diergeneesmiddelengebruik
Module PPRC
Semester 2
• Afronding in T4 schriftelijk tentamen (open/invul/meerkeuze/goed-fout – vragen)
3 ECTS
Inhoudsopgave
Les 1: Introductie & bacterie ......................................................................................................... 3
Les 2: Werking AB ......................................................................................................................... 4
Les 3: Resistentie ontwikkeling ..................................................................................................... 5
Les 4: Bacteriofagen als therapie ................................................................................................... 6
Les 5: AB-indeling ......................................................................................................................... 7
Les 6: Faagtherapie & AB-indeling.................................................................................................. 9
Les 7: Dosis, lengte kuur en resistentie-ontwikkeling .................................................................... 10
Les 8: Factoren die meewegen bij de keuze voor AB ....................................................................... 12
Begrippen .......................................................................................................................................13
Les 9: Dosis & kuurlengte oefenvragen.......................................................................................... 14
Les 10: Formularium .................................................................................................................... 16
Les 11: 1e/2e/3e keus AB ................................................................................................................ 17
Les 12: Vervolg formularium en 1e/2e/3e keus AB............................................................................ 19
Les 13: Formularium landbouwhuisdieren .................................................................................... 20
Les 14: MRSA & ESBL ................................................................................................................... 21
Les 15 + 16: Complementaire geneeswijzen .................................................................................. 23
Les 17: EBM & holistisch vs regulier .............................................................................................. 24
Les 18: Placebo ........................................................................................................................... 26
Les 19: Homeopathie ................................................................................................................... 27
Les 20: TCG & bioresonantie ......................................................................................................... 29
Les 21: Fytotherapie & zelfmedicatie ............................................................................................ 30
,Les 22: Acupunctuur .................................................................................................................... 32
Les 23: Registratie, kanalisatie & cascade-regeling ....................................................................... 34
Les 24: Ontwikkeling DGM & aanvraag .......................................................................................... 36
Les 25: Registratie DGM, veiligheid & farmacokinetiek .................................................................. 38
Les 26: Vervolg les 25 ................................................................................................................... 40
Begrippen .......................................................................................................................................41
Les 27: Kanalisatie ....................................................................................................................... 42
Les 28: Vervolg kanalisatie ........................................................................................................... 44
Les 29: Cascaderegeling .............................................................................................................. 45
Les 30: Reclame & internetverkoop .............................................................................................. 48
Vragen............................................................................................................................................49
Les 31: Vervolg reclame ............................................................................................................... 51
Les 32: Vervolg internetverkoop ................................................................................................... 52
Vragen ........................................................................................................................................ 54
2
,Les 1: Introductie & bacterie
Pathogeen: ziekteverwekkende stof.
Antibioticum (AB): werkzame stof die ALLEEN bacteriën doodt/remt in hun groei.
Werkzaamheid = Door in te grijpen op 1/meerdere processen die van belang zijn voor de
levensvatbaarheid van bacteriën, zodat de bacterie doodgaat /zich niet meer kan delen.
= Één van de meest gebruikte categorieën medicijnen (actueel à resistentieproblematiek).
Eukaryoot: DNA ligt in de celkern.
Bacterie: eencellig micro-organisme en bevat erfelijk materiaal (DNA) wat los in het cytoplasma
ligt, bacteriën hebben geen celkern = prokaryoot.
• Heeft ribosomen: zelf eiwitten aanmaken à zelfstandig delen
• Plasmide: stukje INACTIEF enkele DNA-streng waarbij uiteindes aan elkaar zijn
vastgeknoopt (ringvormig). Dit ligt BUITEN het chromosomaal DNA en wordt niet
afgelezen zolan gze op een ringvormig stukje DNA zit.
Soorten bacteriën
Grampositief: celwand (geel) & celmembraan (blauw) à Bijvoorbeeld Clostridium.
Gramnegatief: celwand (geel) & celmembraan (blauw) & 1 buitenmembraan (groen) à extra
bescherming tegen buitenwereld Bijvoorbeeld E. coli.
Celwand
Mycoplasma: 1 celmembraan (blauw), GEEN celwand.
Celmembraan: dun en flexibel, kan daardoor zich makkelijk verplaatsen en ligt altijd binnen de
celwand. Dit is de grens tussen de binnen- & buitenwereld van de bacterie (bevat receptoren).
Celwand: harnas aan de buitenzijde van de cel.
Gramkleurstof
Ontwikkeld door dhr. Gram à en is een donkerpaarse kleurstof. De kleurstof hecht zich aan de
celwand van bacteriën (celwand MOET aanwezig + bereikbaar zijn).
• Gram + = bacterie met celwand als buitenste laag à kleurstof hecht zich aan celwand à
celwand kleurt aan à donkerpaars op het plaatje
• Gram - = bacterie met extra buitenmembraan (teflonlaagje) à kleurstof kan NIET bij
celwand door buitenmembraanà celwand kleurt NIET aan à roze-achtig op het plaatje
• Mycoplasma kleurt ook NIET aan, maar verschilt ook in opbouw.
4: celmembraan
8: celwand
12: kapsel
13: pili
14: plasmide
15: DNA
16: ribosomen
17: zweephaar
Kapsel en zweepharen heeft NIET elke bacterie!
3
, Les 2: Werking AB
Voor het levensvatbaar zijn van bacterie zijn de volgende punten van belang:
1. Moet beschermd zijn tegen indringers
1) Intacte celwand nodig à stevigheid en bescherming
2) Intact membraan nodig à transport/receptoren (wat kan in/uit de cel)
Gram – kan niet zonder de buitenmembraan
2. Moet zich kunnen vermenigvuldigen à DNA
3. Moet eiwitten kunnen maken (gemaakt door ribosomen) à celstofwisseling,
bouwstoeen/behouden celwand + celmembraan
AB werkt door in te grijpen op 1/meerdere punten
1. Door remming van de bouw/onderhoud van de celwand van de bacterie
• Betalactam (bijv. penicilline/cephalosporine)
2. Door beschadigen van het buitenmembraan à ALLEEN bij gram NEGATIEF à
smalspectrum (AB werken tegen kleine groep bacteriën)
• Polymyxinen (bijv. colistine)
3. Door ingrijpen in de functie van DNA en stofwisseling van bacterie
• Quinolonen (bijv. rifampicine)
• Sulfonamide (bijv. trimethoprim)
4. Door remming van de aanmaak van eiwitten van bacterie (bijv ribosomen/aanvoer van
bouwstoeen blokkeren) = eiwitsynthese
• Aminoglycosiden
• Linocosamiden
• Tetracyclinen
Zoogdieren hebben geen last van behandeling AB (op blokkade eiwitsynthese) à dit
komt door verschil in ribosomen.
Bactericide: het AB doodt de bacterie à werkt op actief delende bacteriën.
Bacteriostatisch: het AB stopt/remt groei (deling) van de bacterie à AB legt bacterie stil (dan
werkt -cide niet meer) à Bijvoorbeeld doxycycline.
Combinatie hiervan is NIET zinvol
Soms is het zinvol om 2 AB tegelijk te gebruiken:
1. 2 aanvalswijzen soms eeectiever
2. Breder spectrum (meerdere soorten AB tegelijk)
Smalspectrum: antibiotica werkt tegen een beperkt aantal bacteriën.
Hoe minder bacteriesoorten beïnvloed worden door AB à hoe minder resistentie er ontwikkeld
Breedspectrum: antibiotica werkt tegen verschillende bacteriën à Bijvoorbeeld amoxicilline.
Opname AB-injectie
1. Opname in ‘lokale’ bloedvaatjes door injectie spier/vet à via bloed transport naar
organen
2. Via bek à langs MDK (moet tegen zure omgeving kunnen) à opname in darmwand
Uiteindelijk wordt de stof uitgescheiden door urine, mest of omgebouwd naar een andere stof.
4