Experimenteel Onderzoek PB0422
(Laatste pagina betreft alle onderwerpen)
Vraag 1
Waarom zijn experimentele designs geschikt om causale verbanden vast te stellen?
A. Omdat de onderzoeker meerdere afhankelijke variabelen meet
B. Omdat alle variabelen willekeurig worden toegewezen
C. Omdat een geobserveerde verandering in de afhankelijke variabele enkel het resultaat kan zijn van
de verandering in de onafhankelijke variabele
D. Omdat de steekproef representatief is voor de doelpopulatie
Juiste antwoord: C
Toelichting: In experimentele designs houdt de onderzoeker strenge controle over de variabelen.
Wanneer alleen de onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd en alle andere variabelen constant
worden gehouden, kan een verandering in de afhankelijke variabele enkel worden toegeschreven
aan de onafhankelijke variabele.
Vraag 2
Wat stelt Mills method of difference?
A. Om een causaal effect van X op Y aan te tonen, moet Y ook voorkomen wanneer X afwezig is
B. Om een causaal effect van X op Y aan te tonen, moet Y niet voorkomen wanneer X afwezig is
C. Om een causaal effect van X op Y aan te tonen, moet X willekeurig worden toegewezen
D. Om een causaal effect van X op Y aan te tonen, moet Y vooraf worden gemeten
Juiste antwoord: B
Toelichting: Mills method of difference stelt dat wanneer X afwezig is, Y eveneens afwezig moet zijn.
Daarom zijn een experimentele groep en een controlegroep nodig.
Vraag 3
Welke groep vormt een geschikte controlegroep wanneer men het effect van een nieuwe
wiskundelesmethode onderzoekt?
,A. Leerlingen die helemaal geen wiskunde krijgen
B. Leerlingen die extra huiswerk krijgen
C. Leerlingen die de nieuwe lesmethode krijgen
D. Leerlingen die les krijgen volgens de gangbare lesmethode
Juiste antwoord: D
Toelichting: Een controlegroep moet zoveel mogelijk lijken op de experimentele groep, behalve wat
betreft de manipulatie. Daarom krijgen zij de gebruikelijke lesmethode.
Vraag 4
Wat is het belangrijkste verschil tussen een volledig gerandomiseerd ontwerp en een quasi-
experiment?
A. Alleen quasi-experimenten bevatten een manipulatie
B. Alleen volledig gerandomiseerde ontwerpen bevatten een controlegroep
C. Bij quasi-experimenten ligt de toewijzing aan condities buiten de controle van de onderzoeker
D. Bij quasi-experimenten worden geen metingen uitgevoerd
Juiste antwoord: C
Toelichting: In een volledig gerandomiseerd ontwerp worden proefpersonen willekeurig
toegewezen. Bij quasi-experimenten gebeurt dit niet.
Vraag 5
Wat betekent experimentele controle?
A. Rekening houden met kenmerken van onderzoekseenheden die mogelijk een verstorende rol
spelen
B. Het uitvoeren van een voormeting
C. Het selecteren van een representatieve steekproef
D. Het meten van meerdere afhankelijke variabelen
Juiste antwoord: A
,Toelichting: Experimentele controle houdt in dat verstorende variabelen zoveel mogelijk onder
controle worden gehouden.
Vraag 6
Bij welke vorm van experimentele controle worden proefpersonen eerst onderverdeeld in homogene
categorieën?
A. Globale controle
B. Precisiecontrole
C. Blokontwerp
D. Counterbalancing
Juiste antwoord: C
Toelichting: Bij een blokontwerp worden proefpersonen eerst ingedeeld in categorieën op basis van
een potentiële verstorende variabele.
Vraag 7
Welke vorm van experimentele controle identificeert eerst paren van proefpersonen die zoveel
mogelijk op elkaar lijken?
A. Precisiecontrole
B. Globale controle
C. Blokontwerp
D. Randomisatie
Juiste antwoord: A
Toelichting: Bij precisiecontrole worden vergelijkbare paren gevormd waarna de leden van elk paar
aan verschillende condities worden toegewezen.
, Vraag 8
Wat is een kenmerk van globale controle?
A. Elke combinatie van achtergrondkenmerken wordt gecontroleerd
B. Er worden identieke paren gevormd
C. Gemiddelden en frequenties van achtergrondkenmerken worden gelijk gehouden tussen condities
D. Er worden blokken gevormd op basis van één verstorende variabele
Juiste antwoord: C
Toelichting: Bij globale controle probeert men de groepen gemiddeld vergelijkbaar te maken.
Vraag 9
Wat kenmerkt een between-subject design?
A. Elke proefpersoon doorloopt alle condities
B. De manipulatie vindt plaats tussen proefpersonen
C. Er is altijd een voormeting
D. De manipulatie vindt plaats binnen proefpersonen
Juiste antwoord: B
Toelichting: Verschillende groepen proefpersonen ontvangen verschillende manipulaties.
Vraag 10
Wat kenmerkt een within-subject design?
A. Elke proefpersoon wordt blootgesteld aan alle condities
B. Er worden meerdere groepen gevormd
C. Er is geen manipulatie
D. Er is altijd een controlegroep
Juiste antwoord: A