Klinische pathologie – Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie
Diagnostiek:
1. Anamnese = gesprek over de ziektegeschiedenis
- Speciële anamnese = over de hoofdklacht (wat/waar/wanneer) situation
- Algemene anamnese = overige ziektegeschiedenis background
2. Lichamelijk onderzoek assesment
- Inspectie (kijken
- Percussie (kloppen)
- Auscultatie (luisteren)
- Palpatie (betasten/voelen)
3. Differentiale diagnose (DD) = rijtje (waarschijnlijke) ziekten, met de meest waarschijnlijke
bovenaan recommendation
4. Arts vraagt (bio)medisch/beeldvormend/functie onderzoek aan, om afwijkingen in de DD aan
te tonen of uit te sluiten.
a. D.m.v. bloedprikken
5. Na bloedonderzoek 1 diagnose stellen; vormt basis voor therapie.
Therapieën indelen:
- Preventief, curatief, palliatief
o Preventief voorkomen of vroegtijdig opsporen van ziekten
o Curatief genezing van ziekten
o Palliatief verzachten van lijden van ongeneeslijke ziekten
- Causaal of symptomatisch
o Causaal gericht op de oorzaak van de ziekte
o Symptomatisch verminderen van verschijnselen
- Operatief of conservatief
o Operatief d.m.v. snijden/vasthechten anatomisch iets veranderen aan het lichaam
o Conservatief overige behandelingen (medicatie/voorlichting), want anatomisch blijft
het lichaam hetzelfde
Klinische pathologie – Hoofdstuk 2 Cytologie/histologie
Celkern (nucleus) cytoplasma membranen = cel
Cytoplasma:
- Mitochondriën leveren energie (zetten stoffen uit voeding om in kooldioxide en water;
verbranding)
o In het hart veel van deze organellen; rondpompen bloed
- Endoplasmatisch reticulum
o Ribosomen koppelen aminozuren tot eiwitten
- Golgi-apparaat slaat producten uit het endoplasmatisch reiculum op en verwerkt ze
- Lysosomen agressieve cellen die micro-organismen afbreken (belangrijk in afweercellen!)
Mitose = celdeling van normale cellen (vermenigvuldiging van dezelfde cellen) nieuwe cellen hebben
precies dezelfde genetische informatie als de moedercel
Meiose = celdeling van de geslachtscellen. ½ chromosoom moeder zoekt ½ chromosoom vader en
koppelt zo op
Klinische pathologie – Hoofdstuk 3 Ziekteoorzaken
,Endogene factoren
- Autosomaal recessieve aandoeningen
o Alleen het kind wordt ziek, dat van beide ouders het afwijkende gen krijgt
o Gen komt alleen tot uiting als beide genen hetzelfde zijn (aa/AA)
o Komen vaker voor als ouders familie van elkaar zijn (incest)
D d
D DD Dd
d dD dd
DD = gezond
dD = drager
dd = afwijkend/ziek
Als beide ouders drager zijn, is de kans op het krijgen ervan:
Een ziek kind 25%
Een drager 50%
Een gezond kind, niet drager 25%
- Autosomaal dominante aandoeningen
o Bij één afwijkend gen krijgt het kind al de ziekte
o Deze aandoeningen slaan géén generatie over
o Bij een zieke en gezonde partner:
50% dat het kind de ziekte ook krijgt
50% dat het kind de ziekte niet krijgt
D d
d dD dd
d dD dd
dD = heeft ziekte
dd = gezond, niet drager
- Geslachtsgebonden recessieve aandoeningen
o Het afwijkende gen zit op de X-chromosoom, alleen vrouwen kunnen drager zijn
(XXY)
o Een draagster en een gezonde partner hebben:
25% op het krijgen van een zoon met aandoening
25% op het krijgen van een zoon zonder aandoening
25% op het krijgen van een dochter die draagster is van het afwijkende gen
25% op het krijgen van een dochter zonder het afwijkende gen
X Y
X XX XY
X XX XY
X = afwijkende gen
- Polygene erfelijkheid
o Meer dan 2 genen spelen een rol complex, want vaak ook omgevingsfactoren
(roken)
Exogene factoren
- Micro-organismen en wormen
o Micro-organismen
Iedereen heeft ze, sommige zijn positief, een deel is pathogeen
(ziekteverwekkend)
4 hoofdsoorten:
Bacteriën
Virussen
Gisten of schimmels
Protozoën
, o Wormen
Bij de mens meestal in de darm, soms te zien in ontlasting
- Bij infecties wordt elke hoofdsoort bestreden met een eigen middel:
Bacteriën antibiotica
Virussen virostatica
Gisten en schimmels antimycotica
Protozoën antiprotozoïca
Wormen anthelmintica
o Een ander middel gebruiken helpt niet, kan wel voor bijwerkingen zorgen.
- Chemische factoren (scheikundige oorzaken)
o Stoffen die inwerken op het menselijk lichaam
Teer uit sigaretten
Uitlaatgassen van auto’s
Afvalstoffen uit de industrie
Bestrijdingsmiddelen uit de landbouw
Schoonmaakmiddelen (aanraking/inslikken)
Ziekten die ontstaan door bijwerkingen van een geneesmiddel
- Fysische factoren (natuurkundige oorzaken)
o Veroorzaken letsel, onderscheiden in:
Mechanische letsels
Door ongevallen, mishandeling of automutilatie (zelfverminking)
Letsel waarbij de schade onder een intacte huid zit(bloeduitstorting) /
scherp letsel (snijwonden)
Thermische letsels
Door te hoge temperaturen (brandwonden) / te lage temperaturen
(onderkoeling)
Elektrische letsels
Door (onbedoeld) aanraken van stroomdraden
Stralingsletsels
Door te lang onbeschermd zonnen / röntgenbestraling
Letsels door geluidsoverbelasting
Door langdurig in een luide ruimte te zitten/te harde muziek aan
- Voedingsgebrek of overvoeding
o Tekort aan brandstoffen/bouwstoffen ondervoeding
o Te veel verzadigd vet en te veel calorieën overvoeding
- Stressfactoren
o Psychosociale teleurstellingen die iemand te verwerken krijgt
o Wanneer draaglast groter is dan draagkracht, kan ziekte ontstaan (vb. infectie)
Multifactoriële aandoeningen
Meerderheid van de ziekten wordt veroorzaakt door endogene EN exogene factoren.
Bij auto-immuunziekten richt de afweer zich tegen het eigen lichaam. Deze ziekten zijn niet te
voorkomen/genezen omdat er niet begrepen wordt hoe het kan.
Klinische pathologie – Hoofdstuk 4 Afweer/ontsteking
Afweer
Drie vormen van afweer:
- Lokale barrières aan het lichaamsoppervlak
o Droge huid
o Trilharen in luchtwegen
o Maagzuur
, o Melkzuur in vagina
o Blaas bij compleet/krachtig plassen
o Mond e dikke darm onschuldige bacteriën
Breken pathogenen (ziekteverwekkers) door deze barrieres heen, komen zij
in het inwendige milieu terecht
- Fagocytose (aspecifieke pac mans)
o Aspecifiek omdat veel soorten micro-organismen uitgeschakeld kunnen worden
o Micro-organisme wordt opgenomen in de afweercel, die dan afgebroken wordt met
enzymen
- Immunoglobulinen (specifieke afweereiwitten)
o Lymfocyten reageren op één soort antigeen:
Indringers (bacteriën/virussen)
Abnormale lichaamscellen (kankercellen/cellen met virus erin)
o Lymfocyten circuleren door het bloed en lymfen door het lichaam
o Nadeel: reactie komt pas na dagen op gang
o Voordeel: kan duizenden micro-organismen aanvallen
o Twee typen lymfocyten:
T-lymfocyten
Elke t-lymfocyt kan één specifiek antigeen herkennen
o T-helpercellen
o T-suppressors
o T-geheugencellen
B-lymfocyten
Als zij een antigeen opmerken, produceren zij klonen die dezelfde
antistoffen produceren
Vier manieren op immunoglobulinen te verkrijgen (specifieke immuniteit)
- Natuurlijke passieve immuniteit
o Baby ontvangt immunoglobulinen van moeder via placenta/borstvoeding
- Kunstmatige passieve immuniteit
o Patiënt krijgt immunoglobulinen ingespoten
- Natuurlijke actieve immuniteit
o Ontstaat door contact met levende ziekteverwekkers
- Kunstmatige actieve immuniteit
o Komt op gang door herhaald contact met dood/verzwakt micro-organisme (vaccinatie)
Ontstekingen
Ontsteking = reactie op schadelijke prikkels
Ontstekingsverschijnselen:
- Roodheid = rubor
- Warmte = calor
- Zwelling = tumor
- Pijn = dolor
- Functieverlies = functio laesa
Bij een flinke ontsteking ook:
- Moeheid en malaise (onwel gevoel)
- Verhoging/koorts
- Verhoogde CRP/BSE en leukocytose (extra witte bloedcellen die ontstekingshaard opruimen)
= gevolg van ontstekingsmediatoren (prostaglandinen en histamine)
Prostaglandinen maken zenuweinden gevoeliger en geven koortsreactie via de hypothalamus
Histamine zet bloedvaten wijd open en maakt ze meer permeabel voor eiwitten