, face-to-face (CAPI), post of telefoon (CATI).
*CAPI = computer assisted personal interview. CATI = computer assisted
telephone
Keuze hangt af van doelgroep, setting en doel van onderzoek.
Verschillen in eigenschappen: mate van betrokkenheid van de
onderzoeker/ interviewer, Mate van interactie met de respondent & mate
van privacy. Communicatie mogelijkheden (visueel/auditief), gebruik
technologie, kosten & deelname/ response.
Mixed-mode design:
Eén type voor sommige respondenten, een ander type voor anderen.
- Bv. internet-enquête voor leeftijd 40-55 & smartphone-enquête voor
20-30.
Eén type voor werving, een andere voor afname van de enquête
- Bv. uitnodiging per post voor een online enquête.
Eén type voor gegevensverzameling, een andere voor herinneringen,
follow-up.
- Bv. telefonische herinnering voor online enquête.
Één type voor het hoofdgedeelte, een andere voor vragen over een
gevoelig onderwerp.
- Bv. Telefoon & Audio Computer Self-Administered (ACASI).
Panelonderzoek = een panel is een groep mensen (panelleden) die zich
hebben aangemeld om deel te nemen aan onderzoek. Door het invullen
van enquêtes, het deelnemen aan interviews, user tests of focusgroepen
- Onderzoek loopt over een langere periode. Bij enquêtes is de inhoud
van de vragenlijsten meestal hetzelfde.
- Vragen kunnen toegevoegd of aangepast worden aan de hand van
actuele gebeurtenissen, nieuwe inzichten, etc.
Soorten panels:
o Longitudinaal panel = volgt dezelfde groep individuen over een
langere periode. Beidt inzicht in veranderingen in attitudes,
gedragingen of andere variabelen binnen dezelfde groep over de
tijd.
Voordelen: leeftijds-, periode- en cohort effecten kunnen beschreven
worden & veranderingen binnen-persoon kunnen gemeten worden.
Nadelen: uitval (attrition) & panel conditionering/leereffecten (=als je elke
keer dezelfde vragenlijst invult, weet je hoe je het de vorige keer hebt
ingevuld)
o Dwarsdoorsnede panel (cross-sectioneel panelonderzoek) =
verzamelt gegevens van verschillende individuen op verschillende
tijdstippen. Elke keer dat gegevens worden verzameld, kan een
nieuwe steekproef worden genomen.
Voordelen: leeftijds-, periode- en cohort effecten kunnen beschreven
worden & goedkoper (minder uitval) & geen leereffecten.
, Nadelen: Binnen-persoon veranderingen kunnen niet gemeten worden.
Oplossing leereffect → gebruik maken van mixed mode: Eén type voor één
ronde van het panelonderzoek, een andere voor andere. Maar kan dan nog
steeds leereffecten komen → andere lay-out geven van de vragenlijst.
In sociaalwetenschappelijk onderzoek worden veel abstracte kenmerken
bestudeerd. Om theoretische begrippen te kunnen meten →
operationaliseren.
Theoretisch begrip → conceptuele definitie → operationele definitie →
variabele.
Itemscore = de score van een persoon op 1 vraag, bij 1 item is het
ordinale schaal.
Schaalscore = alle scores optellen.
Kolommen zijn variabelen, rijen zijn personen (in een dataset).
Soms is optellen itemscores onhandig: als er antwoorden ontbreken.
Zoveel ontbrekende antwoorden worden met digitale vragenlijsten bijna
onmogelijk gemaakt.
→ Bereken het gemiddelde van alle itemscores (kan ook als paar waarden
missen).
In veel vragenlijsten vinden we omgekeerde geformuleerde items →
hercoderen of ompolen van variabelen.
C2 – Betrouwbaarheid & Regressie
-Betrouwbare meting: de meting varieert niet door kenmerken van de
manier waarop je hebt gemeten of het meetinstrument (=consistentie van
de meting).
-Valide meting: hoe goed je meting overeenkomt met het theoretische
begrip waarin je geïnteresseerd bent (=correctheid van de meting).
Begripsvaliditeit:
o Indruk = lijkt de meting in orde?
o Inhoud = meet het alle aspecten van het construct?
o Convergent = correleert het met een andere meting van hetzelfde
construct.
o Discriminant = correleert het niet met iets dat iets anders zou
moeten meten?
o Criterium = correleert het met een criteriumvariabele, zodat het
voorspellend gebruikt kan worden.
Stekte van de relatie meten met de Pearson correlatiecoëfficiënt (=een
maat voor het meten van de sterkte en de richting van een lineaire
relatie), deze maat gebruiken we ook om validiteit (p-waarde) en
betrouwbaarheid te meten (test-hertest-betrouwbaarheid).
Betrouwbaarheid meten zonder herhaalde metingen: Crohnbach’s
Alpha, meet interne betrouwbaarheid (consistentie). Mate items in
vragenlijst correleren.