Hoorcollege 1 – Inleiding psychopathologie
Vraag 1
Een onderzoeker ziet dat het aantal diagnoses van ASS de afgelopen
twintig jaar sterk is toegenomen. Hij concludeert dat kinderen
tegenwoordig biologisch veel vaker ASS ontwikkelen.
Welke kritiek sluit het beste aan bij het begrip seculaire trend?
A. ASS wordt vooral veroorzaakt door genetische factoren, dus de
prevalentie kan niet veranderen.
B. De stijging kan mede verklaard worden door veranderingen in
diagnostische criteria, bewustwording en herkenning.
C. De stijging bewijst dat omgevingsfactoren belangrijker zijn dan
genetische factoren.
D. De stijging komt uitsluitend door verbeterde overleving van
prematuren.
Antwoord: B
Vraag 2
Een meisje heeft al jaren ADHD-symptomen, maar deze vallen pas op
wanneer zij naar de middelbare school gaat en meer zelfstandig moet
plannen.
Welk concept past hier het beste bij?
A. Regressie
B. Extinctie
C. Growing into deficit
D. Accommodatie
Antwoord: C
Vraag 3
Welke situatie vormt het beste voorbeeld van een proximale factor volgens
Bronfenbrenner?
,A. Culturele normen over opvoeding
B. Werkloosheid van een ouder
C. Veranderingen in onderwijsbeleid
D. Dagelijkse conflicten tussen ouder en kind
Antwoord: D
Vraag 4
Een vader verliest zijn baan. Hierdoor ontstaat thuis veel stress, wat leidt
tot meer conflicten tussen ouders en kind.
Welke uitspraak is het meest correct?
A. Werkloosheid is een proximale factor.
B. Werkloosheid is een distale factor die via een proximale factor invloed
uitoefent.
C. Werkloosheid behoort tot het microsysteem.
D. Werkloosheid heeft geen invloed op psychopathologie.
Antwoord: B
Vraag 5
Een kind interpreteert neutrale gezichtsuitdrukkingen van leeftijdsgenoten
systematisch als vijandig en reageert vervolgens agressief.
Welke theorie verklaart dit het best?
A. Medisch model
B. Gezinssystematisch model
C. Cognitief model (SIP-model)
D. Psychoanalytisch model
Antwoord: C
Vraag 6
Welke situatie illustreert het begrip accommodatie van Piaget?
,A. Nieuwe informatie wordt passend gemaakt binnen een bestaand
schema.
B. Een kind verandert een bestaand schema omdat nieuwe informatie er
niet in past.
C. Een kind observeert gedrag van een rolmodel.
D. Een kind leert via bekrachtiging.
Antwoord: B
Vraag 7
Een therapeut onderzoekt hoe gezinsstructuren, coalities en
interactiepatronen bijdragen aan het probleemgedrag van een kind.
Bij welk model sluit dit het meest aan?
A. Cognitief model
B. Medisch model
C. Psychoanalytisch model
D. Gezinssystematisch model
Antwoord: D
Vraag 8
Welke combinatie is correct?
A. Externaliserende stoornissen → vaker meisjes
B. Internaliserende stoornissen → vaker jongens
C. Externaliserende stoornissen → vaker jongens
D. Geen sekseverschillen
Antwoord: C
Vraag 9
Volgens de ontwikkelingspsychopathologie is psychopathologie:
A. Altijd kwalitatief verschillend van normaal gedrag.
B. Gedrag dat niet meer past bij het ontwikkelingsniveau.
, C. Altijd het gevolg van genetische afwijkingen.
D. Altijd aanwezig vanaf de geboorte.
Antwoord: B
Vraag 10
Een kind vertoont zeer druk gedrag thuis, maar functioneert volledig
leeftijdsadequaat op school, bij sport en bij vrienden.
Welke conclusie is het meest waarschijnlijk?
A. Er is zeker sprake van een ontwikkelingsstoornis.
B. Context-inconsistentie maakt een ontwikkelingsstoornis minder
waarschijnlijk.
C. Er is sprake van regressie.
D. Er is sprake van een seculaire trend.
Antwoord: B
Vraag 11
Welke uitspraak over het gedragsmodel is juist?
A. Gedrag ontstaat voornamelijk door onbewuste conflicten.
B. Gedrag wordt verklaard door schema's en informatieverwerking.
C. Gedrag wordt geleerd via conditionering en observatie.
D. Gedrag wordt uitsluitend genetisch bepaald.
Antwoord: C
Vraag 12
Een kind ziet dat zijn oudere broer agressief gedrag vertoont en daarvoor
respect krijgt van leeftijdsgenoten. Vervolgens gaat het kind zelf ook
agressief gedrag vertonen.
Welk leerproces beschreef Bandura?
A. Klassieke conditionering
B. Accommodatie